Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

vriend - (kameraad)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

vriend zn. ‘kameraad’
Onl. friunt ‘vriend, geliefde’ in Ezzet, mine friunde, drinket ande werthet drunkan, mine lieueston! ‘eet, mijn vrienden, drink en word dronken, mijn liefsten!’, Sulich is min drut, ande her is ouch min friund ‘zo is mijn geliefde en hij is ook mijn vriend’ [beide ca. 1100; Will.]; mnl. vrient in Do floyres gehorte. siner uriende worte ‘toen Floyris de woorden van zijn vriend aangehoord had’ [1201-25; VMNW].
Os. friund (mnd. vrünt); ohd. friunt (nhd. Freund); ofri. friūnd, friōnd (nfri. freon); oe. frīond, frēond (ne. friend); on. frændi (nzw. frände); got. frijonds; alle ‘vriend, vertrouweling’, ‘(bloed)verwant’ < *frijōnd-.
Oud teg.deelw. van pgm. *frijōn- ‘liefhebben’, waarvoor zie → vrijen en → vrij.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

vriend* [kameraad] {vrient, vre(e)nt, vrunt [bloedverwant, minnaar, beminde, vriend] 1201-1250} oudsaksisch friund, oudhoogduits friunt, oudfries friond, oudengels freond, oudnoors frændi, gotisch frijōnds; eig. het teg. deelw. van vrijen [liefhebben]; vgl. voor de vorming vijand.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

vriend, vrind znw. m., mnl. vrient, vrint, vrent, vrunt, os. friund, ohd. friunt, friont (nhd. freund), ofri. friūnd, friōnd, oe. frēond (ne. friend), on. frændi, got. frijōnds, eig. een deelw. van het germ. ww. *frijōn, waarvoor zie: vrijen.

Het woord bet. niet alleen ‘vriend’, maar ook ‘bloedverwant’ (zo ook nog mnl.). De bet. ‘vriend’ is eig. hij, die door een bepaald ritueel de status van een bloedverwant verkrijgt.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

vriend, vrind znw., mnl. vrient (d) m. met verschillende bijvormen, o.a. (nog dial.) vrunt (d). = ohd. friunt, friont, (nhd. freund), os. friund, ofri. friûnd, friônd, ags. frêond (eng. friend), on. fræ̂ndi (mv. fræ̂ndr), got. frijonds m. “vriend”, in sommige talen ook “bloedverwant”.Oorspr. evenals vijand een deelwoord en wel van ʼt bij vrijen besproken ww.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

vriend. Van de mnl. bet. ‘bloedverwant’ dial. nog overblijfselen: W.de Vries Tschr. 43, 137.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

vriend m., Mnl. vrient en (nog dial.) vrunt, Os. friunt + Ohd. id. (Mhd. vriunt, Nhd. freund), Ags. fréond (Eng. friend), Ofri. friónd, On. fræ'ndi (Zw. frände, De. frænde), Go. frijonds: zelfst. gebr. teg.deelw. van vrijen: vergel. vijand, heiland.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

vrund (zn.) vriend; Vreugmiddelnederlands friunt <1100>.

G.J. van Wyk (2007), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Supplement, Stellenbosch

vriend s.nw.
1. Persoon met wie 'n mens vertroulik en met groot toegeneentheid omgaan. 2. Aanspreekwoord vir 'n vriend (vriend 1). 3. Minnaar, beminde. 4. Liefhebber.
Uit Ndl. vriend (al Mnl. in bet. 1, 2 en 3, 1596 in bet. 4). Reeds by Van Riebeeck (1651 - 1662) in die vorm vrunt (Boshoff - Nienaber 1967), waarna in Afr. by Mansvelt (1884) in die vorm vrind en in Patriotwoordeboek (1902) in die vorme frind en friind.
Ndl. vriend uit Mnl. vrient uit Goties frijonds 'liefhebbende', die teenwoordige dw. van frijon 'bemin, liefhê'.
D. Freund, Eng. friend (al Oudengels).

A.A. Weijnen (2003), Etymologisch dialectwoordenboek, Den Haag

vrende verwanten (Twente). Meervoudsvorm bij nl. vriend, eng. friend. oorspr. een onvoltooid dw. bij got. frijon ‘beminnen’ (= nl. vrijen). Een andere betekenis was: degene die krachtens een bepaald ritueel, bv. huwelijk, de status van bloedverwant ontvangt. Betekenisontwikkeling: ‘liefhebbend’ › ‘een vrouw in de status van verwant brengend’ › ‘aanverwant’ › ‘verwant’.
Dijkhuis 1176, NEW 804-805, WNT XXIII 545.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

vriend: – vrind – , toegeneë pers.; liefhebber; Ndl. vriend/vrind (Mnl. vriend/vrient, dial. vrunt, by vRieb nog dikw. vrunt(schap)), Hd. freund, Eng. friend, Got. frijonds (eint. teenw. dw. v. Got. frijon, “bemin, liefhê”), ander sulke vorminge is o.a. heiland, vyand.

Thematische woordenboeken

N. van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

vriend (valse -en) (vert. van Frans faux amis)

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Vriend, van vrijen, vriën = liefhebben; het woord w.d.z.: de liefhebbende. Zie ook Heiland, Vijand. Het Os. fri = vrouw, beminde.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

vriend ‘kameraad’ -> Indonesisch prin, pring ‘kameraad (als antwoord wanneer tijdens patrouille wordt gevraagd: werda!)’; Makassaars parêng ‘antwoord wanneer tijdens patrouille wordt gevraagd: werda!’; Petjoh † pring ‘vriend, 'goed volk!'‘; Javindo friend ‘kameraad’; Negerhollands vriend, vrient, fren, frin ‘kameraad’ (uit Nederlands of Engels); Berbice-Nederlands frindi ‘kameraad’.

Dateringen of neologismen

R. Schutz (2007), Brekend nieuws, Nijmegen

vertel een vriend. Letterlijke vertaling van Engels tell a friend = vertel het verder; De frase komt meestal voor als titel boven een formulier. Een oeroude, intussen nogal oubollig klinkende Nederlandse pendant is hoort, zegt het voort; Nog een opmerking: de gebiedende wijs van typen is typ (en niet type) (bij 'vertel een vriend') (1999); Vertel een vriend. Uw vriend zal een link naar deze pagina ontvangen; Vertel een vriend of vriendin over singlessite de startpagina voor actieve nieuwsgierige singles

vrienden maken. Letterlijke vertaling van Engels make friends = bevriend raken; vriendschap sluiten; Na dat eerste jaar worden ze wel enigszins verspreid over andere klassen....maar ondertussen hebben ze vrienden gemaakt met andere klasgenoten. (2000); We maakten vrienden met het barpersoneel, door de tv uit te zetten, waarop net de dagelijkse soap draaide; We maakten vrienden met een Australisch duo en na 3 dagen was het tijd voor actie: we besloten naar het cape tribulation rainforest te gaan; ’s Avonds gingen er nog een paar naar het café en andere maakten vrienden met de buren.

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

vriend* kameraad 1100 [Willeram]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

386. Beter een goede buur dan een verre vriend.

Deze gedachte vindt men in den Bijbel, Spreuken 27: 10, uitgedrukt met de woorden: Beter is een gebuer die naby is, dan een broeder die verre is, waaruit blijkt, dat vriend moet worden opgevat in den zin van bloedverwant. Bij Campen, 18: Beter een na nabuer dan een veer vrent. Zie verder Grimb. II, 5382: Hout u gebuere over u vrient; by goeden gebueren, sonder sorgen, heeft men dicke goeden morgen; Hild. 241, 97: Goet ghebuer is vrient ter noot; Werner, 103: Utilior presto vicinus fratre remoto; Bebel, 75; Erasmus, CL; Sart. II, 4, 60; De Brune, 231; Een nae ghebuyr veel beter dient, als dickwils doet een verre vriend; Tuinman I, 360: Beter is een goed nabuer, dan een verre vriend; Harrebomée I, 105 a; Ndl. Wdb. III, 1935; Taalgids IV, 266; Waasch Idiot. 237: 't Is beter een goede gebuur als een verre vriend; Tuerlinckx, 404; Teirl. 451; Antw. Idiot. 1697; Claes, 67: 't Is beter een naë gebuur as een wije vriend; fr. qui a bon voisin a bon matin; hd. ein guter Nachbar in der Not ist besser als ein ferner Freund; oostfri.: beter 'n gôd naber as 'n ferre fründ; eng. a good neighbour is worth more than a far friend.

426. Dikke vrienden.

Zeer ‘intiem’ met elkander zijn, groote vrienden zijn, vrienden als olifantenTuinman I, 248 en Van Eijk III, 21: ‘Het zyn vrienden als Elefanten. Men ziet in deze spreekwoordelijke vergelijking op de ligchamelijke gedaante van de genoemde dieren, en wil er spottender wijze door aanduiden: het zijn zeer groote vrienden’.; fr. amis comme cochons. Het bijv. naamw. dik heeft hier de bet. van groot (dat vroeger ook dik beteekende; vgl. fr. gros); zie no 429. Vgl. het is dik (aan) tusschen die twee; Molema, 511 b: dikke kammeroadskes, groote vriendinnen; 75 a: dikke vrunden; hd. dicke Freunde; eng. thick friends; Woeste, 51 b: dicke frönne; ne dicke fröndskop, waar gewezen wordt op het engelsch they were too thick (zu grosse freunde); in Zuid-Nederland eveneens bekend blijkens De Bo, 233 a: zij en zijn geen dikke vrienden; Teirl. 319. Opmerkelijk is het, dat in de middeleeuwen voorkomt dinne (dunne) vriende, wier vriendschap niet veel beteekent, dunnetjes isMnl. Wdb. II, 468.. Vgl. Groot zijn met iemand.

1645. In den nood leert men zijne vrienden kennen.

Deze gedachte wordt meermalen bij de klassieke schrijvers aangetroffen. Vgl. Euripides, Hec. 1226: εν τοις κακοις γαρ αγαθοι σαφεστατοι φιλοι; Cicero, de amicitia, 17, 64: amicus certus in re incerta cernitur; Petronius: in augustiis amici apparent; enz. Zie Journal, 8 en verder bij ons in het mnl. Limb. VIII, 175: Ter noet mach men den vrient bekinnen; Con. Somme, 424: In den noot sietmen wie vrient is; Goedthals, 73: In nood kentmen vrienden; Trou m. Bl. 156: Die beste vrinden kintmen inder meester noot; Servilius, 21: In den noot leertmen die vrienden kennen; Cats I, 498; De Brune, 222:

 Wanneer men is in noot of pijn,

 Dan kentmen, wie de vrienden zijn.Zie verder Sewel, 524; Halma, 753; Bebel no. 249; Harrebomée I, 145 b; III, 165 b; Villiers, 87; Joos, 141; Antw. Idiot. 1918: in den nood kent men zijn vrinden; Wander III, 1047; fr. c'est dans le besoin qu'on connaît les (vrais) amis; hd. in der Not erkennt man den Freund; eng. a friend in need is a friend in deed.

2482. Vrienden in den nood, honderd in een lood

d.w.z. in den nood zijn de vrienden meestal van weinig gewicht, van weinig waarde; goede vrienden zijn dan zeldzaam. Vgl. Ovidius, Tristia I, 9, 5: Donec eris felix, multos numerabis amicos, tempora si fuerint nubila, solus eris; Scaecspel, 74: Tempore felici multi numerantur amici, dum fortuna perit nullus amicus erit. Het spreekwoord komt voor bij Cats I, 507: Vrienden in der noot vier-en-twintigh in een loot; De Brune, 36: Goede vrienden in de noot, vierendertigh in een loot; 38: Vrienden in der vrienden nood, vier en twintigh in een loot; Tuinman II, 216; Harrebomée II, 35; Ndl. Wdb. VIII, 2712; Wander I, 1184: Freunde in der Noth gehen fünff und zwentzig (fünffzig) auf ein loth; ital. borsa serrata, amico non si trova. Voor Zuid-Nederland vgl. Antw. Idiot. 1406: vrinden in den nood, vijf en zestig in één lood. Dit laatste woord biedt zich van zelf aan door het rijm.

Overige werken

Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.

prāi-, prǝi-, prī- (pri-) ‘gern haben, schonen, friedlich-frohe Gesinnung’, prī-tó- ‘geliebt’, prii̯o- ‘lieb’, prii̯ā- ‘Gattin’, prii̯o-tā ‘Liebe’, prii̯o-tu̯o- ‘das Lieben’

Ai. prīṇā́ti ‘erfreut’, Med. ‘ist vergnügt über etwas’, prīyatē ds., ‘liebt’, prītá- ‘vergnügt, befriedigt; geliebt’, prītí- f. ‘Freude, Befriedigung’, priyāyátē ‘behandelt liebevoll, befreundet sich’ (: got. frijōn, aksl. prija-jǫ), priyá- ‘lieb, erwünscht, beliebt’, m. ‘Geliebter, Gatte’, f. ‘Geliebte, Gattin’ (= av. frya-, aisl. Frigg usw., und got. freis, c. rhydd ‘frei’), priyatvá-m ‘das Liebsein oder -haben’ (: got. frijaþwa f. ‘Liebe’), priyátā ds. (= ags. frēod ‘Liebe’); mit *prǝi- : práyaḥ n. ‘Vergnügen, Genuß’, prēmán- m. n. ‘Liebe, Gunst’, prētár- ‘Wohltäter, Liebhaber, Pfleger’, Superl. práïṣṭha- (ved.), prḗṣṭha- ‘liebst, teuerst’, wonach Kompar. prḗyas- ‘lieber’ für älteres *prāyas-; av. frāy- ‘befriedigen’, z. B. frīnāmahi Partiz. frita-, frīna-, friθa- ‘froh; befriedigt; geliebt’, friti- f. ‘Gebet’, frya- ‘lieb, wert’; vielleicht der hispan. (ven.-illyr. ?) VN Praesta-marci (: ags. frīd-hengest);
gr. πρᾱΰς ‘sanft, mild’ aus *πρᾱι̯υ- mit jüngerer o-Flexion πρᾳ̃ος, beweist idg. āi; hingegen. gehört air. rīar f. ‘Wille, Wunsch’ zu erei-, S. 330;
cymr. rhydd ‘frei’ = got. freis (akk. frijana), ahd. as. frī, ags. frēo, frī ‘frei, los, frei von’, aisl. in frjāls aus *frīhals (die Bed. ‘frei’ ursprüngl. ‘zu den Lieben gehörig’); aisl. Frigg, ahd. Frija ‘Gattin Wotans’, ags. frēo f., as. frī n. ‘Weib von edler Abkunft’ (‘die liebe’); got. frijōn ‘lieben’, aisl. frjā ds., ags. frīogan ‘lieben, befreien’, mdn. vrīen, as. friohan ‘freien, werben’, Partiz. got. frijōnds ‘Freund’, aisl. frǣndi, Pl. frǣndr ‘Freund, Verwandter’, ags. frīond, as. friund ‘Freund, Geliebter, Verwandter’, ahd. friunt ‘Freund, Geliebter’; aisl. frīðr ‘schön’, ags. frīd-hengest ‘stattliches Pferd’; von *frīða- in der Bed. ‘geschont’ stammt got. freidjan ‘schonen’, ahd. vrīten ‘hegen’ (frīthof ‘eingefriedigter Hof’, nhd. Freithof und volksetymologisch Friedhof); mit aisl. friðill ‘Geliebter, Buhle’, f. friðla, frilla, ahd. fridel, f. fridila ‘Geliebte(r)’, woneben von Partiz. *frijōða- aus: as. friuthil, ahd. friudil ds.; ahd. fridu m. ‘Friede, Schutz, Sicherheit, Einfriedigung’, as. frithu m. ‘Friede’, ags. frioðu m. ‘Friede, Schutz, Sicherheit’, aisl. friðr m. ‘Liebe, Friede’, got. ga-friþōn ‘schonen’, aisl. friða ‘Frieden machen, versöhnen’, ags. friðian ‘schützen’, ahd. gifridōn ‘beschützen’;
aksl. prějǫ ‘bin günstig, sorge für’, prija-jǫ, -ti ds., prijatelь ‘Freund, Geliebter’; wohl auch lett. priêks ‘Freude’.

WP. II 86 f., Trautmann 231.

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal