Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

voorbijgaan - (passeren)

Thematische woordenboeken

S. Theissen (1978), Germanismen in het Nederlands, Hasselt

voorbijgaan, voorbijzien (aan iets, iemand -)

‘Deze nieuwe stroming is niet onopgemerkt aan ons voorbijgegaan.’ (Jansonius)

‘Er is een erger zwak in dat boek aan te wijzen, maar natuurlijk zagen daar alle critici aan voorbij.’

Aan iets, iemand voorbijgaan is een germanisme (D. ‘an etwas, jemand vorbeigehen’), omdat het Nederlands in dit geval geen voorzetsel gebruikt. Het werd vooral in de jaren ’40 gesignaleerd. In de laatste 20 jaar heeft het terrein verloren: Koenen, die het vroeger afkeurde, heeft het nu niet meer opgenomen. Jansonius is het enige woordenboek dat voorbijgaan aan nog vermeldt en goedkeurt.

Om dezelfde reden is ook aan iets, iemand voorbijzien een germanisme (D. ‘an etwas, jemand vorbeisehen’). Ook deze uitdrukking wordt na de jaren ’40 niet meer gesignaleerd. Geen enkel woordenboek heeft ze trouwens ooit opgenomen.

Ch.F. Haje (1932), Taalschut, schrijf weer Nederlandsch, Leiden

Voorbijgaan aan
Voorbijgaan met aan mogen wij niet zonder een opmerking laten passeeren. Dat aan is zeker hinderlijk, wanneer men voorbijgaan = langs gaan, in den eigenlijken zin gebruikt: Straten en stegen, waar men uit zich zelf meestal achteloos aan voorbijgaat. Figuurlijk = niet worden opgemerkt, is het misschien niet geheel te verwerpen: “Ik heb je er buiten gehouden, omdat ik dacht, dat het toch voor het meerendeel aan je voorbijging” (Ina Boudier-Bakker).
Zouden zij, die voorbijgaan aan schrijven, ook mooi vinden: aan iemand voorbijloopen, aan een haven voorbijvaren, aan een dorp voorbijtrekken?
De taal bezit een rij van werkwoorden, die in hetzelfde geval als voorbijgaan verkeeren. Ze waren eigenlijk intransitief, wat blijkt uit hun vervoeging met zijn en niet met hebben. Het voorwerp, dat bij zulke werkwoorden staat, gevoelen wij echter niet meer in den 3den naamval, maar in den 4den; wij denken er dus geen aan meer bij: een overeenkomst aangaan, een bezoeker voorgaan, zijn voorganger opvolgen, een belofte nakomen, een kaap omzeilen. Dat blijkt ook hieruit, dat wanneer men zulk een werkwoord in den lijdenden vorm kan brengen, het voorwerp niet in den 3den naamval geraakt, maar in den 1sten komt te staan. Niet: hem is door ons opgevolgd, maar: hij is door ons opgevolgd. Niet: aan de Kaap is door de Portugeezen omgezeild, maar: de Kaap is door hen omgezeild.
Ook voorbijzien aan wil men tegenwoordig schrijven: Er is een erger zwak in dat boek aan te wijzen, maar natuurlijk zagen daar alle critici aan voorbij (hebben zij dat allen voorbijgezien). Dit geval is bedenkelijker dan voorbijgaan aan, daar voorbijzien met hebben vervoegd wordt en zijn voorwerp dus in den 4den naamval hebben moet.

W. de Vreese (1899), Gallicismen in het Zuidnederlandsch, Gent

voorbijgaan (onopgemerkt voorbijgaan). - Deze uitdrukking is blijkbaar de vertaling van fr. passer inaperçu, waarvoor men in ’t Nederlandsch zegt onopgemerkt blijven. || Heden zou het ontslag van een stedelijk raadslid onopgemerkt voorbijgaan, maar in dien tijd was het geheel anders gelegen, G. BERGMANN, Gedenkschr. 12.
– Op de volgende plaats heeft onopgemerkt betrekking niet op het onderwerp van den zin, maar op het voorwerp; in dit geval zegt men iets onopgemerkt laten. || Dwaze beschuldigingen, die … op niets anders berusten dan op babbelzieken achterklap van onwetende historiemakers, en die wij … onopgemerkt zullen voorbijgaan, ROOSES, Antw. Schildersch. 2, 17.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

voorbijgaan ‘passeren’ -> Deens forbigå ‘passeren zonder aandacht of interesse’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors forbigå ‘passeren zonder aandacht of interesse’ (uit Nederlands of Nederduits).

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal