Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

vriendelijk - (welwillend, als een vriend)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

vriendelijk bn. ‘welwillend, als een vriend’
Mnl. vriendelijc ‘welwillend, hartelijk, als een vriend’: vrintlec [1240; Bern.], in har god ... sprac ... vriendelec ende lieflec ‘haar God sprak vriendelijk en lieflijk’ [1276-1300; VMNW], vriendeliken effenare ‘welwillende bemiddelaar’ [1286; VMNW].
Afleiding van → vriend met het achtervoegsel → -lijk.
Os. friundlīk (mnd. vrüntlīk); ohd. friuntlīh; nhd. freundlich; ofri. friūndlik, friōndlik (nfri. freonlik); oe. frēondlic (ne. friendly).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

vriendelijk bnw. Sedert ʼt Mnl. Ohd. Os. Ofri. Ags.

Thematische woordenboeken

A. Moortgat (1925), Germanismen in het Nederlandsch, Gent

Samenstellingen met -vriendelijk.
Als tweede bestanddeel in samenstellingen hebben de Duitsche bijvoeglijke naamwoorden feindlich en freundlich den zin van iemand vijandig of welwillend gezind, ongunstig of gunstig voor hem gestemd. Van beide woorden leidt men zelfstandige naamwoorden af, die op hun beurt een vijandige of een goedgunstige gezindheid uitdrukken jegens den persoon, door het eerste bestanddeel der samenstelling aangewezen. Deze bepaling kan niet alleen een persoon voorstellen, maar ook een zaak, die een of meer personen vertegenwoordigt: Staatsfeindlich(keit). Maar de vraag is: hoe zal men dergelijke samenstellingen vertalen 1° ten aanzien van de beteekenis; 2° ten aanzien van de woordschikking? Het tweede lid feindlich kan men altijd door vijandig vertalen; freundlich echter niet door vriendelijk. Freundlich is best weer te geven door genegen, gezind, soms ook door -minnend en -lievend, zooals in de bekende samenstelling menschlievend (D. menschenfreundlich). Doch het bezwaar is gelegen in het vormen van verbindingen met de woorden vijandig, genegen, gezind en hun afleidingen. Wij moeten evenwel erkennen dat men ten opzichte van Nederlandsche samenstellingen vrij wat toegeeflijker geworden is dan voorheen. Woorden als Vlaamschvijandig(heid), volksvijandigheid) (1) enz., die men vóór het einde der 19e eeuw niet zou gebruikt hebben, en die feitelijk in het Wdb. d. Ndl. Taal niet te vinden zijn, geven thans weinig of geen aanstoot meer, ofschoon het verholen germanismen zijn. De adjectieve composita worden evenwel nog dikwijls omschreven door tegen het Vlaamsch, het volk gekant of vijandig gezind, het Vlaamsch, het volk vijandig. Samenstellingen met genegen(heid) zijn weinig of niet in gebruik. Men bezigt genegen liefst met een bepaling in den derden naamval of met het voorzetsel tot, den persoon aanwijzende wien men welwillend gezind is: den koning genegen, het werkvolk genegen. Genegenheid gaat vergezeld van een bepaling met het voorzetsel voor: genegenheid voor den godsdienst. De meeste samenstellingen in den aard van D. -freundlich worden bij ons gevormd door middel van het bijvoeglijk naamwoord gezind: konings-, volks-, staats-, doops-, paus-, deugd-, kunst-, geloofs-, Duitsch-, Franschgezind enz., die alle zelfstandig kunnen en feitelijk niet zelden ook zelfstandig (met het achtervoegsel -heid) gebruikt worden (2). Verder hebben wij taalminnend, dat geen afleiding heeft, vredelievend(heid), menschlievend(heid), die voor vermenigvuldiging weinig vatbaar schijnen (1). Doch beslist af te keuren zijn: Duitschvriendelijk, D. deutschfreundlich - arbeidersvriendelijk (zie K. Veenenbos in De Nieuwe Taalgids, III, 4, 201), D. arbeiterfreundlich - volksvriendelijk, D. volksfreundlich en alle composita met -vriendelijk of zijn afleiding. Dus ook gastvriendelijk, naar D. gastfreundlich, dat gastvrij, gul of hartelijk beteekent. In opzicht van vorm deugen ze niet, omdat wij de bepaling van vriendelijk niet door een eerste lid in den genitief plegen in te leiden, maar door het voorzetsel jegens; en in opzicht van beteekenis zijn ze onverdedigbaar, omdat we ’t woord vriendelijk in dien zin niet erkennen.
|| Gastvriendelijk wenkte de bisschop de beide mannen, wees hen een zetel, Adriaan van Oordt, Warhold, I, 25. De schout ontving Warhold met een gastvriendelijk betoog en bijval van gebaren, 36.

(1) Hier valt op te merken, dat volksfreundlich, volksfeindlich noch volksvijandig samenstellingen zijn met freundlich, feindlich, vijandig: de s van den tweeden naamval bewijst dat het nieuwe afleidingen zijn van Volksfreund, Volksfeind, volksvijand, d.i. Freund, Feind des Volkes, vijand des volks. Verg. Staatsfeindlich(keit), Staatsvijandig(heid)

(2) Ter verklaring van het feit, dat vele verbindingen met -gezind de s van den genitief hebben en andere niet, moet worden opgemerkt, dat slechts ééne oorspronkelijk is en de andere nagenoeg alleen daaruit zijn ontstaan. Van eensgezind kwam men tot Spaansch-, Roomschgezind. Alle drie werden voorheen in twee woorden geschreven, en gezind had er den ouden zin van: op een zoodanige wijze denkende als door de bepaling werd aangewezen. Daar men nu Spaanschgezind en Roomschgezind ook opvatte als genegen tot de Spaanschen, aanhanger(s) van de Roomschen, liet men zich al spoedig verleiden tot het scheppen van composita met het eerste lid in den tweeden naamval: doopsgezind, staatsgezind enz. Doch gezind regeerde vanouds nooit een genitief, en zulke woorden kunnen dus alleen ontstaan zijn uit verwarring. Nadien volgden composita met, als eerste lid, een onverbogen zelfstandig naamwoord (deugdgezind, pausgezind), een verbalen stam (trouwgezind) enz.

(1) Met het tegenwoordig deelwoord als tweede lid geeft het Wdb. d. Ndl. Taal VIII, 14, kol. 2147 nog de volgende op: bosch-, deugd-, jacht-, kunst-, letterlievend. Bij Dr Am. De Vos, Een Officier geworgd, 373 & 376 ook volkslievend.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

vriendelijk ‘aangenaam, welgezind’ -> Zweeds fryntlig ‘gemoedelijk, joviaal’ (uit Nederlands of Nederduits); Negerhollands vriendlik ‘aangenaam, welgezind’.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal