Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

vrouw - (mens van het vrouwelijk geslacht; echtgenote)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

vrouw zn. ‘mens van het vrouwelijk geslacht; echtgenote’
Onl. frouwa ‘voorname vrouw’ in maria thie heilige urov[we] [1151-1200; Reimbibel]; mnl. vrouwe, vrowe ook ‘(getrouwde) vrouw’ [1240; Bern.], in Pasternake is gut der wrove alse si des kindes genesen is ‘pastinaak is goed voor de vrouw wanneer ze een kind heeft gekregen’ [1250; VMNW], onse vrouwe grafenede margriete van vlaendren ende van henegouwen ‘onze vrouwe, gravin Margareta van Vlaanderen en Henegouwen’ [1240-60; VMNW].
Os. frūa (mnd. vro(u)we); ohd. frouwa (nhd. Frau); ofri. fro(u)we (nfri. frou(we)); < West-Germaans *frauwō(n)- < pgm. *fraw-jōn-. Hierbij ook on. freyja ‘voorname vrouw’ en vandaar Freyja als naam van de Oudnoorse godin van liefde, schoonheid en vruchtbaarheid; daarnaast al vroeg door ontlening aan het os./mnd.: on. frú(a) ‘echtgenote, vrouw’ (nzw. fru).
Vrouwelijke vorm naast pgm. *frawan- ‘heer, voorname man’, waaruit: os. frō(ho); ohd. frō (nog in nhd. Fronleichnam ‘sacramentsdag, Corpus Christi’); oe. frēa; en pgm. *frawja(n)- ‘id.’, waaruit: os. frōio; oe. frīgea; on. Freyr ‘god van de vruchtbaarheid’; got. frauja. In de moderne Germaanse talen is dit woord geheel vervangen door → heer 1, dat eveneens teruggaat op een woord voor ‘voornaam’. Zie ook → amigo.
Oorspr. betekenen deze woorden ‘(de) voorname, (de) vooraanstaande’; pgm. *frawa- < pie. *pro-uo- is afgeleid van pie. *pro- ‘voor, vooraan’, zie → ver- en → pro-.
De oorspr. betekenis is ‘voorname vrouw’, zoals nog in jonkvrouw (zie → jonkheer), maar al in het Middelnederlands had de betekenis zich uitgebreid tot ‘(volwassen) vrouw’ in het algemeen en ‘gehuwde vrouw, echtgenote’ in het bijzonder. Een ongehuwde vrouw wordt soms nog wel → juffrouw genoemd, en zie verder nog de aanspreekvorm → mevrouw.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

vrouw* [mens van vrouwelijk geslacht, echtgenote] {vrouwe [heerseres, voorname dame, vrouw] 1201-1250; als ‘echtgenote’ 1512} middelnederduits vro(u)we, oudfries fro(u)we, oudhoogduits frouwa, oudsaksisch frua, vr. vorm naast oudsaksisch, oudhoogduits fro, oudengels frea [heer]; daarnaast de nevenvorm oudengels friega, gotisch frauja [heer], oudnoors freyja [vrouwe], freyr [heer (naam van een god)]; buiten het germ. latijn prae [vooraan], oudindisch pravaṇa- [naar voren gekeerd].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

vrouw znw. v., mnl. vrouwe, misschien overgenomen uit ohd. frouwa ‘voorname vrouw, dame, meesteres, gemalin’ (nhd. frau); mogelijk gaan ook mnd. vrouwe, vrowe, ofri. frouwe, frowe hierop terug, vgl. nog os. frūa en on. Freyja ‘naam van een godin’. De grondvorm *fraujōn is een vr. formatie naast manl. *frawa- in os. ohd. frō, oe. frēa ‘heer’ (zie: vroon-). Een bijvorm is germ. *fraujan vgl. oe. frīgea, got. frauja. — Idg. grondvorm is *prou̯o- in oi. pravaṇa- ‘voorwaarts geneigd, neerhellend’, gr. prānḗs ‘voorwaarts geneigd’, osl. pravŭ ‘recht, juist’, een afl. van idg. *per, waarvoor zie: ver- 2.

Een verkorte vorm van vrouw (onder invloed van her?) is mnl. ver, mnd. ver, vor, mhd. ver, fer voor eigennamen, zoals in Verbrechten(sone) ‘zoon van vrouw Brecht’. — > me. frowe (1390) ‘Hollandse vrouw’, ne. dial. schots ‘groot en dik vrouwmens’, vgl. Toll 70.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

vrouw znw., mnl. vrouwe v. In ʼt Mnl. nog vaak als v. van hêre “heerˮ, maar ook reeds synoniem met wijf. De ohd. vorm frouwa v. “voorname vrouw, dame, meesteres, gemalinˮ (nhd. frau) gaat op een grondvorm *fraujôn- terug, die als v. hoort bij het m. ohd. os. frô, ags. frêa “heerˮ, germ. *frawan- (zie bij vroon-). Mnl. vrouwe, mnd. vro(u)we, ofri. fro(u)we v. “meesteres, dame, gehuwde vrouw, vrouwˮ kan bezwaarlijk op dienzelfden vorm teruggaan; men neemt wel *frôwô- aan: aangezien dit echter een a priori onwsch. bijvorm is, moet de ndl.-ndd.-fri. vorm eer als een ontl. uit het Hd. beschouwd worden, tegelijk met heer I overgenomen. Het m. *frawan- is overal verdwenen en voor heer geweken; vgl. daarmee fr. dame (< lat. domina): seigneur (< lat. senior). Een verkorte vorm van vrouw (wsch. naar her “heerˮ) is mnl. ver, mhd. ver, fer, mnd. ver, vor, gew. vóór eigennamen, bij ons nog over in familienamen als Verbrechten “(zoon) van vrouw Brechteˮ. Naast germ. *frawan- ook *fraujan-: got. frauja, ags. frîgea m. “heerˮ. On. freyja v. “dominaˮ (gew. als godinnenaam) = ohd. frouwa; hiernaast freyr m. (*frauja-) “dominusˮ, gew. naam van een god. Germ. *frawan-, *frauja(n)- komen van den stam *frawa-, idg. *prowo-, die misschien ook aan gr. prṓtos, dor. prãtos “eersteˮ (*próϜ-atos; of pró-atos?) ten grondslag ligt: van idg. *pro; voor verwanten zie vroom. Een afwijkende vorm is os. frûa ( > laat-on. frû) v. “domina, vrouwˮ; hij zal wel uit *frôa, een nieuw bij frô gevormd femininum, ontstaan zijn: vgl. os. dûan “doenˮ van den stam dô-. Mnl. vrûwe v. (zeer zeldzaam) is een secundaire vorm, ontstaan naar trûwe: trouwe e.dgl.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

vrouw v., Mnl. vrouwe + Ohd. frouwa (Mhd. vrouwe, Nhd. frau); daarnevens met jod-suff. On. Freyja, Go. fraujo: vrouwelijke vorm van vroo. Freyja was een titel van de godin Frîa: z. vroon.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

vrouw (zn.) vrouw; Sermoen euver de Weurd (18e eeuw) vrouw, Vreugmiddelnederlands frouwa <1151-1200>.

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

vrouw (de, -en), (ook:) concubine, partner in concubinaat. Er kwam een neef* blijven*, verschafte het benodigde om de kinderen niet van honger te doen omkomen, maar eiste daarvoor in ruil Wiesje als vrouw (Dobru 1968a: 30). - Etym.: In Ned. opkomend gebruik. - Zie ook: man*.
—: die vrouw, mijn vrouw (gezegd door een man). Als straks het andere kind trouwt is het huis leeg; dan zijn die vrouw en ik precies weer waar we begonnen (Celsius Tjon A Kiet in BN, najaar 1978: 117).
— : zie ook: Spaanse* vrouw.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

vrou: dame; eggenote; Ndl. vrouw (Mnl. vrouwe), Hd. frau, vgl. Oeng. frea, “heer; man”, hoewel verw. fonet. en sem. besware oplewer.

Thematische woordenboeken

K. van Dalen-Oskam & M. Mooijaart (2005), Nieuw bijbels lexicon: woorden en uitdrukkingen uit de bijbel in het Nederlands van nu, uitgebreid met De Nieuwe Bijbelvertaling, Amsterdam

Ingaan tot een vrouw, seksuele omgang hebben met een vrouw.

In de Statenvertaling (1637) wordt de seksuele handeling van de man met een vrouw omschreven met de verbinding ingaan tot. Zo staat er in Genesis 16:4 'En hij [Abram] ging in tot Hagar, en zij ontving.' En in 2 Samuel 16:22 'Absalom ging in tot de bijwijven zijns vaders, voor de ogen van het ganse Israel.' De NBG-vertaling heeft op beide plaatsen ging tot, de NBV sliep met, respectievelijk nam bezit van. Het is vrij ongewoon in het huidige Nederlands.

Liesveldtbijbel (1526), Genesis 16:4. Ende hi ginc in tot Hagar, ende si ontfinc.
Godlof betrof $t een theoloog-in-spe, zodat wij nu met een geruster hart weer kunnen ingaan tot ons heidens lief. (De Tijd, 1-6-1973)
Overigens is bijvoorbeeld het ingaan tot en verborgen raken in een vrouwenlichaam vaak wel zo beschreven dat er enige ruimte blijft voor wat geestelijker lezing. (Vrij Nederland, 20-7-1985)

Een sterke of degelijke vrouw, wie zal haar vinden? als commentaar of compliment bedoelde uitspraak over een vrouw die sterk van karakter is of iets bijzonders presteert.

In de NBV is de frase niet meer terug te vinden. Zo lezen we in Lucas 2:9 (NBV) dat de herders 'hevig schrokken'. Hier worden de kwaliteiten geprezen van een vrouw die de steun en toeverlaat is van haar man en kinderen, maar ook in economisch opzicht een belangrijk rol speelt. Dat de woordkeuze voor de kwalificatie van de vrouw de vertalers voor problemen heeft gesteld, zou men af kunnen leiden uit het groot aantal varianten van de bepaling, zoals deuchdelike (Statenvertaling, 1637), deugdzame (Luthervertaling Visscher, 1648-1896), wakkere (Vertaling Obbink-Brouwer, 1934), flinke (Canisiusvertaling, 1929-1939), degelijke (NBG-vertaling, 1951) en sterke (Willibrordvertaling, 1961-1975).

Willibrordvertaling (1961-1975), Spreuken 31:10. Een sterke vrouw, wie zal haar vinden?
Eerst is zij een meelijwekkend arm, oud vrouwtje [...]; maar gaandeweg wordt zij de sterke vrouw, van wie gezegd wordt: 'Wie zal haar vinden?' (De Volkskrant, 9-11-1968).
[Man tot vrouw die geheel op eigen kracht een onwillige deur sluit:] Ja, een degelijke vrouw, wie zal haar vinden? (Gehoord, jaren '90)

N. van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

vrouw (een -- zonder man is als een vis zonder fiets) (vert. van Engels a woman without a man is like a fish without a bicycle)

C.H.Ph. Meijer (1919), Woorden en uitdrukkingen verklaard door Dr. C. H. Ph. Meijer, Amsterdam

Vrouw, mnl. vrouwe, het vr. van een woord, dat in ’t go. frauja (gen. fraujins) = heer luidt, dus oorspr. meesteres. Dezelfde stam is nog over in vroondienst en vroonrecht; in ’t hd. vindt men nog samenstellingen, w.i. heer = God (of Christus) is, b.v. Frohnleichnan, Frohnaltar (= hoogaltaar); in ’t mnl. komt vroon niet, in ’t ohd. (als frono), mhd. (als vrone, vron) wel voor.

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Vrouw, Ohd. frouwa, de vrouwelijke vorm van ’t Ohd. fro = heer (vgl. vroondienst = heerendienst); het woord w.d.z.: heerin, meesteres. Dit fro is hetzelfde als ons: voorste, vorst, n.1. de eerste; vgl. ’t Idg. prwo, Lat. primus. Het vrouwelijke woord bleef bestaan, het manl. fro stierf uit, evenals in ’t Fr. dame (van domino) bleef voortleven, terwijl de manl. vorm voor dominus in die taal verloren ging.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

vrouw ‘naam van een speelkaart’ -> Fries frou ‘naam van een speelkaart’; Atjehnees prahō, peurahō ‘naam van een speelkaart’; Boeginees pârro ‘naam van een speelkaart’; Makassaars pârro ‘naam van een speelkaart’; Singalees poro-va ‘naam van een speelkaart’; Tamil dialect vīṛo ‘naam van een speelkaart’; Sranantongo frow ‘naam van een speelkaart’.

vrouw ‘mens van vrouwelijk geslacht; echtgenote’ -> Fries frou ‘mens van vrouwelijk geslacht; echtgenote’; Engels frow ‘Nederlandse; mens van vrouwelijk geslacht; (dialect) slons’; Engels vrouw, vrow ‘(Nederlandse) getrouwde dame’; Schots frow ‘grote mollige vrouw’; Deens frue ‘hooggeboren vrouw; getrouwde vrouw, echtgenote’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors frue, fru ‘heerseres; hooggeboren vrouw; getrouwde vrouw, echtgenote’ (uit Nederlands of Nederduits); Fins rouva ‘adellijke vrouw, dame’ (uit Nederlands of Nederduits); Ests proua, roua ‘adellijke vouw, dame’ (uit Nederlands of Nederduits); Frans dialect † vraue ‘mens van vrouwelijk geslacht’; Amerikaans-Engels frow ‘mens van vrouwelijk geslacht’; Negerhollands vro, vrou, frou, fru, vrow ‘mens van vrouwelijk geslacht’; Sranantongo frow ‘mens van vrouwelijk geslacht; echtgenote’; Creools-Engels (Maagdeneilanden) † fru ‘mens van vrouwelijk geslacht’ <via Negerhollands>.

N. van der Sijs (2009), Yankees, cookies en dollars, Amsterdam

Amerikaans-Engels frow, Nederlandse vrouw; mevrouw als aanspreekvorm (Craigie, Webster).
- Van Nederlands vrouw, ook als aanspreekvorm; overgenomen in de zeventiende eeuw en nog in gebruik, mede via het Afrikaans en Duits.
* Het Nederlandse woord vrouw is waarschijnlijk tweemaal geleend, de eerste keer al in de zeventiende of achttiende eeuw in het verkleinwoord vrouwtje dat zowel vertederend als neerbuigend kan zijn. In het Amerikaans-Engels is dit overgenomen als frowchey. De citaten die in de negentiende en begin twintigste eeuw in de woordenboeken met amerikanismen gegeven worden, betreffen allemaal deze vorm.
1848 Frowchey. (Dutch, vrouw, a woman.) A furbelowed old woman. Local in New York and its vicinity. (Bartlett)
1872 ... a Frowchey, a wellnigh desperate attempt to render the staid old Vrouwtje ..., with which the wives of the good burghers used to be greeted. (Schele de Vere)
1902 Frowchey (Dutch vrouwtje). In city of New York and vicinity, a term applied to an old woman, with bent shoulders, and deep-wrinkled, furbelowed face. A wellnigh desperate attempt to render, into English the staid old greeting “Vrouwtje,” so much in use amongst the good burgher’s wives in Knickerbocker times. (Clapin)
De tweede keer is het woord geleend als frow. De behandeling van het woord frow in de verschillende drukken van Webster geven een aardig idee van de ontwikkeling.
1828 frow, a woman. [Not used.]
1913 frow, a woman; especially, a Dutch or German woman.
1961 frow ... 1 a: a Dutch or German woman b: woman, wife, housewife (I’m not going to settle down into a ~ until I’ve had some fun - Joyce Cary) (a crocodile-hided ... old ~ - A.M. Mizener)
1961 vrouw or vrow ... 1: a Dutch or Afrikaner woman 2: mistress - usually used preceding the name of a Dutch or Afrikaner married woman.
Hieruit blijkt dat het woord frow in het begin van de negentiende eeuw als ongebruikelijk gold, maar een eeuw later wel bekend was, zowel voor een Nederlandse als voor een Duitse vrouw. Waarschijnlijk dankzij de vele negentiende-eeuwse Nederlandse en Duitse immigranten - ook het Duitse woord frau is dan in het woordenboek opgenomen. In 1961 werd frow ook gebruikt voor een huissloof (‘I’m not going to settle down into a frow’), en daarnaast was nu ook de spelling vrouw, vrow bekend, deels dankzij het Nederlands en deels dankzij het Afrikaans. In de twintigste eeuw werd vervolgens ook het Duitse leenwoord hausfrau (ietwat denigrerende aanduiding van een house wife) populair.
Samenvattend: uit de oudste tijd is uit het Nederlands het enigszins neerbuigende frowchey overgeleverd; dit werd in de loop van de tijd opgevolgd door frow, een woord dat zowel uit het Nederlands, Duits als Afrikaans afkomstig is.

N. van der Sijs (2006), Klein uitleenwoordenboek, Den Haag

aas en andere kaarttermen. Uit het feit dat vrij veel Nederlandse namen voor spelletjes zijn geleend in talen die gesproken worden in vroegere Nederlandse overzeese gebieden, kunnen we ons een beeld vormen van de manier waarop de Nederlanders hun vrije tijd doorbrachten. Diverse vakantiegangers berichtten me dat het hun was opgevallen dat op Sri Lanka (het vroegere Ceylon) allerlei Nederlandse kaarttermen worden gebruikt. Dat er Nederlandse leenwoorden voorkomen in het Singalees - zoals de taal wordt genoemd die op Sri Lanka wordt gesproken -, is te danken aan de Nederlandse nederzettingen die vanaf 1609 op Sri Lanka werden gesticht. De Nederlanders waren van 1658 tot 1795/1796 alleenheersers over het eiland. Nog steeds vormen de Nederlandse afstammelingen, de 'Burghers', een afzonderlijke gemeenschap. P.B. Sannasgala heeft in zijn A study of Sinhala vocables of Dutch origin uit 1976 beschreven welke Nederlandse leenwoorden zijn overgenomen in het Singalees. Aan kaarttermen noemt hij: āsiyā 'aas', hērā 'heer', būru 'boer', porova 'vrouw'; voorts hārata 'harten', kalābara, kalāvara 'klaveren', ruyita 'ruiten', (i)skōppaya 'schoppen', en tot slot turumpuva, turuppuva 'troef'. Bovendien vermeldt hij dat het Singalees dammen heeft overgenomen als dān, dām. Een informant voegt hieraan toe:

Toen ik op Sri Lanka op vakantie was, vroegen een paar gasten doodleuk in het Singalees aan me of ik een potje met ze wilde pesten.

Een ander schrijft:

Op Sri Lanka wordt nog steeds geklaverjast, zodoende hoor je daar nog steeds ruiten, harten, klaver, schoppen, boer en nel, alsmede het woordje troef.

De woorden pesten en nel heb ik evenwel niet gevonden in het Singalees; mogelijkerwijs gaat het hier om jongere ontleningen, die in de twintigste eeuw zijn overgenomen van Nederlandse vakantiegangers.

In andere talen zijn minder Nederlandse kaarttermen geleend, maar nog steeds een substantieel aantal, vergelijk Indonesisch as, hart, klaver of klawar, rét, sekop en truf, Sranantongo asi, buru, frow, arter, klâfer, roiter en skopu, en Papiaments as en skòp. In het Muna, een Indonesische taal die wordt gesproken op het gelijknamige eiland bij Sulawesi (zie herendienst) is hiri 'heer' geleend - een Nederlands woord dat niet is overgenomen door het Indonesisch. Via het Indonesisch kent het Muna ook asa, arataa 'harten', kalawara en sikupa 'schoppen'.

Zie ook loterij.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

vrouw* mens van vrouwelijk geslacht 1240 [Bern.]

vrouw* echtgenote 1512 [WNT]

vrouw* naam van een speelkaart 1720 [WNT]

Overige werken

Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.

per-2 ‘das Hinausführen über’

A. Dient als Präposition, Präverb und Adverb: a. per, peri (Lokative des Wurzelnomens) ‘vorwärts, im Hinausgehen, Hinübergehen über, im Durchdringen, im Übermaß’, woraus ‘über - hinaus, durch - hin’;
ai. pári, av. pairi, apers. pariy, gr. περί, πέρ, alb. për (z. T. auch = idg. *pro), pej, pe; daneben per (*peri) mit wiederhergestelltem r; lat. per (*per oder *peri); osk.-umbr. per- und pert (*per-ti); gall. eri-, air. ir-, er- (analogisch *ero-); cymr. corn. bret. er; got. faír-, ags. fyr-, ahd. fir- ‘ver-’, ahd. as. firi- ds.; apr. per, lit. per̃, per-; slav. per- in aksl. prě- usw.; aus ‘vorwärts’ entwickelte sich schon idg. die Bedeutung ‘sehr’ (ai. pari-prī́- ‘sehr lieb’, gr. περι-καλλής ‘sehr schön’, lat. per-magnus ‘sehr groß’; lit. per̃-didis ‘zu groß’, aksl. prě-blagъ ‘sehr gut’), dann die der Überlegenheit (ai. pári - as-, pári - bhū- ‘übertreffen’, gr. περι-εῖναι ds.), des Übermaßes oder hohen Grades (ai. pári-vid-, gr. περί-οιδα, lat. per-vidēre ‘genau wissen’); besonders ai. und gr. ist die Bedeutung ‘ringsum, umherum’ (ai. pári i- ‘umhergehen’, gr. περι-ίεναι; gr. περι-ζώννυμι = lit. pér-jousti ‘umgürten’);
Ableitungen sind:
Got. faírra Adv. ‘fern’, als Präp. ‘fern von’, aisl. fjar(ri) Adv. ‘fern’ (davon Kompar. firr, Superl. first), ags. feor(r), engl. far, as. ferr, ahd. ferro Adv. ‘fern, sehr’, Kompar. ferrōr (*fer-ro- aus *fer-ero-); aksl. prědъ ‘vor; voran; das Vordere’ (wie na-dъ), prězъ ‘über - hin’; -ko-Adj.: prěkъ ‘quer’, čech. příč(ka) ‘Querholz’ = umbr. percam ‘virgam’, osk. perk[ais] ‘perticis’;
in zeitlicher Verwendung: ai. par-út, gr. πέρυσι usw. (s. unter u̯et- ‘Jahr’) und die Ableitungen lit. pérnai ‘im vorigen Jahre’, lett. pērns Adj. ‘vorjährig, firn’, mhd. verne ‘vorjährig’, vern ‘im vorigen Jahre’, got. nur in af faírnin jēra ‘vom Vorjahre’, as. fernun gēre, fernun iāra ‘im Vorjahre’, davon mit i̯o-Formans got. faírneis ‘παλαιός’, aisl. fyrnd f. ‘Alter’, ahd. firni ‘alt; weise’, nhd. Firn ‘alter Schnee’; ebenso zum tiefstufigen got. faúr das aisl. forn ‘alt’, neben dem i-St. as. an furndagun, ags. fyrn, firn ‘alt’; vgl. ai. purāṇá- ‘vormalig’ zu purā́, ap. paranam ‘vormals’ zu parā; lat. perendiē ‘übermorgen’ aus *peren-die?
auf per- in anderer Verwendung weist *per-u̯-r̥/n- in hom. πεῖραρ (Pind. πεῖρας), πείρατος, att. πέρας, -ατος ‘Ausgang, Ende’, hom. ἀπείρων ‘unendlich’ = (att.) ἀπέρονα· πέρας μη ἔχοντα Hes., hom. πειραίνω, att. περαίνω ‘vollende’; - daneben im Ai. eine gleichlautende Sippe der Bedeutung ‘Knoten’: ai. párva- Nom. Akk. Pl. n. ‘Knoten, Gelenke’ (statt *parvr̥), páru- m. ‘Knoten, Gelenk, Glied (Ozean, Himmel)’, paruṣ- n. ‘Knoten, Gelenk, Glied’; gr. πεῖραρ ‘Knoten’ ist unsicher (G. Björck Mél. Boisacq 1, 143 ff.).
b. Adj. pero-s ‘ferner’: ai. pára-ḥ ‘ferner, jenseitig, Feind; früher; später’, Superl. paramá-ḥ ‘fernster, letzter, bester’, av. ap. para- ‘ulterior, der andere, spätere, künftige’, para-tara- ‘Feind’; ai. paráḥ (Nom. Sg. m. mit adv. Endbetonung) Präp. m. Akk. ‘über - hinaus’, mit Abl. ‘fern von’, mit Instr. ‘jenseits von’, selten adverbal = av. parō Präp. m. Akk. ‘außer - abgesehen von’; ai. párā, av. para (Instr. Sg.) adverbal ‘fort, weg, zur Seite’; ai. parḗ (Lok. Sg.) ‘darauf, fernerhin’; ai. param (Nom. Akk. Sg. n. = osk. perum) ‘hinaus über, jenseits, nach’, Präp. mit Abl.;
arm. heri ‘entfernt, fern’;
gr. πέρᾱ(ν), ion. πέρην (Akk. Sg. f.) ‘darüber hinaus, jenseits’, Adv., Präp. m. Abl. (Gen.); lat. per-perām ‘verkehrt’, per-perus ‘falsch’, woraus gr. πέρπερος ‘Geck’; gr. πέρᾱ ‘darüber hinaus, jenseits’ (Instr. Sg. f. vom St. *pero- = ai. párā ‘weg, fort’) ; davon περαῖος ‘jenseitig’ (περαίτερος), πέραθεν ‘von jenseits her’, τῃ̃ περάτῃ (γῃ̃) ‘gegen Westen’;
aus einer schwundstufigen Nebenform von πέρᾱ durch -ko- erweitert ist delph. πρᾱκος ‘mit e. Geldstrafe belegt’, ion. πρήσσω att. πρά̄ττω ‘durchfahre, vollstrecke, vollführe, verrichte, tue’;
osk. perum (= ai. param) ‘sine’;
air. ī̆re ‘weiter, länger’ (*peri̯o-, das ī nach sīr ‘lang’);
hitt. parā (= gr. πέρᾱ) ‘vorwärts, weiter, ferner’, Postpos. ‘aus - heraus’; perii̯a(n) ‘darüber hinaus’, Postpos. ‘über - hinaus’, parranda ds. (*= gr. πέραν + δε).
c. prai, perai (Richtungsdativ des St. per), auch prei, pri, peri.
Ai. parḗ ‘daraufhin’ (Lok. Sg.);
gr. παραί ‘παρά’, außerhalb des hom. (ion. att.) nur in Kompositis, wie kyren. Παραι-βάτᾱ; πρίν (hom. auch πρί̄ν) ‘vorher; vor’; wohl umgebildet aus *πρῐς (*pri-is, zu lat. prior, prīscus) vgl. kret. πρειν aus *πρεις;
alb. pa ‘bevor’, wenn aus *pari̯- (im Vokal nach parë ‘erster’ umgebildet?);
lat. prae Präf. ‘voran, voraus, überaus’, Präp. ‘vor, wegen’, osk. prai, prae-, umbr. pre ‘ргае’, Präf. und Präp., pre-pa ‘priusquam’, Kompar. lat. praeter ‘vorbei an = außer, ausgenommen’ (*prai-tero-), umbr. pretra ‘priōrēs’;
alat. prī (*prei) ‘prae’ (prehendō ‘ergreife’ aus *praehendō), Kompar. *pri-i̯ōs, *pri-is (woraus prīs-) in prior ‘der frühere’, prīmus (aus *prīs-mos), päl. prismu ‘prīma’, vermutlich auch prīdem ‘vor längerer Zeit, längst’; prīs-cus ‘altertümlich’ (*preis-ko-, vgl. arm. erēc̣, Gen. eric̣u ‘Ältester, Priester’, *preis-ku); prīstinus ‘vorig, vormalig, alt’, pälign. pri-trom-e ‘prōtinus’, pristafalacirix ‘*praestibulātrīx’; hierher wohl auch lat. prīvus (*prei-u̯os) ‘für sich bestehend, einzeln; eigentümlich; einer Sache beraubt’, prīvō, -āre ‘einer Sache berauben’, prīvātus ‘beraubt; jemandem als Sondereigentum gehörig’, umbr. prever ‘singulis’, preve ‘singulāriter’, osk. preiuatud Abl. ‘prīvātō, reō’;
peri- = kelt. [p]ari- in gall. are- (Are-morica, Are-brigium, abrit. Are-clūtā usw.) ‘bei, vor, bes. östlich von’ (vgl. ir. an-air ‘von Osten’);
ahd. as. furi ‘vor, für, vorbei’, aisl. fyr (und mit Komparativendung fyrir) ‘vor, für’; Kompar. ahd. furiro ‘der frühere, vordere’, Superl. furist, mhd. vürst ‘erster, vornehmster’, as. furist, ags. fyr(e)st, engl. first, aisl. fyrr adv. ‘früher, vorher’, fyrri ‘der frühere’, fyrstr ‘der erste’, ags. fyrsta, as. ahd. furisto ‘Fürst’; got. fri-sahts ‘Bild, Beispiel, Rätsel’ enthält schwundstufiges *pri-, wie auch ahd. fri-liez neben fir-, far-, fra-liez.
prei- in lit. priẽ, žem. prỹ ‘bei, an’, Nominalpräf. príe-, priẽ-, prie-, prý- (auch prei-kãlas m. ‘Amboß’), Präverb pri-; Präpos. priẽš ‘gegen’, príeš ‘vor’; lett. prìe(k)ša ‘das Vordere’ (*preiti̯ā); lett. pìere ‘Stirn, Vorderseite’ (*prìere?); apr. prei ‘zu, bei’, als Präf. ‘auch, vor, an’, prēisiks m. ‘Feind’; aksl. pri Präp. und Präf. ‘bei, an, zu’;
aus einem dem lat. prī[s]mus ähnlichem *prĭsemi-, -ei: air. rem- Präf. (lenierend) ‘vor, voran’ (rïam ‘vor ihm’, remi ‘vor ihr’), remi- als Präverb, Präpos. re (nas.).
d. peres, peros (und als 1. Kompositionsglied pres- ‘vor’, Gen.-Abl. des St. per-):
Ai. puráḥ Adv. und Präf. ‘voran, vorn’, Präp. ‘vor’, av. parō Adv. ‘vorn, vor’, Präp. ‘vor’, gr. πάρος Adv. ‘früher; voran, vorn’, Präp. ‘vor’; pres- in gr. πρέσ-βυς, -γυς ‘alt’ (‘*im Alter vorangehend’, vgl. ai. purō-gavá- ‘Führer’ (*Leitstier), s. unter gou- ‘Rind’; zu kret. πρεῖσγος s. oben); ahd. frist m. n., as. frist n., ags. first m. ‘Frist’ aus *pres-sti-, aisl. frest n. ds. aus *pres-sto-, vgl. ai. puraḥ-sthita- ‘bevorstehend’; aus *peros-stăti-s ‘im Alter voran seiend’ wohl air. arsaid, arsid ‘vetus’ (ai. purástāt ‘vor, voran, vorn, vorher’ ist freilich puraḥ + Abl. -tāt).
e. pr̥- ‘hervor’, etwa Nom. Sg. n. des St. per-: gr. πάρ in Eigennamen wie Παρ-μενίσκος, in el. παρ-βαίνω u. dgl., πὰρ τὸν νόμον u. dgl.; lat. por-tendō (: got. faúraþanjan), -rigō, pol-liceor u. a., umbr. pur-douitu ‘porricito’, falisk. por-ded ‘brachte dar, widmete’; got. faúr, as. for, fur Präp. ‘vor, für’, ags. for ds., aisl. for- ‘vor’, mit steigender Bed. aisl. for-ljōtr ‘sehr häßlich’, ags. for-manig ‘gar viele, allzu viele’;
germ. Ableitungen: aisl. forr ‘hastig, voreilig’ (*furha-, vgl. von *pro: gr. πρόκα unten S. 815); as. afries. forth, ford, ags. forð ‘fort, vorwärts’; mhd. vort ‘vorwärts, weiter, fort’, norw. fort ‘schnell, bald’, aisl. forða, ags. ge-forþian ‘fortbringen’; Kompar. *furþera- in as. furþor, furdor Adv., ags. furðor Adv. ‘weiter’, furðra Adj. ‘größer, höher’, ahd. furdir, -ar Adv. Adj. ‘vorder, vorzüglicher, früher, vormalig’.
Komposita mit Formen von stā- ‘stehen’ in ai. pr̥ṣṭi- f. ‘Rippe’, pr̥-ṣṭhá-m ‘hervorstehender Rücken, Gipfel’, av. par-šta- m. ‘Rücken’, par-šti- f. (Du.) ‘Rücken’, mnd. vorst- f. ‘Dachfirst’ aus *for-stō, ags. fyrst ds. aus *fur-sti-; daneben mit hochstuf. Präfix ahd. first m., ags. fierst f. ‘First’ aus *fir-sti-; wahrscheinlich ebenso lat. postis ‘Pfosten, Türpfosten’ (*por-sti-s ‘hervorstehendes’); gr. παστάς (neben παραστάς) ‘Pfosten, Pfeiler, Türpfeiler’, παρτάδες· ἄμπελοι Hes. (*παρ-στάς), lit. pir̃štas, aksl. prъstъ ‘Finger’ (‘hervorstehend’);
f. peră Instr. Sg. des St. *per; ai. purā́ Adv. ‘vormals, früher; ehe, bevor’, Präp. ‘(zum Schutze) vor, ohne. außer’, av. para, ap. parā Adv. ‘zuvor’, Präp. ‘vor’, davon ai. purāṇá- ‘vormalig, früher, alt’, ap. paranam Adv. ‘vormals’; gr. παρά, πάρα Verbalpräf. ‘vor - hin, dar-’, Präp. ‘an etwas hin, entlang, neben; während’; ‘bei, aus der Nähe weg, von seiten’; got. faúra, ahd. as. fora Adv. ‘vorn, vorher’, Verbalpräf. ‘vorher, voraus, vor’, Präp. ‘vor’, ags. fore Präp. ‘vor’.
g. pro, prō ‘vorwärts, vorn, voran’, Bildung wie *apo, *upo; prō mit Auslautsdehnung.
Ai. prá- Präf. ‘vor, vorwärts, fort’ (vor Subst. und Verben), ‘sehr’ (vor Adj.), av. frā, fra-, ар. fra- Präf. ‘vorwärts, voran; fort, weg’; gr. πρό Präverb ‘vor’, Präp. ‘vor’, πρω-πέρυσι (rhythm. Dehnung) ‘im vorvorigen Jahr’; lat. prŏ-, prō- in Kompositis, prō Präp. ‘vor, für’; prōnus ‘vorwärts geneigt’ (von *prōne, vgl. pōne ‘hinten’ aus *post-ne); über prōdest s. WH. II 365; osk.-umbr. Präverb. pro-, pru-;
air- ro-, cymr. ry-, abret. ro-, ru-, mbret. nbret. ra-, Präverb und Intensivpräfix, z. B. air. ro-már ‘zu groß’, gall. GN f. Ro-smerta;
got. fra-, ahd. fir-, nhd. ver- Präverb (letztere z. T. auch = got. faír-, s. oben A.);
apr. pra, pro ‘durch’, als Präverb ‘ver-’, lit. pra, prõ ‘vorbei’, als Präverb ‘vorbei-, durch-, ver-’, vgl. prã-garas ‘Vielfraß’ = lett. pra-garis ds.; lett. pruô-jãm ‘weg, fort’; aksl. Präverb pro- ‘durch-, ver-’, Präpos. russ. čech. pro ‘wegen’, ablaut. russ. prá-děd, serb. prȁ-djed ‘Urgroßvater’;
gedoppelt: ai. prápra, gr. πρόπρο ‘immer vorwärts’.
pru- (Reim auf *pu, s. *apo?) liegt zugrunde in gr. δια-πρυ-σιός ‘durchgehend’, πρυμνός ‘das äußerste Ende von etwa bildend’ (πρύμνη ‘Hinterschiff’ usw.).
prō- ‘früh, morgens’ in ai. prā-tár ‘früh, morgens’, gr. πρωΐ (att. πρῴ) ‘früh, morgens’, πρώιος ‘morgendlich’, dor. πρώᾱν, πρά̄ν (*πρωᾱν), att. πρῴην (*πρωϝιᾱν scil. ἡμέραν) ‘kürzlich, vorgestern’, ahd. fruo ‘in der Frühe’, fruoi, mhd. vrüeje (= πρωίος) Adj. ‘früh’ (idg. *prō); lit. prõ ‘vorbei’, slav. pra- s. oben.
Ableitungen von pro-:
pro-tero- in ai. pratarám, -ā́m Adv. ‘weiter, künftig’, av. fratara- ‘der vordere, frühere’, gr. πρότερος ‘der vordere, vorige’; osk. pruter pan ‘priusquam’ ist einzelsprachlich zu *prō- gebildet, ebenso ai. prātár ‘früh, morgens’ s. oben;
dazu mit Superlativsuffix -temo-: ai. pratamām ‘vorzugsweise’, av. fratǝma-, ар. fratama- ‘der vorderste, vornehmste, erste’ (daneben ai. prathamá- ‘erster’ und einzelne iran. Formen mit th); gr. *πρό-ατος (aus πρότατος?) vielleicht in dor. πρᾶτος ‘erster’; aber gr. πρῶτος ds. aus *pr̥̄-to- (umgebildet aus *pr̥̄-mo- ds.); dazu πρητήν m. ‘einjähriges Lamm’ (s. oben S. 314);
pro-mo-: gr. πρόμος ‘Vorderster, Vorkämpfer, Führer’, umbr. promom Adv. ‘prīmum’, got. fram Adv. ‘weiter’, Präp. ‘von - her’, aisl. fram Adv. ‘vorwärts’, frā (*fram) Präp. ‘weg von’, ahd. fram Adv. ‘vorwärts, fort, weiter, sogleich’, Präp. ‘fort von, von - her’, ags. from Adv. ‘fort’, Präp. ‘weg von’; aisl. framr ‘voranstehend, vorwärtsstrebend, ausgezeichnet’, ags. fram ‘tüchtig keck’;
pre-mo- in gr. πράμος ‘Führer’ (eher korrupt für πρόμος ds.?), got. fruma ‘erster’ (Sup. frumists), mhd. frum, vrom ‘tüchtig, brav’ (nhd. fromm; ahd. as. fruma f. ‘Nutzen’, nhd. Frommen); ähnlich lat. probus ‘gut, tüchtig, brav’, umbr. profe ‘probe’ aus *pro-bhu̯o-s : ai. pra-bhú- ‘hervorragend an Macht und Fülle’, sowie in abg. pro-stъ ‘rechtschaffen, einfach, schlicht’, und (aus *pr̥̄-mo-) as. formo, ags. forma ‘erster’ (Superl. fyrmest), lit. рìrmas apr. pirmas ‘erster’, wahrscheinlich lat. prandium ‘Frühmahlzeit’ aus *prām-edi̯om (*pr̥̄m-).
prō̆-ko- ‘voran seiend’: gr. πρόκα (Nom. Akk. Pl. n.) Adv. ‘sofort’, lat. reci-procus eig. ‘rückwärts und vorwärts gerichtet’, alat. procum Gen. Pl., ‘procerum’, nach pauperēs umgebildet zu procerēs, -um ‘die Vornehmsten; die aus der Wand herausragenden Balkenköpfe’; procul ‘fern’ (vgl. simul);
lat. prope ‘nahe bei’, Superl. proximus, eigentl. *pro-ke ‘und vorwärts (an etwas heran)’, mit Assimil. pk zu pp; dazu propter ‘daneben’ (*propiter) und propinquus ‘benachbart, verwandt’ (vgl. ai. praty-áñč- ‘zugewandt’); vgl. oben S. 813 germ. *furha;
aksl. prokъ ‘übrig’, proče Adv. ‘λοιπόν, igitur’ (*proki̯om);
auf ein *prō-ko- geht zurück bret. a-raok ‘vorwärts, voran, früher’, cymr. (y)rhawg ‘auf lange’, mit Proklisenkürzung: bret. rak, corn. rag, cymr. rhag ‘vor’.
prō̆-u̯o-: in ai. pravaṇā- ‘(vorwärts) geneigt, abschüssig’, n. ‘Abhang, Halde’; über lat. prōnus s. oben; gr. πρᾱνής, hom. πρηνής ‘vorwärts geneigt’ nach Leumann Homer. Wörter 77 f. aus *προ-ᾱνης ‘Gesicht voraus’; mit anderer Bedeutung ahd. frō, as. frao, ags. frēa ‘Herr’ (*frawan-), got. frauja ‘Herr’ (aisl. Freyr GN zum o-St. geworden), as. frōio ds., aisl. freyja ‘Herrin; Name der Göttin’, ahd. frouwa ‘Frau’; daneben as. frūa, mnd. frūwe ‘Frau’ aus *frōwōn, idg *prō-u̯o-, das auch in att. πρῳ̃ρα (lat. Lw. prōra) ‘Schiffsvorderteil’ (πρωϝαιρα-, -αρι̯α idg. *prōu̯-r̥i̯ā); vielleicht lat. prōvincia, wenn auf einem *prōu̯iōn ‘Herr, Herrschaft’ beruhend; abg. pravъ ‘recht, richtig’ (‘*gradaus’);
mit demselben Formans, aber wie lit. pìr-mas ‘erster’ von *perǝ- ‘gebildet’, idg. реrǝ-u̯o- in: ai. pū́rva-, av. paurva-, pourva-, ар. paruva- ‘der vordere, frühere’ (ai. pūrvyá-, av. paouruya- paoirya-, ap. paruviya ‘prior’, dann ‘primus’), alb. parë ‘erster’, para ‘vor’; aksl. prъvъ prьvъ ‘der erste’; wohl auch die Grundlage von ags. forwost, forwest ‘der erste’.
h. preti, proti ‘gegenüber, entgegen, gegen’, z. T. im Sinne des Entgelts; preti̯-os ‘gleichwertig an’.
Ai. práti (im Iran. durch paiti verdrängt) Präf. ‘gegen, zurück usw.’ Präp. ‘gegen’ usw.; gr. hom. προτί (kret. πορτί umgestellt), ion. att. lesb. πρός (vgl. πρόσ(σ)ω ‘vorwärts’ aus *proti̯ō, πρόσθε(ν) ‘von vorn’), pamphyl. περτί (umgestellt aus *πρετί), äol. πρές, Adv. ‘noch dazu, überdies’, Präf., Präp. ‘gegen - hin, zu, gegen’, ‘an’, ‘nach einem Bereich hin; bei (in Schwüren)’, ‘von - her, von’; lat. pretium ‘Wert, Preis einer Sache’ (Neutr. eines Adj. *preti̯os), vgl. ai. prati-as- ‘gleichkommen’, apratā (St. *pratay-) ‘ohne Entgelt, umsonst’, av. pǝrǝskā (*pr̥t-skā) ‘Preis oder Wert’, aksl. protivъ, protivǫ ‘entgegen’, kaschub. procim; wruss. preci, poln. przeciw ‘gegen’ (auch im Sinn des Tauschverhältnisses); lett. pret usw.
i. porsō(d): arm. aṙ ‘bei, an, neben’, Verbalpräf. und Präp.; dazu aṙaǰ ‘Vorderseite, Anfang’, aṙaǰin ‘erster’; gr. πόρρω, πόρσω (Pind.) ‘vorwärts’ = lat. porrō ‘vorwärts, fürder’; durch ihren o-Vokalismus auffällige Bildung.

WP. II 29 ff., EM.2 754 f., 801, 808 ff., 811 f., WH. II 283 ff., 351, 364 ff., Trautmann 214 f., 220, 229 f., 230 ff., Schwyzer Gr. Gr. 2, 491 ff., 499 ff., 505 ff., 508 ff., 541 f., 543 ff., 654 ff.

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal