Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

vors - (kikker)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

vors zn. ‘kikker’
Mnl. vorsch ‘kikker’, als uorsg [1240; Bern.], in in den vorsche ‘bij de kikker’ [1270-90; VMNW].
Mnd. vorsch; nfri. froask; oe. forsc, frosc, frox (ne. dial. frosh, frosk); ohd. frosc (nhd. Frosch); on. froskr (nzw. vero. frosk); < pgm. *fruska-. Daarnaast staan diverse varianten: 1) me. frūde; 2) ode. frødh (nde. frø); 3) oe. frogga (ne. frog); on. frauki.
Herkomst onduidelijk. De diverse vormvarianten zijn moeilijk uit elkaar te verklaren en kunnen deels volksetymologisch ontstaan zijn. Een eenduidige reconstructie is niet met zekerheid te geven; meestal stelt men pgm. *fruþska- voor.
De voor-Germaanse etymologie is evenmin duidelijk. Pgm. *fruska- voert men wel terug tot pie. *pru-skō-, bij de wortel pie. *preu- ‘springen’ (IEW 845 en zie → vrolijk), en pgm. *fruþska- herleidt men wel tot een wortel voor ‘sproeien, proesten, snuiven’, waarbij men de kikker kenschetst als ‘het slijmerige dier’.
In het Nederlands is metathese van -r- voor klinker + dentaal opgetreden zoals in → kerst. Het woord is in het Nederlands verouderd, maar komt nog wel voor in o.a. oostelijke dialecten en in de samenstelling kikvors, zie → kikker.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

vors* [amfibie] {vorsch(e), versch 1201-1250} met metathesis, net als oudengels forsc, vgl. oudhoogduits frosk (hoogduits Frosch), oudnoors froskr, verwant met engels froth [schuim], betekenis dus ‘het slijmige dier’.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

vors znw. m., mnl. vorsc, mnd. vorsch, oe. forsc, een metathesis vorm van ohd. frosc (nhd. frosch), on. froskr ‘kikker’. — Het woord is het best af te leiden uit germ. *fruþska- dus ‘het slijmerige dier’ (Marstrander Mindeskr. S. Bugge 1908, 242), vgl. ook on. frauki naast frauðr (nnoorw. dial. fraud, frau, nzw. dial. fröd, frö, fröa, nde. frø) te verbinden met on. frauð o. ‘schuim’, vgl. oe. āfrēoðan ‘schuimen’ en oi. prothati ‘snuiven, proesten’ (IEW 810).

Een andere verklaring verbindt het woord met russ. prýgať ‘springen’ en de naam ‘springer’ past inderdaad ook voor de kikvors (Uhlenbeck PBB 22, 1897, 197 en IEW 846). Daarbij is nog te letten op oe. frogga (ne. frog) die naast on. frauki staat en die zich gemakkelijker uit een idg. wt. *preug laat afleiden (met affectieve -gg- voor k) dan uit een grondvorm *fruþga. — IEW scheidt de woorden on. frauðr en frauki, maar dit is weinig waarschijnlijk; eerder kan men aannemen, dat zij op één grondvorm teruggaan en dan schijnt de eerst genoemde etymologie de voorkeur te verdienen.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

vorsch znw., mnl. vorsc v. Met metathesis = ohd. frosc (nhd. frosch), mnd. vorsch, ags. forsc, on. froskr m. “kikvorsch”. De verhouding tot de synoniemen ags. frogga (froga; eng. frog) m., meng. ook froke, on. frauki, frauði m. staat niet vast. Mogelijk is de afl. van al deze vormen van een idg. basis pru- “springen”, ofschoon oi. plávate “hij springt”, plava- “kikvorsch” daar wsch. ten onrechte bij gebracht zijn (zie vlieten). Met meer recht leidt men russ. prýgať “springen” (obg. prągǔ “sprinkhaan” >*pru-ŋ-g(h)o-? Zie springen) van dit pru- af. Aangezien echter buiten het Germ. alleen een basis *prug(h)- schijnt voor te komen (waarbij misschien met anlaut s- lit. sprûkstu, sprûgau, sprûkti “ontspringen, ontkomen”; lett. sprûku, spruku, sprukt “id.” zou secundaire k kunnen hebben), is ’t onzeker of ’t kortere pru- “springen” wel bestaan heeft: germ. *fruska- (< idg. *prug(h)-sqo-; voor den vorm vgl. bij vorsen) en een deel der andere ags. on. vormen kunnen van prug- of prugh- komen; de andere (waarbij misschien nog meng. frûde, frode “pad”) zijn dan deels vervormd deels niet verwant. De directe combinatie van germ. *fruska-, idg. *prus-qo- met gr. phrū́nē, phrūnos “pad, kikvorsch” (prus-n-) is gewaagd.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

vors[ch]. Met het oog op on. frauði wil men on. frauki wel uit *frauðkan- en ags. frogga uit *fruðgan- verklaren. Wie dit aanvaardt, zal verder aannemelijk achten dat ohd. frosc enz. een dentaal vóór de s verloren hebben en komt zo tot de combinatie met on. frauð o., froða v. ‘ schuim’ (dat met ags. â-frêoðan ‘schuimen’ en oi. próthati ‘hij snuift’ verwant is): de kikvors zou dan ‘de slijmige’ zijn genoemd. Niet overtuigend, al heeft deze etymologie het voordeel dat ze de verschillende germ. woorden verenigt.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

vorsch m., Mnl. vorsc + Ohd. frosk (Mhd. vorsch, Nhd. frosch). Ags. forsc, On. froskr (De. frosk): uit *fruh-sk-, waarnevens met ander suffix Ags. frocga (Eng. frog) en frocca (dial. Eng. frock), On. fraukr (Zw. frö, De. frø): oorspr. onzeker.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2011), Limburgs etymologisch woordenboek: de herkomst van de woorden uit beide Limburgen, Zwolle

vros, zn.: kikker, vors, kikvors. Hetzelfde woord als Ndl. vors, dat evenwel metathese vertoont naast D. Frosch, On. froskr, Oe., Ohd. frosc, Mhd. vrosch.

F. Debrabandere (2010), Brabants etymologisch woordenboek: de herkomst van de woordenschat van Antwerpen, Brussel, Noord-Brabant en Vlaams-Brabant, Zwolle

vis 1, zn.: kikker, kikvors (Leuvens). Vis ontrond uit vus < vurs, vors.

vos, vus, ves, zn.: kikker. Door assimilatie rs > ss uit (kik)vors, vurs. D. Frosch.

A.A. Weijnen (2003), Etymologisch dialectwoordenboek, Den Haag

ves I, vùs kikvors (Antwerpen). = (kik)vors = hgd. frosch ‘id.’, = ono. froskr ‘id.’. Van een i.e. basis die ‘springen’ betekent en ook aanwezig is in eng. frog ‘id.’ en russ. prýgatj ‘springen’.
Roukens krt. 81, Kluge 221.

vrösj gezwollen tandvlees (Klimmen). = hgd. frosch ‘kikvors, zweer aan weerskanten v.d. tong’. Elders heet het ongemak ook pòddevlies en parrebakkes. Men geloofde dat een demon als pad ‘s nachts in de mond kroop en het ongemak veroorzaakte. De pad is door de kikvors vervangen.
Berns 198, WLD I afl. IX 98, WBD I 660.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

vors I: in sk. kikvors, “padda”; Ndl. vors(ch) (Mnl. vorsc), Hd. frosch, Oeng. forsc, On froskr, verb. m. Eng. frog (Oeng. frogga, Meng. froke naas frūde/frode) nog duister en meningsverskille oor mntl. assos. met ouer wd. in bet. “spring” of in bet. “skuim” (vgl. Eng. froth), v. FvWvH en dVri J NEW.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

vors* kikvorsachtige 1240 [Bern.]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal