Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

vore - (ploegsnede)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

vore zn. ‘ploegsnede’
Mnl. vore ‘ploegsnede’ [1240; Bern.], ook wel ‘greppel als landscheiding’ in tve morghen ... de leggen ter naester vure ‘twee morgen (land) die gelegen zijn bij de dichtstbijzijnde grensafscheiding’ [1296; VMNW].
Mnd. vore; ohd. fur(u)h (nhd. Furche); ofri. furch (nfri. fuorge); oe. furh (ne. furrow); on. for (nzw. fåra); alle ‘vore’, on. ook ‘gegraven geul’; < pgm. *furhō-.
Verwant met: Latijn porca ‘rug tussen twee voren’; Welsh rhych ‘vore’, Gallisch *rica ‘id.’ (vanwaar Oudfrans roie ‘id.’, Nieuwfrans raie ‘id., streep’); < pie. *porḱ-, *prḱ- (IEW 821), bij de wortel *perḱ- ‘graven’ (LIV 475), waaruit: Sanskrit párśāna- ‘kuil, laagte’; Litouws persvė́ti ‘prikken’. Zie ook → varken.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

vore*, voor [insnijding van ploeg] {1201-1250} middelnederduits vore, oudhoogduits fur(u)h, oudengels furh (engels furrow), oudnoors for; buiten het germ. latijn porca [bed, richel tussen twee voren].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

voor 1, vore znw. v., mnl. vōre, vuere, mnd. vōre, vōr, ohd. furh, furuh (nhd. furche), ofri. furch, oe. furh (ne. furrow), on. for < germ. *furhō. — Met bewaarde gutturaal nog dial. vurg, zoals in gron. wfri. (vroeger ook zaans), fri. furge, fūrge. — lat. porca ‘vore, aardrichel tussen de voren’, gall. lat. rica, oiers et-rech (< *pṛkā) ‘vore’ (IEW 821). — > ne. dial. vore (sedert ± 1380, vgl. Bense 556).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

voor I znw. ook vore (dial. vurg: gron. wfri., vroeger ook Zaansch; fri. furge, fûrge), mnl. vōre, vȫre v. = ohd. furh, furuh (nhd. furche), mnd. vōr(e), ofri. furch, ags. furh (eng. furrow), on. for v. “vore”, germ. *furχ-, misschien ook *furχô-. Met ablaut noorw. dial. fere m. “hoogere aarde tusschen twee voren”. Verwant met kymr. rhych, ier. *-rech “vore” (dat. mv. etrigib), lat. porca “hoogere aarde tusschen twee voren”, arm. herk “pas bewerkt braakland”. Blijkbaar dus een reeds idg. — hoewel misschien slechts dial. idg. — akkerterm.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

voor 1 v. (ploegvoor), Mnl. vore + Ohd. fur(u)h (Mhd. vurch, Nhd. furche), Ags. furh (Eng. furrow), On. for (Zw. fåra, De. fure) + Arm. herk = bewerkt land, Lat. porca = groentebed, Oier. rech = vore.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

A.A. Weijnen (2003), Etymologisch dialectwoordenboek, Den Haag

voor barg (Achterhoek). = os., oeng. for ‘big’. Als de bet. ‘gecastreerde ever’ oorspronkelijk is, is er misschien verwantschap met voor ‘ploegsnede’; anders ~ lat. porcus ‘varken’ (› fr. porc).
TON II 131-132, krt. 20.

vurg voor znw. (Groningen, Noord-Holland). = fri. furge ‘id.’, eng. furrow ‘id.’. Met grammatische wisseling ~ hgd. furche ‘id.’ ~ lat. porca ‘aardrichel tussen twee voren’. Voor de verhouding van nl. voor tot hgd. furche vgl. nl. door naast hgd. durch.
Pannekeet 392, Daan 1950, 126, NEW 799.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

voor I: s.nw., sloot(jie); Ndl. voor/vore (Mnl. vōre/veure/dial. vurg), Hd. furche, Eng. furrow, hou wsk. verb. m. Lat. porca, “walletjie tussen twee vore”.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

vore, voor ‘insnijding, snede van ploeg in een akker’ -> Frans dialect † vore ‘greppel, ondiepe vore’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

vore* insnijding van ploeg 1240 [Bern.]

Overige werken

Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.

perk̑-3, pr̥k̑- ‘aufreißen, aufwühlen, aufkratzen’; ‘Furche, und die daneben aufgewühlte Erde’, pr̥k̑ā ‘Furche’

Ai. párśāna- m. ‘Kluft, Abgrund, Einsenkung’;
lat. porca ‘Furche im Acker’, ‘Wasserabzugsrinne im Acker’ (porcu-lētum ‘Ackerbeet’ mars. umbr. ‘porculeta’); cymr. rhŷch ‘Furche’ (mit expressivem -kk) vielleicht = bret. rec’h ‘Kummer’, dagegen mit k abret. rec, gl. ‘sulco’, ro-ricse[n]ti ‘sulcavissent’; gall. rica ‘Furche’, frz. raie ‘Streifen’; ahd. furuh, ags. furh f. ‘Furche’, aisl. for f. ‘Abzugsgraben, Kanal’ (*pr̥k̑-); hochstufig norw. fere m. ‘Ackerbeet’; nach F. R. Schröder, Festgabe K. Helm 25 ff. hierher aisl. Fjǫrgyn f. als ‘Göttin der Ackerfurche’;
lit. pra-per̃šis ‘Blänke im Eis’, pra-par̃šas ‘Graben’, peršė́ti ‘brennend schmerzen’ (von Wunden);
dazu *pork̑ós ‘Schwein’ (‘Wühler’).

WP. II 46, 47, WH. II 340 f.

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal