Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

vuig - (gemeen)

Etymologische (standaard)werken

Diverse auteurs (2014-), etymologische artikelen, gepubliceerd op Neerlandistiek.nl

Addenda EWN: vuig

vuig bn. ‘gemeen’
Mnl. vudighe (mv.; Holland, ca. 1450), vuydich (1479) ‘lui, vadsig’, Nnl. vuyegh ‘lui’ (Anna Bijns, ca. 1540), vuygh (1618–23). De pejoratieve betekenissen ‘laf, minderwaardig, verachtelijk’ kunnen vanuit ‘lui’ en ‘ledig’ worden verklaard. De wegval van d heeft vuidig regelmatig in vuig veranderd. Tot 1700, zeer sporadisch daarna tot 1820, blijft vuidig in gebruik in de poëzie. Ik vind geen varianten van het woord in de moderne dialecten, maar in 1825 en 1901 wordt voor de Betuwe nog het gebruik van de vuige maandag gerapporteerd, voor wat elders wel ‘verloren maandag’ heette: de maandag na de jaarlijkse betaaldag van boerenmeiden en knechten, een dag die ze in de stad “in luiheid en ledigheid” doorbrachten.
Mnl. vuydig veronderstelt een Oudnl. *fūdig. Dat is een afleiding met -ig van een Germaans bn. *fūda- ‘verrot, stinkend’, dat zelf van de wortel *fū- ‘stinken, verrotten’ is gevormd. Voor Gm. *fūda- is vuig het enige bewijs, maar de wortel *fū- zit ook in vuil uit Gm. *fū-la-. In Duits faul, de directe verwant van vuil, zien we dezelfde betekenisovergang van ‘stinkend’ naar ‘lui’ als in vuig. Die kan begrepen worden via ‘te lang blijven liggen en daardoor verrotten’, vergelijk in je bed liggen rotten ‘(te) lang in bed blijven’.
Germaans *fū- komt uit het Proto-Indo-Europese ww. *puH- ‘stinken, rotten’, waarvan o.a. Latijn pūs, Grieks púos, Skt. puvas- ‘etter’ is afgeleid. Zie voor verdere verwanten onder pus, dat zelf een Latijns leenwoord is. Latijn pūtidus ‘rottend, verrot’ en pūtēre ‘stinken’ zijn waarschijnlijk op PIE *puH-tó- ‘stinkend, verrot’ gebaseerd, precies de vorm die Germaans *fūda- zou opleveren.
[Michiel de Vaan, gepubliceerd op 29-01-2015]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

vuig* [gemeen] {vudich [lui, vadsig] 1450, vuygh [slecht] 1618}; vgl. hoogduits faul [lui]; van dezelfde stam als vuil maar met een ander achtervoegsel.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

vuig bnw., eerst nnl. samentrekking uit mnl. vûdich, vuidich ‘lui, vadsig’, daarnaast met gutturaal: on. fūki ‘stank’ een afl. van de idg. stam *pū ‘rotten, stinken’, waarvoor zie: vuil.

De bet. overgang van ‘rottend, stinkend’ vinden wij ook in nhd. faul. Vandaar ook tot het nnl. ‘gemeen, slecht’.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

vuig bnw., nog niet bij Kil. = mnl. vûdich, vuidich “lui, vadsigˮ en gevormd van een met vuil verwant idg. deelw. *pû-tó-, germ. *fûða-; voor de bet. “lui, vadsigˮ vgl. hd. faul = ndl. vuil en ndl. dial. voos “vadsig, luiˮ.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

vuig bijv., Mnl. vudich, met ander suffix van denz. wortel als vuil + On. feyja = laten rotten, waarnevens met nog een ander suffix fuinn = vuil.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

vuig* gemeen 1618 [WNT]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal