Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

vol - (gevuld)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

vol bn. ‘niet leeg; volledig’
Onl. fol ‘niet leeg, gevuld’ in daga folla ‘hele dagen’ [10e eeuw; W.Ps.], min hoiuet is fol douwes ‘mijn hoofd is vol dauw’ [ca. 1100; Will.]; mnl. vol ook ‘volkomen’ in vollen danc So motti hebben ‘alle dank komt u toe’ [1265-70; VMNW].
Os. ful (mnd. vul); ohd. fol (nhd. voll); ofri. ful, fol (nfri. fol); oe. full (ne. full); on. fullr (nzw. full); got. fulls; alle ‘vol’, < pgm. *fulla-. Zie ook de afleiding → vullen.
Pgm. *fulla- is met assimilatie ontstaan uit ouder *fulna- < pie. *plh1-nó- en is verwant met: Latijn plēnus (zie ook → plenair); Sanskrit pūrṇá-; Avestisch pərəna; Litouws pìlnas; Oudkerkslavisch plĭnŭ (Russisch pólnyj); Oudiers lán; alle ‘vol’. Dit is een afleiding van de wortel *pleh1- ‘vullen, vol worden’ (LIV 482), waaruit, al dan niet met andere achtervoegsels o.a.: Latijn -plēre (verl.deelw. -plētum) ‘vullen’ (zie → compleet); Grieks plḗrēs ‘vol’, plḗthein ‘vol worden’; Sanskrit prṇā́ti ‘vult’; Albanees plot ‘vol’. Zie verder nog de verwante woorden → volk en → veel en de aldaar genoemde Indo-Europese woorden, en zie de leenwoorden → plebs en → politiek 1.
In combinatie met werkwoorden was vol in het Middelnederlands productief met de betekenis ‘tot het einde, door en door’, bijv. volhoren ‘tot het einde toe aanhoren’, volleiden ‘tot een bepaald (eind)punt brengen’, volleven ‘tot het einde toe leven’, volspreken ‘geheel uitspreken’ [alle 13e eeuw; VMNW]. Enkele daarvan zijn tot op heden blijven bestaan, bijv. volbrengen ‘tot volle ontwikkeling brengen, voltooien’, voldoen ‘vervullen, nakomen (van een wens, belofte, verplichting e.d.)’, zie → voldoende, volgroeien ‘tot volledige ontwikkeling komen’, en zie verder → volharden, → voltooien en → voltrekken. Van sommige is alleen het verl.deelw. nog in gebruik, soms met een autonome betekenisontwikkeling, bijv.volkomen, → volleerd, volmaakt, volslagen, → volstrekt en → volwassen.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

vol1* [gevuld] {oudnederlands foll 901-1000, middelnederlands vol(le), vul} oudsaksisch ful, oudengels full, oudhoogduits fol, oudfries ful, oudnoors fullr, gotisch fulls; buiten het germ. latijn plenus, grieks plèrès, oudiers lán, welsh llawn, litouws pilnas, oudkerkslavisch plŭnŭ, oudindisch pūrṇa-; verwant ook met veel.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

vol 1 bnw., mnl. vol, onfrank. foli, os. ful, ohd. fol (nhd. voll), ofri. ful, oe. ne. full, on. fullr, got. fulls. — oi. -pṛṇa, osl. plŭnŭ, lit. pìlnas, oiers lān ‘vol’, naast oi. pūrṇa, prāṇa, lat. plēnus. Eig. part. formatie van de idg. wt. *pel, *plē ‘vol, vullen’, vgl. lat. plēre, gr. pímplēmi, oi. pṛṇāmi, piparmi ‘vullen’, lit. pilù ‘giet’, oiers līnaim ‘vul’, arm. li ‘vol’ (IEW 799). — Zie: veel, vullen en volk.

vol 2 voorvoegsel, vgl. reeds samenstellingen als got. fulla-fraþjan ‘zijn volle verstand hebben’, fulla-weisjan ‘overtuigen, overhalen’. — Zie vol 1.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

vol- II (in samengestelde verba). Algemeen wgerm., ook ngerm.; got. in fulla-fraþjan “zijn volle verstand hebben”, fulla-fahjan “ter wille zijn, dienen”, fulla-weisjan “overtuigen, overhalen”. = vol I. In ’t alg. met de bet. “ten einde toe”.

vol I bnw., mnl. vol(l). = onfr. foll, ohd. fol (nhd. voll), os. ofri. ful, ags. (eng.) full, on. fullr, got. fulls “vol”. Uit idg. *pelə-nó- (*pḷ̂nó-) evenals ier. lân, obg. plŭnŭ, serv. pȕn, lit. pílnas, oi. pûrṇá- “id.”. Lat. plênus “id.” is dezelfde vorm met ê naar plêre “vullen” of = oi. práṇa- “vol”. Deelw. van idg. pelê- “vol zijn, vullen”, waarvan o.a. ier. lîn “aantal”, lînaid, com-alnaid “hij vult”, lat. pleo, gr. pímplēmi “ik vul”, (obg. plemę̨ “génos”?), alb. pľot (*plê-to-, deelw., = lat. -plêtus, oi. prâtá-) “vol”, arm. li(*plêjos-) “id.”, lnum “ik vul”, oi. píparti, pṛṇā́ti, pṛṇóti, “hij vult”. Hierbij ook veel. Afl.: vullen.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

vol bijv., Mnl. vol, vul, Onfra. foll, Os. full + Ohd. fol (Mhd. vol, Nhd. voll), Ags. full (Eng. id.), Ofri. ful, On. fullr (Zw. full, De. fuld), Go. fulls: Ug. *fullaz, geassim. uit *fulnaz + Skr. pūrnas. Zend parena, Osl. plŭnŭ, Lit. pilnas: Idg. wrt. pel; z. ook veel en volk. — Skr. prāṇas, Gr. pléōs plḗrēs, Lat. plenus, Oier. lán (uit *plān-) behooren tot den verwanten wrt. ple.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

vol (bn.) vol; Aajdnederlands fol <901-1000>.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

vol b.nw.
1. Volkome, volledig. 2. Heeltemal gevul of vervul. 3. Oordek met. 4. Rond gevul. 5. Diep, intens.
Uit Ndl. vol (al Mnl. in bet. 1, 1504 in bet. 2, 1526 in bet. 3 en 4, 1588 in bet. 5).
D. voll (8ste eeu), Eng. full (1000 in bet. 2).

Thematische woordenboeken

N. van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

vol- (Duits Voll-/voll-)
-vol (Duits -voll)

E. Sanders (1997), Borrelwoordenboek: 750 volksnamen voor onze glazen boterham, Den Haag

volle Onlangs in Noord-Brabant gehoord voor ‘borreltje’. Zoals de naam al doet vermoeden, gaat het hier om een tot de rand toe gevuld glaasje. Van een vrolijke drinkebroer zei men vroeger hij is vol en zoet, van een agressieve drinker vol maakt dol. Een liefhebber van wijn of sterke drank werd in de tweede helft van de 19de eeuw een Vollendammer genoemd, zinspelend op de plaatsnaam Volendam en op de volle drankfles.

[Harrebomée 2:403; Herroem 7; Tuinman 2:36; WNT XXII1 618-619, 658]

S. Theissen (1978), Germanismen in het Nederlands, Hasselt

-vol

De afgeleide adjectieven van -vol kan men onderscheiden volgens twee grondbetekenissen:

1. zo vol als door het grondwoord aangegeven wordt: bijv. eivol = zo vol als een ei:

2. vol van hetgeen het grondwoord betekent: angstvol = vol van angst.

Tegen betekenis 1 maakt niemand bezwaar. De adjectieven met betekenis 2 worden door de meeste puristen als germanismen (soms ook als anglicismen) beschouwd, waarvan sommige echter reeds burgerrecht hebben verkregen.

We bespreken eerst enkele afzonderlijke gevallen:

a. Betekenisvol wordt door de meeste puristen, evenals door Van Dale, als een germanisme (D. ‘bedeutungsvoll’) beschouwd voor ‘vol van betekenis’. De meeste woordenboeken hebben het zelfs niet opgenomen. Nochtans wordt het, zowel in het Zuiden als in het Noorden, gebruikt, zoals blijkt uit de volgende voorbeelden:

‘Een nieuwe, minstens even betekenisvolle funktie...’ (De Standaard, 11.10.72, p. 9)
‘...welk een heldere, betekenisvolle ... expressiviteit...’ (De Groene, 17.7.71, p. 11)

b. Geheim(e)nisvol wordt door de puristen als een germanisme (D. ‘geheimnisvoll’) beschouwd voor ‘vol geheimen’. Tot aan het begin van de jaren ’70 keurde Koenen het eveneens af, nadat hij het tot in de jaren ’30 nog goedgekeurd had! In de druk van 1974 vermeldt hij geheimenisvol niet meer. Ook Kramers en Weijnen hebben het niet opgenomen. Van Dale, Verschueren en Jansonius beschouwen het als goed Nederlands.

Aan het eind van de jaren ’70 mag men geheimenisvol dus niet meer afkeuren. Maar - en dit blijkt ook uit de houding van sommige woordenboeken - het wordt niet vaak meer gebruikt. In het onderzochte krantenmateriaal heb ik geen enkel voorbeeld gevonden. Gezien het archaïsch karakter van het grondwoord (‘geheimenis’ i.p.v. ‘geheim’) wekt dit weinig verwondering.

c. Krachtvol, bijv. in ‘er krachtvol uitzien, krachtvol optreden’, is een navolging van het Duitse kraftvoll. Enkele puristen zouden het liever vervangen door ‘vol kracht, krachtig’. Het enige woordenboek dat het nu nog als een germanisme beschouwt, is Van Dale. Koenen was het slechts in de jaren ’40 en ’50 met hem eens. Nu maakt hij er geen bezwaar meer tegen, evenmin trouwens als Verschueren, Jansonius en Van Gelderen.

Krachtvol is dus waarschijnlijk niet meer af te keuren. Dit betekent echter niet dat het zeer gebruikelijk zou zijn. Kramers en Weijnen hebben het zelfs niet opgetekend.

d. Sfeervol is een vrij recent woord:

‘...heel gezellige sfeervolle en bedrijfsklare keukens...’ (Volksgazet, 9.10.72, p. 29).
Behalve in Van Dale, die het pas in 1976 opgenomen heeft, vindt men het in geen enkel woordenboek. Nochtans is sfeervol vooral in het Noorden zeer gebruikelijk. Het is m.i. geen germanisme (er bestaat immers geen gelijkluidend Duits equivalent) maar veeleer een van de talrijke nieuwe adjectieven die het suffix -vol geproduceerd heeft.

e. Stijlvol vindt men in de meeste woordenboeken pas vanaf de jaren ’50. Men zou dus kunnen denken dat het een tamelijk recent woord is. Van Gelderen kende het nochtans in 1926! Het is echter pas in de laatste 20 jaar echt in zwang gekomen, vooral in de reclametaal:

‘Stijlvol wonen op een uniek punt’ (NRC, 14.10.72, p. 12).
Men vindt het ook in de algemene taal en in de sporttaal:

‘Nergens ter wereld wordt de jaarwisseling zo uitbundig en tevens zo stijlvol gevierd.’ (Elseviers Magazine, 18.11.72, p. 133)
‘Het verjongde elftal speelde stijlvol.’ (Het Volk, 13.10.72, p. 21)

De woordenboeken zijn het weer niet eens over dit woord: Van Gelderen, Verschueren en Kramers hebben het niet opgenomen. Van Dale en Weijnen beschouwen het als een germanisme (D. ‘stilvoll’) maar Koenen, Van Gelderen en Jansonius maken er geen bezwaar tegen. Uit de talrijke voorbeelden die men in de geschreven pers vindt, blijkt dat stijlvol nu zeer gebruikelijk is, echter veel meer in het Noorden dan in het Zuiden. Men mag het dus gerust als ingeburgerd beschouwen.

f. Waardevol (‘waardevolle inlichtingen’) wordt zelfs door de puristen als ingeburgerd beschouwd. Van Dale is het enige woordenboek dat waardevol, dat hij trouwens pas vanaf de jaren ’60 opneemt, nog als een germanisme (D. ‘wertvoll’) bestempelt. Al de andere woordenboeken (behalve Verschueren, die het woord niet vermeldt) keuren waardevol goed. Het is dus heel zeker ingeburgerd.

g. Wondervol kon men tot in de jaren ’50 in bijna al de woordenboeken aantreffen; slechts Koenen en Kramers hebben het nooit opgenomen. Sindsdien heeft het heel wat terrein verloren. Men vindt het nu nog maar in Jansonius, die het goedkeurt, en in Van Dale, die het als een germanisme (D. ‘wundervoll’) beschouwt.

Wat er ook van zij, wondervol is blijkbaar geheel verdrongen door ‘wonder, wonderlijk, wonderbaar’; in het krantenmateriaal heb ik er trouwens geen voorbeeld van gevonden.

De andere adjectieven op -vol kunnen we als volgt rangschikken:

a. Helemaal ingeburgerd zijn:

beleid-, berouw-, eer-, geest-, genot-, gevaar-, gevoel(s)-, gewetens-, heil-, hoop-, karakter-, klank-, kommer-, liefde-, moeite-, roem-, smaak-, succes-, tact-, talent-, temperament-, troost-, vreugde-, zinvol (Weijnen beschouwt het echter nog als een germanisme) en zorgvol.

b. Door een of meer woordenboeken worden aanvaard:

angst-, effect-, fantasie-, gezag-, gloed-, glorie-, jammer-, zielvol; tuchtvol is volgens het WNT (1971) Zuidnederlands.

c. Niet meer aanvaard worden:

betekenis-, geheim-, glans-, kunst-, luister-, raadsel-, stemmings-, verdienstvol.

d. De volgende woorden komen voor in de handboeken taalzuivering, meestal uit de jaren ’30, ’40 en ’50 maar geen enkel woordenboek heeft ze opgenomen. Ook in de kranten heb ik er geen voorbeelden van kunnen vinden. De meeste ervan zullen dus zijn verdwenen:

achtings-, bedoelings-, droefheid-, duidings-, eerbied-, gedachten-, geestdrift-, geluk-, gemoeds-, god-, gruw-, heim-, inhouds-, inzichts-, leed-, levens-, meester-, nadruk-, onheil-, plicht-, pracht-, pronk-, smart-, uitdrukkings-, verbeeldings-, vertrouwens-, verwachtings-, weemoeds-, wijdings-, wisselings-, zegenvol.

e. Daarnaast treft men in de kranten nog de volgende woorden aan:

ambitievol:

‘...als u ... ambitievol bent...’ (De Standaard, 14.10.72, p. 22)

beloftevol:

‘...na een beloftevolle start...’ (Het Volk, 12.10.72, p. 26)

emotievol:

‘Emotievolle momenten die op u wachten...’ (Knack, 22.11.72, p. 81)

expansievol:

‘...een expansievolle firma...’ (Het Laatste Nieuws, 14.10.72, p. 16)

gezinsvol:

‘Zoef over de weg in een Victor: de “gezinsvolle” sportieve telg van de Vauxhall stam’ (Elseviers Magazine, 16.1.71, p. 71)

gratievol:

‘Rozen ... werden ... gratievol aangeboden.’ (Volksgazet, 14.10.72, p. 22)

initiatiefvol:

‘Initiatiefvolle buurthuizen, theatertjes, scholen...’ (NRC, 13.10.72, p. 27)

karaatvol:

‘...nog minder karaatvolle doelkansen.’ (Het Volk, 11.10.72, p. 25)

kleurvol:

‘...de meest kleurvolle tv-show.’ (Het Volk, 14.10.72, p. 27)

ordevol:

‘...de verkoopsters ... moeten ... ordevol zijn.’ (Het Laatste Nieuws, 14.10.72, p. 16)

passievol:

‘...deze passievolle geschiedenis...’ (Volksgazet, 13.10.72, p. 21)

probleemvol:

‘...die probleemvolle tijd.’ (Elseviers Magazine, 2.12.72, p. 30)

Conclusie:

In de zeer talrijke groep van de adjectieven op -vol is er een voortdurend komen en gaan: zoals uit het voorgaande blijkt, zijn heel wat oudere woorden in onbruik geraakt maar er ontstaan ook elke dag nieuwe.

Weliswaar zijn vele ervan waarschijnlijk aan Duitse invloed te wijten maar het suffix -vol is al zo produktief geworden in het Nederlands, dat er een twintigtal adjectieven op -vol ontstaan zijn die geen Duitse parallelvorm op -vol hebben:

ambitie- (N), emotie- (N), expansie- (N), geestdrift-, geheim-, geluk-, genot-, (I), gewetens- (I), gezin- (N), gratie- (N), initiatief- (N), karaat- (N), kleur- (N), meester-, orde- (N), passie- (N), probleem- (N), sfeer- (I), succes- (I), tuchtvol.

Slechts 4 ervan zijn ingeburgerd of worden vaak gebruikt (= I). Meer dan de helft komt slechts in de kranten voor, is dus nieuw (= N). Men kan ook gerust zeggen dat de formatie van dergelijke adjectieven op -vol steeds losser komt te staan van eventuele Duitse invloed. Bovendien betekent min of meer formele gelijkheid tussen het Duitse en het Nederlandse woord nog lang niet dat het laatste steeds door invloed van het eerste is ontstaan.

vol-

Het Nederlands ken niet veel samenstellingen van vol- met een substantief. Volgens Van Dale zijn het meestal germanismen. Hij beschouwt dan ook volboer, volgas, volkorenbrood en voltreffer als germanismen maar volbloed, volmacht, volwiel, volzee en volzin keurt hij goed.

Volboer (‘boer met meer dan één paard’) is een zeldzaam woord, dat slechts Verschueren als goed Nederlands vermeldt.

Volgas geven (‘de gastoevoer geheel openen’) wordt ook door de puristen afgekeurd. Van Gelderen is de enige die geen bezwaar maakt tegen dit germanisme. In de kranten vindt men ook reeds de samenstelling volgas:

‘Die u op de autobaan urenlang “volgas” kunt rijden’(reclame Mercedes) (Elseviers Magazine, 6.2.71, p. 43).

Wat volkorenbrood (‘brood waarin de gehele korrel, grof gemalen, verwerkt is’) en voltreffer (‘directe treffer, bom of kogel die direct treft en dus zijn volle uitwerking doet’) betreft, staat Van Dale met zijn oordeel alleen: al de andere woordenboeken beschouwen deze woorden als goed Nederlands.

In de laatste tijd is er een samenstelling met vol- ontstaan, die nog niet in de woordenboeken te vinden is, nl. volpension (‘hotel met volpension’), waarnaast echter ook ‘het volledig pension’ voorkomt.

A. Moortgat (1925), Germanismen in het Nederlandsch, Gent

Samenstellingen met -vol.
Er zijn adjectieve samenstellingen met -vol, die aanduiden hoe vol iets is: bomvol, vol tot aan het bomgat toe - boordevol, vol tot aan den rand - eivol, zoo vol als een ei - smoorvol, stikvol, zoo vol dat men er zou in smoren, stikken - propvol, stampvol, zoo vol dat alles opgepropt of opgestampt zit - kropvol, vol tot aan den krop van den zak of den vogel (1). Andere samenstellingen met -vol zijn substantieven: armvol, handvol, mondvol. Doch de meeste zijn bijvoeglijke naamwoorden of bijwoorden, waarvan het eerste lid de zelfstandigheid noemt, waarmede iets gevuld is. Vele dezer laatste hebben hun ontstaan te danken aan den invloed der Duitsche letterkunde, die er zulke in haar woordenschat bij de vleet kan aanwijzen. De volgende zijn door het gebruik geijkt: achtingsvol, angstvol, beleidvol, beteekenisvol, eervol, geheimvol, geheim(e)nisvol, gelukvol, genotvol, gevoelvol, heilvol, hoopvol, jammervol, krachtvol, kunstvol, liefdevol, roemvol, smaakvol, smartvol, talentvol, troostvol, uitdrukkingsvol, vreugdevol. Naast deze treft men ook zeer dikwijls de volgende aan: geestvol, D. geistvoll - gloedvol, D. glutvoll - inzichtsvol, D. einsichtsvoll - moeitevol, D. mühevoll - prachtvol, D. prachtvoll - verdienstvol, D. verdienstvoll - waardevol, D. wertvoll - weemoedsvol, D. wehmutsvoll(1), - zorgvol, D. sorgenvoll (2). Voor inhoud(s)vol, D. inhaltvol, zie bl. 37.
Er zijn echter samenstellingen, die gansch overbodige of verkeerd uitgedrukte navolgingen zijn van Duitsche voorbeelden en dus beslist moeten gewraakt worden: duidingsvol, D. deutungsvoll, d.i. veelbeteekenend, beteekenisvol - gedachtenvol, D. gedankenvoll, d.i. in gepeins verdiept of verzonken - gemoedsvol, D. gemütvoll, dat wij uitdrukken door gevoelvol, gemoedelijk - godvol, D. gottvoll, d.i. goddelijk, overheerlijk - gruwvol, D. grauenvoll, d.i. huiveringwekkend; gruwelijk, afschuwelijk - pronkvol, D. prunkvoll, d.i. pronkerig, prachtig, zwierig.
|| Of hij het griezelige van een wolfshol ... of het pronkvolle doen van zijn ridders in de Euryanthe weergeeft - het is alles even raak! Ant. Averkamp in St. o. E., I, 28, 219. Met “Avondrood” zijn wij een bundel echte, gemoedvolle, van levensleedschrijnende gedichten rijker geworden, Joris Eeckhout in Jong D., 2-3, 153. Denk u naast dit drietal de dame in wit van den óók burgerlijken, gemoedsvollen en fijnzinnigen Fantin, Maria Viola in V. o. Tijd, XII, 33, 529. In al zijn min of meer decoratieve, zijn symbolische of mystiekerige fantazieën ... laat ... een naklank zich hooren ... van den gemoedsvollen Alfr. Stevens, XIII, 27, 456.

(1) De s in inzichtsvol, medelijdensvol, weemoedsvol is een overblijfsel van den tweeden naamval, die in ouder tijd bij vol stond, maar thans meestal door den accusatief vervangen wordt. In achtingsvol en uitdrukkingsvol geldt de s veeleer als euphonische letter.

(2) Daarnaast heeft men verbindingen gevormd, die noch Duitsch, noch Nederlandsch zijn, maar klinkklare onzin: gerustvol, zachtvol, zoetvol enz. Hoe kan iets vol zijn van een hoedanigheid? Een zelfstandig naamwoord moet het eerste lid zijn, geen bijvoeglijk naamwoord. En dan nog een zelfstandig naamwoord, dat met vol een redelijken zin vormt: geen gewetensvol b.v., dat men zooveel misbruikt heeft in den zin van nauwgezet.

(1) Het door Bilderdijk gebruikte barstensvol is ongewoon; het volk zegt te bersten vol en beschouwt dit als een woordeenheid: vol om te barsten, vol tot barstens toe. In het Zaansch bartvol.

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Vol, van den Idg. wt. pel, ple = vullen; vgl. ’t Lat. plinus; Gr. pleos = vol.

M. Siegenbeek (1847), Lijst van woorden en uitdrukkingen met het Nederlandsch taaleigen strijdende, Leiden

vol, als achtervoegsel in eervol, gevoelvol, rampvol, smaakvol enz. is wel door het veelvuldig lezen van Hoogduitsche werken in onze taal ingevoerd, doch daarom, naar mijn oordeel, niet geheel te verwerpen. Meer Nederlandsch is zeker het achtervoegsel rijk, als beeldrijk, bloedrijk, boomrijk, hulprijk, leerrijk, liefderijk, schaduwrijk: doch, waar dit achtervoegsel door het gebruik niet aangenomen is, zie ik geene zwarigheid om vol te bezigen.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

vol ‘gevuld’ -> Indonesisch pol ‘gevuld; op maximale geluidssterkte; volledig (betaald)’; Jakartaans-Maleis pol ‘vol, volledig, ongekort (loon)’; Javaans pol ‘gevuld; voldaan; maximum; vol gas; buitengewoon’; Kupang-Maleis fol ‘gevuld’; Madoerees ēvvol, vol ‘gevuld’; Menadonees fol ‘gevuld’; Minangkabaus pul, pol ‘gevuld, compleet’; Sasaks pol ‘voldaan, afgedaan’; Negerhollands vol, ful ‘gevuld’ (uit Nederlands of Engels); Berbice-Nederlands folo ‘gevuld’; Surinaams-Javaans fol ‘gevuld’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

vol* gevuld 0901-1000 [WPs]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1309. Iemand de volle laag geven,

d.w.z. iemand met verwijten op het lijf vallen, overstelpen; hem de volle straf geven; ook iemand de gladde laag geven. Onder eene laag verstaat men eene rij kanonnen op een oorlogsschip, zoodat deze uitdr. eig. wil zeggen ‘iemand met een rij geschut te gelijk begroeten, en dan oneigendlijk iemand lustig in den baard vaaren, iemand ruuw bejegenen, en gelyk men seid, afsouten’ (Winschooten, 132). Van zoo iemand zegt men dat hij de volle laag krijgt. Niet onbekend is ook de volle laag afzenden, al zijn kracht ineens aanwenden; Ndl. Wdb. I, 1958; VIII, 829; vgl. verder Brederoo's Moortje, vs. 245; Sewel, 431: De volle laag geven, to fire a broadside; Halma, 297: Iemand de volle laag geeven, met eene rije geschut te gelijk begroeten, envoyer toute une bordée à qqn; C. Wildsch. III, 340: Ik zou al lang ereis uit den hoek gekomen zijn, en onze Mijnheer de volle laag hebben gegeven; W. Leevend VI, 13: Ik ken Gerrit; hy moet eens de volle laag hebben; Harreb. III, 1; Zandstr. 33: Als ze me knippen, krijg ik toch de volle laag; fri. immen de laech jean; hd. einem die volle Lage geben; de at give En det glatte Lag.

1453. Als de maan vol is, schijnt zij overal,

d.w.z. ‘als eene zaak tot volle klaarheid is gekomen, komt ze ter kennis van het algemeen’ (Harreb. II, 46 b). De uitdr. komt in de 18de eeuw in dezen zin voor in W. Leevend II, 122; VIII, 62; C. Wildsch. IV, 82. Thans evenwel verstaat men er gewoonlijk onder ‘als iemand rijk is, laat hij 't bij elke gelegenheid merken’; ‘als iemand gelukkig is, overvloed bezit, wil hij ook anderen gaarne daarin doen deelen’Voor nog andere beteekenissen, die men aan deze zegswijze toekent, zie School en Studie 1884, bijblad, bl. 54.; fri. as de moanne fol is skynt er oeral, als eene zaak opgang maakt, wordt er met ophef van gesproken.

1570. Mudvol of zoo vol als mud,

d.i. zeer vol, propvol, eivol (eng. eggfull), tjokvol (zie aldaar), bomvol (eig. van fusten, tot aan het bomgat toe). Vgl. Harreb. II, 107 a: het is zoo vol als mudje; Boekenoogen, 651: 't is zoo vol as mud (of 't is mudje-vol), 't is zoo vol, dat er niets meer bij kan. Waarschijnlijk hebben we met hetzelfde znw. te doen in Vondel's Maeghden vs. 88: ‘Zend kryghsvolck uit, als mut’, en bij Westerbaen I, 525, waar een predikant zegt:

Als ick van God hier spreeck,
 So komt 'er naeuw een mensch in een geheele weeck:
 Maer doen ick sey, dat ick sou van de duyvel preecken,
 Komt ghy so dick als mud ter Kercken ingestreecken.

Spaan, 157: Dit maakte zulken reddering onder de Engelschen, dat ze als mut ter neder vielen; V. Moerk. 464: De spinnekoppen die hier by mut bennen. Elders heb ik de uitdr. niet aangetroffen. Wat we eigenlijk onder dit mud (mut) moeten verstaan, is me niet duidelijk. Wellicht beteekent mut eig. turfmolm (V. Schothorst, 175Zie ook Taal en Letteren IX, 227-228. In dat geval moeten we natuurlijk mutvol schrijven.). Het Ndl. Wdb. IX, 1276 denkt aan verwantschap met nd. mudde, slik en verklaart zoo dik (of dicht) als mud als zoo dicht ineen als vette modder; vandaar: in dichte massa (vgl. no. 641). Te vergelijken zijn zegswijzen als zoo dicht als stofregen (in grooten getale; Halma, 615); het 17de-eeuwsche zoo vol as de mentKluchtspel II, 209; in Ndl. Wdb. IX, 570 worden deze woorden vergeleken met een uitdr. als de duivel! en soo vol als saad, als haf (Ndl. Wdb. V, 1515), als hach (zie N. Taalgids XIV, 198). In Groningen kent men: doar was volk as dook (mist), 't was er zwart van volk (Molema, 84 b). Ook hoort men zeggen zoo vol als een mud, waarbij aan een mud aardappelen wordt gedacht (vgl. N. Taalgids III, 8, nootNog anders in Kunstl. II, 283: Die eet d'r s'n eigen soo vol as 'n mut!).

2467. Iemand (niet) voor vol aanzien,

d.i. iemand (niet) voor volslagen rekenen, hem (niet) tellen als iemand die alle vereischten in een bepaalde aangelegenheid bezit, ‘hem (geen) gepasten ouderdom, goed verstand en geoefendheid in eenige zaak toekennen’Uitlegk. Wdb. op Hooft IV, 291.. Vgl. Huygens, Korenbl. II, 192 (woordspel); Tuinman I, 274: Men ziet hem niet voor vol aan, dat is, men acht hem niet voor zulk een, in wien het vereischte is; Van Effen, Spect. IX, 239: Zo moet gy u verzekeren dat ge nog niet voor vol kunt aangezien worden, en om, een kinderlyke dog kragtige spreekwyze te gebruiken, dat ge nog maar voor spek loopt. Vroeger ook iemand voor vol inschrijven, dat voorkomt bij Sart. III, 7, 64: Scribe tui gregis hunc et fortem crede bonumque, schrijft hem voor vol in; bij Hooft, Brieven, 278: Ik begin Huigens uit zijn' weer te zetten, ende voor vol aan te nemen dat gy toveren kunt; bl. 532: Zoo men dit mag voor vol aanneemen (d.i. als de volle waarheid mag beschouwen), de invallers zullen vinden met wien te spreeken; ook Tac. Jaarb. 108; Starter, 426: Ick spreeck jou immers soo lieflijck toe as ick kan, en wil je dat noch niet nemen voor vol an? Harreb. II, 402. In het Friesch beteekent immen for fol oansjen, iemand voor een gezeten man houden (Fri. Wdb. I, 388 a); hd. einen für voll ansehen, nemen, wohl eigentlich mit einem von Münzen hergenommenen Bilde; vgl. vollwichtig (Paul, Wtb. 610); mnl. volwichtich, zijn volle gewicht hebbende.

Overige werken

Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.

pel-1, pelǝ-, plē- ‘gießen, fließen, aufschütten, füllen, einfüllen’; auch ‘schwimmen, fließen machen, fliegen, flattern’ und ‘schütteln, schwingen, zittern (machen)’, nominal: pel (Gen. pel-es) und peli-s ‘Burg’ (‘aufgeschütteter Wall’); pl̥̄-no-, plē-no-, plē-ro- ‘voll’, pl̥-no-tā ‘Fülle’, pl̥-tó-, plē-to- ‘gefüllt’, pl̥̄-tí-, plē-mn̥ ‘das Füllen’; pelu ‘Menge’, pelu- ‘viel’

A. Arm. hełum ‘ich gieße aus’ (*pel-nu-mi), zełum (*z-hełum) ‘lasse strömen’, Pass. ‘fließeüber’;
cymr. llanw m. ‘Flut’, Verbalnom. llanw, llenwi ‘Füllen, Fließen’, mbret. lano, lanv ‘Flut’, corn. lanwes ‘Fülle’ (*plen-u̯o-);
lit. trans. pilù, pìlti ‘gießen, schütten, aufschütten, füllen’, intrans. ‘fließen’, lett. pilêt ‘tröpfeln’, pile ‘Tropfen’, pilt ‘tröpfeln’, pali ‘Überschwemmung’, lit. am̃palas (*ant-palas) ‘Aufwasser auf dem Eise’; russ. vodo-polъ(je), pol(n)o-vodьje ‘Hochwasser’, kslov. polъ ‘Schöpfgefäß’.
B. pel ‘Burg’ in ai. pū́r, Gen. purás ‘Burg, Stadt’, pura- n., jünger puri-, purī ds., vgl. Singapur ‘Löwenstadt’, gr. (äol.) πόλις ‘Burg, Stadt, Staat’ (*peli-s), hom. kypr. πτόλις ds., lit. pilìs, lett. pile ‘Burg, Schloß’ (s. Schwyzer, Gr. Gr. 1, 325, 344, Specht KZ 59, 65f., 11 f., Trautmann 217).
C. Wörter für ‘Sumpf’ (pel-, pel-eu-), wie osset. farwe, färer ‘Erle’, ahd. fel(a)wa, nhd. Felber ‘Weidenbaum’ (als ‘Sumpfbaum’), und lat. palus, -ūdis f. ‘stehendes Wasser, Sumpf, Pfütze’ (*pel-ou-d-), wohl zu ai. palvalá- n. ‘Teich’ und palvalya- ‘sumpfig’; dazu noch pelǝk- : plāk- in gr. πάλκος· πηλός Hes., παλάσσω (*παλακι̯ω) ‘bespritze’, lit. pélkė ‘Moorbruch’, apr. pelky ds., lett. pel̃ce ‘Pfütze’: plācis ‘Morast’; nach W. Schulze Kl. Schr. 112 alle ursprüngl.Farbenbezeichnungen, also zu pel-8.
D. ‘füllen, Fülle’: Ai. píparti : pipr̥máḥ; pr̥ṇā́ti (pr̥ṇáti) ‘füllt, sättigt, nährt, spendetreichlich, beschenkt’, auch pr̥ṇṓti ds., pū́ryatē, pūryátē ‘füllt sich’, Aor. áprāt (: πλῆτο), Imp. pūrdhí, Perf. paprāu (: lat. plēvī), Partiz. prātá- (= lat. -plētus, alb. pĺot; vgl. auch prātí- : lat. com-plēti-ō), pūrtá- ‘voll’, prāṇa- ‘voll’ (= lat. plēnus, av. frāna- ‘Füllung’, air.līn-aim ‘fülle’), pūrṇá- ‘voll’ (= got. fulls, litt. pìlnas, abg. plъnъ, air. lān; von *pel- hingegen av. pǝrǝna- ‘gefüllt’); parīṇaḥ n. ‘Fülle’ (: av. parǝnah-vant- ‘reichlich’), parī-man- ‘Fülle, Spende’ (*pelǝ-); av. par- ‘füllen’;
arm. li, Gen. liog ‘voll’ (aus *plē-i̯o-s = gr. πλέως? oder aus *plē-to-s = ai. prātá-?), lnum ‘fülle’ (*linum, Neubildung), Aor. eli-c̣ ‘ich füllte’; lir (i-St.) ‘Fülle’; vermutlich holom, holonem ‘häufe auf, sammle an’;
gr. πίμπλημι ‘fülle’ (ursprüngl. πίπλημι, der Nasal aus πίμπρημι), Fut. πλήσω, Aor. πλῆτο ‘füllte sich’, πλήθω ‘bin voll, fülle mich’, πλῆθος n., ion. πληθύ̄ς ‘Menge’, πληθύω ‘bin oder werde voll, schwelle an’ (: lat. plēbēs), πλήσμη ‘Flut’, πλησμονή ‘Anfüllung, Sättigung’, πλήσμιος ‘leicht füllend, sättigend’, πλῆμα ‘Füllung’ Hes. (: lat. plēmināre ‘anfüllen’); hom. πλεῖος, att. πλέως, ion. πλέος ‘voll’ (*πλη-[ι̯]ο-ς; = arm. li?), πλήρης ‘voll’, πληρόω ‘mache voll’ (von *πληρο-ς = lat. plērus, vgl. arm. lir ‘Fülle’, i-St.); πλή-μῡρα, -μυρίς f. ‘Flut’, zu μύ̄ρω S. 742;
alb. plot ‘voll’ (*plē-t-os); auch pjel ‘zeuge, gebäre’? intrans. ‘voll = schwanger sein’?? mit Formans -go- hierher plok, plogu ‘Haufe’ (*plē-go-? vgl. ahd. folc ‘Haufe, Kriegshaufe, Volk’, ags. folc ‘Schar, Heer, Volk’, aisl. folk ‘Schar, Volk’ als *pl̥-go- oder elǝ-go-);
lat. pleō, -ēre meist com-pleō, im-pleō ‘fülle’, Partiz. Pass. (com)plētus; plēnus ‘voll’, umbr. plener ‘plenis’; plērus, -a, -um ‘zum größten Teile’, plērusque, plērīque ‘eine große Anzahl, sehr viel, am meisten’; plēbēs, -ei und , plēbs, -is ‘Volksmenge; die Masse des Volkes im Gegensatz zu den Adeligen’ (*plēdhu̯ēs), manipulus ‘eine Handvoll; Bündel; Hanteln der Turner; Soldatenabteilung’ (*mani-plo-s); plēmināre ‘anfüllen’ zu *plēmen = gr. πλῆμα;
air. līn(a)im ‘ich fülle’ (von einem Adj. *līn = *plēno-s), līn ‘numerus, pars’; air. lān, acymr. laun, ncymr. llawn, corn. luen, leun, len, bret. leun ‘voll’ (= ai. pūrṇa- usw.), air. comalnur ‘ich fülle’ (Denom. von comlān ‘voll’); u(i)le ‘ganz’, Pl. ‘alle’ (*poli̯o-);
got. fulls, aisl. fullr, ags. as. full, ahd. fol (-ll-) ‘voll’ (= ai. pūrṇá- usw., s. oben); = lit. pìlnas, abg. plъnъ, skr. pȕn ‘voll’; über ags. folc usw. s. oben; mhd. vlǣjen ‘spülen’ zu πλή-μῡρα oben S. 799.
pélu ‘Menge’, einzelsprachlich auch adjektivisch gewordenes Neutrum ‘viel’; daneben idg. pelú- Adj. ‘viel’; Kompar. plḗ-i̯os, -is-, Superl. plǝ-is-tó- ‘mehr, meist’:
Ai. purú-, av. pouru-, ap. paru ‘viel’ (= gr. πολύς, wenn dies aus *παλύς, lit. pilus), Kompar. ai. prāyas- Adv. ‘meistens, gewöhnlich’, av. frāyah-, Superl. fraēšta- ‘der meiste’; hierher iran. *pelu̯-, *polu̯- im Plejadennamen npers. parv, av. paoiryaēinī (*paru̯ii̯ainī-), ablaut. gr. Πλειάδες, hom. Πληιάδες (*pleu̯ii̯-), ursprüngl. ‘Sternhaufen’;
gr. πολύς ‘viel’ (assimil. aus *παλύς = ai. purú-), übrige Kasus vom St. πολλό-, πολλά̄-, wohlausgegangen vom f. *πολϝι̯ᾱ ai. pūrví; Kompar. Superl. ursprüngl. *πλη[ι̯]ων > πλέων (*plēisōn) : πλαῖστος (*plǝisto-), das durch Einfluß von *πλεῖς ‘mehr’ (*plēis = air. līa) und des Kompar. zu πλεῖστος wurde; aus einem idg. *pleu̯-es- ‘Überfluß, große Menge’ wurde sekundär der gr. Kompar. n. πλέον, wozu der achäische Nom. Pl. πλέες neugebildet wurde; ebenso wurde alat. plous, lat. plūs zum Kompar., und mit plīs- (alter Kompar. *plē-i̯es- in alat. pleores, und *plēis- im Superl.plīsima) zu *plois- kontaminiert, woraus lat. plūrimus ‘meist’ (alt ploirume, plouruma, plusima); vgl. Benveniste Origines 1, 54 f., Schwyzer Gr. Gr. 1, 537 f., E.-M.2 783;
air. il ‘viel’ (= got. filu), līa ‘plus, plures’ (*plē-is); acymr. liaus, ncymr. lliaws ‘multitudo’ (plē-i̯ōs-tu-s oder -to-);
got. filu adv. Neutrum m. Gen. (altes Subst.) als Ersatz von gr. πολύς, auch ‘sehr; um vieles (beim Komp.)’, ähnlich in den andern germ. Sprachen: ahd. as. filu, filo, ags. fela, feala, feola ‘viel, sehr’, aisl. fiǫl- ‘viel’, n. ‘Menge’; Komp. Sup. aisl. fleiri, fleistr ‘mehr, meist’ (*plǝ-is-, -isto-, av. fraēšta-);
lit. pilus ‘im Überfluß’.
E. pel-ed- in gr. πλάδος n. ‘Feuchtigkeit, Fäulnis’, πλαδαρός ‘feucht’, πλαδάω, -ᾶν ‘naß sein’; ahd. fledirōn, nhd. flattern, ahd. fledar-mūs ‘Fledermaus’; lett. peldêt ‘schwimmen’, peldêtiês ‘baden’, peldinât ‘baden, schwemmen’: pildinât (*pl̥d-) ds.; pledinât ‘mit den Flügeln schlagen’, pledins ‘Schmetterling’; vgl. E. Fraenkel Mél. Boisacq 1, 357 ff.
F. Wörter für ‘Schmetterling’: redupliziert lat. pāpiliō, -ōnis m. (*pā-pil-); germ.*fīfalðrōn- in aisl. fīfrildi n., ags. fīfealde, ahd. fīfaltra, mhd. fīfalter, nhd. Falter; lit. petelìškė ds., lett. petelîgs ‘flatterhaft’ (*pel-tel-);
von derselben Wurzel die balto-slav. Wörter (*paipalā-) für ‘Wachtel’: lit. píepala f., lett. paîpala, apr. penpalo (dazu apr. pepelis, Pl. pippalins ‘Vogel’); čech. přepel, křepel, slov. prepelíca (auch ‘Schmetterling’) usw.
G. Wörter für ‘schwingen, schütteln, zittern, hin- und herbewegen’ usw.: gr. πάλλω (*pl̥-i̯ō), Aor. ἔπηλα ‘schwinge, schüttle’, Med. ‘springe, zapple’, παλτός ‘geschwungen’, παλμός ‘Zucken, Vibrieren’, πάλος m. ‘Los’, παλάσσομαι ‘lose’; redupl. παιπάλλω Hes. ‘schüttle’; aisl. fǣla ‘erschrecken’, ags. eal-fē̆lo ‘fürchterlich’, mhd. vālant ‘Teufel’; vielleicht zu aksl. plachъ ‘zitternd, ängstlich’ (*polso-?), plašiti ‘erschrecken’ usw.;
die Erweiterung pelem- in gr. πελεμίζω ‘schwinge, erschüttere’, Pass. ‘erbebe’, πόλεμος, πτόλεμος ‘Schlacht, Krieg’ (PN Νεο-πτόλεμος, Πτολεμαῖος), got. us-filma ‘erschrocken’, aisl. felms-fullr ds., felmta ‘bange sein’ (*falmatjan), ahd. bair. felm ‘Schrecken’;
da aisl. falma sowohl ‘überrascht werden’, wie ‘tappen, fühlen’ bedeutet, könnten hierher lat. palpor, -āri (auch palpō) ‘streichle’, palpitō ‘zucke’, palpebrae ‘Augenlider’, alb. palun ‘flatternd, zitternd’ und ‘Ahorn’ sowie westgerm. *fōljan (ahd. fuolen, mhd. füelen, ags. fǣlan usw.) ‘fühlen’ gehören, auch mnd. vlader ‘Ahorn’, vladarn ‘flattern’.

WP. II 63 ff., WH. 320 f., 322 f., 327 f., Trautmann 218;die Wörter unter G. könnten auch zu pel-2 gehören; hierher auch pleu- ‘fließen’.

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal