Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

vonk - (vuursprank)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

vonk zn. ‘vuursprank’
Mnl. vonke, eerst alleen in de afleiding ontvonken ‘ontbranden’, overdrachtelijk in sin lief ontfunct ‘zijn lichaam raakt in vuur en vlam (van de liefde)’ [1260-80; VMNW], dan als simplex in Dat ene vonke onsteket al ‘dat één vonk alles in brand zet’ [1328-50; Rijmkroniek], vonc ‘vonk’ [1348; MNW].
Mnd. vunke (vanwaar door ontlening nde. vunke); ohd. funko (nhd. Funke); nfri. fonk, fûnk; me. fonke, funke (ne. vero. funk); alle ‘vonk’, < pgm. *funkōn-. Zie ook → fonkelen.
Afleiding van pie. *pun-, de basis van de verbogen naamvallen van de r/n-stam *pūr (genitief pun-és enz.) ‘vuur’ (IEW 828), zie → vuur. Beekes (1996) pleit daarentegen voor ablautende verwantschap met mnl. ontvengen, ontvenken ‘aansteken, doen ontbranden of gloeien’ en mhd. venken, vengen ‘id.’; hij leidt deze woorden af van een wortel pie. *(s)peng-, waaruit ook oe. spincan ‘fonkelen’ en Litouws spingė́ti ‘id.’. Een van de belangrijkste argumenten van Beekes is mhd. vanke ‘vonk’ (zo ook nhd. dial. en mnd.), dat niet uit pie. *pun- verklaard kan worden, maar wel als ablautvariant van venken. Mhd. vanke lijkt echter eerder een recente nieuwvorming (zie verder Lloyd/Lühr), waarmee Beekes' etymologie haar grond verliest.
Lit.: R. Beekes (1996), “The etymology of Germ. Funke ‘spark’”, in: ABäG 46, 1-8; Kroonen 2009

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

vonk* [vuursprank] {vonke, vunke 1348} middelnederduits vunke, oudhoogduits funcho, fries fonk, middelengels funke; zal wel samenhangen met oudnoors funi, gotisch fōn [vuur], die verwant zijn met vuur1.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

vonk znw. v., mnl. vonke v., mnd. vunke v., ohd. funcho m. (nhd. funke), me. funke. Abl. mhd. vanke ‘vonk’. — Moeilijk te scheiden van on. funi m. ‘vuur’ en got. fōn, funins. Gaat men uit van een idg. grondvorm *p̯u̯ōn, dan is aanknoping aan vuur zeer wel mogelijk; deze verbinding is ook wegens de bet. aan te bevelen (IEW 828).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

vonk znw., mnl. vonke v. = ohd. funcho (nhd. funke) m., mnd. vunke v., meng. funke “vonk”. Met ablaut mhd. vanke m. “vonk”, mhd. venken “aansteken”, mnl. ont-fenken “id., ontvlammen” (NB. hiernaast mhd. vengen, mnl. ont-fenghen). Oorsprong onzeker. Combinaties: 1. met got. fon, gen. funins o., on. funi m. (ook bij vuur gebracht) “vuur”, opr. panno “id.”, waarbij nog wel gr. pānós “fakkel” en ier. andud “accendere” gebracht zijn; 2. met gr. phéngos “licht, glans” (basis pheŋg- of pheñĝ-); 3. met lett. spůgůt, lit. spingė́ti “schitteren”; oi. pā́jas- “glans” is hier wsch. ten onrechte bij gebracht, zoodat 2 en 3 zich laten combineeren. De combinatie van vonk met on. fnykr m. “stank”, zw. dial. fnök “stof” e.a. woorden met fnaxk- is trots oostfri. funkst “stank” e.dgl. te verwerpen.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

vonk. De aantrekkelijke combinatie met got. fon, on. funi is wel te handhaven, ook al brengt men laatstgenoemde woorden bij vuur; men kan b.v. uitgaan van idg. *pwôn- (got. fon), *pwon- (mhd. vanke enz.); ook opr. panno heeft wellicht idg. pw- en kan dan eveneens bij vonk en vuur behoren, eventueel ook gr. pānós (*paϝes-nós?); ier. andud ‘accendere’ echter wordt heel verschillend beoordeeld. Vgl. nog vuur Suppl.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

vonk v., Mnl. vonke + Ohd. funcho (Mhd. vunke, Nhd. funke), Meng. funke (Eng. funk), hierbij met abl. Mhd. vanke en Mnl. ww. ontfenken + misschien Gr. phéngos = glans, Lit. spingĕti. Lett. spůgůt = schitteren.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

voonk (zn.) vonk; Middelnederlands vonke <1328-1350>.

F. Debrabandere (2010), Brabants etymologisch woordenboek: de herkomst van de woordenschat van Antwerpen, Brussel, Noord-Brabant en Vlaams-Brabant, Zwolle

vonk 1, zn.: tondel. De grondbetekenis is ‘licht ontbrandbare stof’, van het ww. vonken.

vonk 2, zn.: grote neus. Ook Wvl. fonke, vonke. De Bo vermeldt vonke ook voor ‘graszode’. het woord zou dan overdrachtelijk voor een klomp van een neus gebruikt kunnen worden. Maar het WNT noemt als overdr. bet. bij vonk ‘kolengloed’ ook ‘vurig puistje, gezwel’. Vgl. dan karbonkel ‘zweer > grote neus’.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

1vonk s.nw.
1. Gloeiende deeltjie wat van 'n brandende stof afspring. 2. Sprankie, greintjie. 3. Glinstering. 4. Klein elektriese ontlading.
In bet. 1, 2 en 3 uit Ndl. vonk (Mnl. vonke in bet. 1 en 2, 1625 in bet. 3). Bet. 4 is 'n leenbetekenis van Eng. spark (1742).
D. Funke (11de eeu).

F. Debrabandere (2002), West-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de West-Vlaamse woorden, Amsterdam

fonke, vonke (K), zn. v.: neus, m.n. grote neus. De Bo vermeldt vonke voor ‘graszode’. Het woord zou dan overdrachtelijk voor een klomp van een neus gebruikt kunnen worden. Maar het WNT XXII, 1127 noemt als overdr. bet. bij vonk ‘kolengloed’ ook ‘vurig puistje, gezwel’. Vgl. dan karbonkel ‘zweer’ > ‘grote neus’. Let ook op de Wvl. v/f-verscherping.

Thematische woordenboeken

P.G.J. van Sterkenburg (2001), Vloeken. Een cultuurbepaalde reactie op woede, irritatie en frustratie, 2e druk, Den Haag

vonk. In het zeventiende-eeuwse spel Josephs Droeve’ en Blyeinde Spel [1639] van J. Tonnis komt de bastaardvloek bij gans vonken voor. Misschien is de betekenis zoiets als ‘bij de bezielende inwerking die van God afkomstig is’ of ‘bij de levenskracht of vitaliteit die God uitstraalt’.

E. Sanders (1997), Borrelwoordenboek: 750 volksnamen voor onze glazen boterham, Den Haag

vonk In 1731 voor het eerst gevonden, in het Bargoens, in de verbinding klankert met vonk voor ‘fles met jenever’. Deze borrelnaam is in vele vormen en schrijfwijzen aangetroffen, zoals fonk, funkeltje, vonk, vonkel en vonkeltje. In Nederland wordt hij nog steeds gebruikt, vooral in Winschoten en omgeving. In Vlaanderen is het woord in 1886 in de dieventaal opgetekend, maar of het daar nog steeds voorkomt is niet bekend.
De herkomst wordt verschillend verklaard. Men denkt aan het fonkelen van de drank in het glaasje, aan de verwarmende werking — vergelijk opwarmertje — of aan het stoken van de drank, en aan het brandende gevoel in de keel dat bij grote dorst optreedt. Dit laatste sluit aan bij de uitdrukking hij heeft eene vonk in de keel, die in 1726 voor het eerst is aangetroffen. Een spreekwoordenboek uit 1874 geeft als verklaring: ‘Hij voelt altijd den brand van, of de aanprikkeling tot den sterken drank in de keel: dat is de vonk, die telkens op nieuw hare werking doet bij den dronkaard.’
In het Engels bestaat een overeenkomstige naam voor een glaasje sterke drank: sparkler.

[Bolhuis 190; Cartouche 6, 21; Herroem 78; Potjewijd 161; Teirlinck 1886:19, 73; TNTL 45:181; Tuinman 1:117; WNT XXII1 1125, 1129, 1134; Wschat 1220]

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

vonk ‘vuursprank’ -> Deens funke ‘vuursprank’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors † funke ‘vuursprank’ (uit Nederlands of Nederduits); Papiaments † vonki ‘vuursprank’; Sranantongo fonku ‘vuursprank’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

vonk* vuursprank 1348 [MNW]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal