Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

voeren - (leiden, vervoeren)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

voeren 1 ww. ‘leidend brengen’
Onl. fuoren ‘brengen, leiden’ in ande thaz cruce ze ierusalem uorde ‘en (hij) bracht het kruis naar Jeruzalem’, The uorden se mit sánge ... zo then abrahames scozon ‘Ze leidden haar met zang naar Abrahams schoot’ [beide 1151-1200; Reimbibel]; mnl. uoeren, vuren ‘brengen’ [1240; Bern.], voeren in Hi sal v voeren in een land [1285; VMNW].
Os. fōrian (mnd. vören, vuren); ohd. fuoren (nhd. führen); ofri. fēra (nfri. fiere); oe. fēran ‘gaan, reizen’; on. fœra (nzw. föra); alle (behalve oe.) ‘leiden, brengen, dragen e.d.’, < pgm. *fōrjan-, causatief van → varen 2.
Zie ook → tuig voor de samenstelling voertuig.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

voeren1* [leiden, vervoeren] {1201-1250} oudsaksisch forian, oudhoogduits fuoren, oudfries fœra, oudengels feran, oudnoors fœra; causatief van varen2.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

voeren 1 ww. ‘vervoeren’, mnl. voeren, os. fōrian, ohd. fuorran, fuoren (nhd. führen), ofri. fēra, on. færa ‘voeren’ en oe. fēran ‘gaan, trekken’, een causatief bij varen, te vergelijken met oi pāráyati ‘over zetten, overbrengen’.

Hetzelfde vocalisme vertonen mnl. voere v. ‘gang, spoed, gedrag’, mnd. vōre, ohd. fuora (nhd. fuhre), oe. fōr v. ‘tocht, reis, wagen’.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

voeren I (vervoeren enz.), mnl. voeren. = ohd. fuorran, fuoren (nhd. führen), os. fôrian, ofri. fêra, on. fø̂ra “voeren”, ags. fêran “gaan, trekken”. Causatiefvorm bij varen II: vgl. oi. pâráyati “hij zet over, brengt over”. Met dezelfde vocaal mnl. voere v. “gang, spoed, gedrag”, ohd. fuora (nhd. fuhre), mnd. vôre, ags. fôr v. “tocht, reis, wagen”.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

voeren I (vervoeren enz.). Mnl. voere v. = ‘gedrag, gedoe, levenswijze, feit’.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

voeren 2 o.w. (vervoeren), Mnl. id., Os. fôrian + Ohd. fuoren (Mhd. vüeren, Nhd. führen), Ags. féran, Ofri. féra, On. føra (Zw. föra, De. føre): als factit. van denz. stam als ʼt imp. van varen.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

3voer ww.
1. (verhewe) Lei, bring. 2. Die leiding uitoefen. 3. Dra, vertoon. 4. Bring. 5. Hanteer.
Uit Ndl. voeren (Mnl. voeren, voren, vueren in bet. 1, 2 en 3, 1622 in bet. 4, 1832 in bet. 5).
D. führen (8ste eeu).

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

voer II: ww., bestuur, lei, (oorlog) maak; vervoer; Ndl. voeren (Mnl. voeren), Hd. führen, hou verb. m. Mnl. voere, “gedrag, lewenswyse”, kous. by Ndl. varen, Hd. fahren, Eng. fare, Afr. vaar, “gaan, reis”.

Thematische woordenboeken

Ch.F. Haje (1932), Taalschut, schrijf weer Nederlandsch, Leiden

Voeren
Onze importeurs en handelaars voeren tegenwoordig artikelen van dit of dat merk. Dat is een oliedom germanisme, hier onverstaanbaar voor ons. Ned. is in den handel brengen, voorhanden hebben, verkrijgbaar stellen.
Voeren komt voorts in verschillende bitter duitsche samenstellingen voor. Goed ingevoerde handelsreizigers. Ingevoerd wekt onvermijdelijk de voorstelling, dat heeren reizigers geïmporteerd zijn of in een voering genaaid. Ned. zou zijn: (goed) thuis zijnde, (bij de klanten) ingewerkte, terreinkundige reizigers.
Iemand afvoeren van een personeelstaat, van een ledenlijst > Ned. afschrijven, schrappen.
Opvoeren > Ned. ten tooneele brengen, vertoonen, spelen. Hier is het al een oud en diep doorgedrongen germanisme. Jonger en daardoor hatelijker is opvoeren > Ned. vergrooten, verhoogen, uitbreiden, gezegd van getalsterkte, vermogens, kosten, werkzaamheden, levenspeil. De opvoering van werkgelegenheid: de verruiming, de verbreeding.
Doorvoeren: plannen, een hervorming, een staatsgreep doordrijven, doorzetten; een doorgevoerde (doorgetrokken) vergelijking; een goed doorgevoerd (goed aangehouden, volgehouden) karakter in een roman of een tooneelstuk. Die wet is nog niet doorgevoerd (nog niet doorgewerkt, nog geen regel geworden).

A. Moortgat (1925), Germanismen in het Nederlandsch, Gent

voeren (een leven - ). ― Met betrekking tot iemands levenswijze is het werkwoord voeren, hieronder gebruikt, kennelijke navolging van D. führen, waaraan volgens het Nederlandsch spraakgebruik, leiden beantwoordt.
|| Wij weten het gulden midden: laten we het gemeenschapsleven voeren in den grooten stijl, L. J. M. Feber in V. o. Tijd, XII, 47, 756.

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Voeren (vervoeren): caus. van varen (z. d. w.) = gaan.

W. de Vreese (1899), Gallicismen in het Zuidnederlandsch, Gent

voeren (eene taal voeren). - In onze taal zegt men zus of zoo een taal voeren tegen iemand. Wordt nu het meewerkend voorwerp uitgedrukt door een persoonlijk voornaamwoord, dan blijft het gebruik van het voorzetsel noodzakelijk: de voorzetselbepaling kan niet door een derden naamval vervangen worden, zooals in het Fransch. Dus hij voerde een vreemde taal tegen mij, en niet hij voerde mij een vreemde taal, terwijl men in’t Fransch zegt vous me tenez là un étrange langage, b.v. naast j’entendis qu’il tint un étrange langage à son frère. || Ge vraagt u waarschijnlijk nieuwsgierig af, … met welk inzicht ik u gisteren en heden eene taal heb gevoerd, die u stellig moet verwonderen? SEGERS, Gelukkig 77.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

voeren ‘leiden, vervoeren’ -> Schots † fure ‘vervoeren (over zee); brengen’; Negerhollands voer ‘leiden, vervoeren’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

voeren* leiden, vervoeren 1240 [Bern.]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1997. Iets in zijn (of het) schild voeren (of hebben),

d.w.z. iets van plan zijn, een geheim (meestal niet goed) oogmerk hebben, iets in zijn kraag hebben (Tuerlinckx, 342); wat in de musse hebben (Twente); hd. etwas im Schilde führen. De uitdr. komt in het mnl. niet voor; ze is opgeteekend in de 16de eeuw bij Campen, 3: wie weet wat hy in synen schilt voert, en wordt verder in de litteratuur der 17de eeuw herhaalde malen aangetroffen; zie Huygens VII, 273 en 201; P.C. Hooft, Warenar, vs. 1282; Pers, 11 b; 158 b; 198 b; Paffenr. 55; Antonides, Ystroom, 98; enz. Zij is ontleend aan de gewoonte der ridders om op hun schild de een of andere zinnebeeldige voorstelling of een devies te laten schilderen, waarmede zij wilden aanduiden, wie zij waren, waarnaar zij streefden, of tot welke partij zij behoorden, waaruit men kon opmaken of zij vriend of vijand waren, en dus welke plannen zij koesterden. Vgl. Lanc. III, 20683: Hi voerde ooc in sinen scilde enen leu die was root; Krul, Rosilion en Rosamire, 5:

Speurt den ridder na, den ridder Rosilion,
 Die door syn moedt, en kraght vaek leeuwen overwon,
 Dies voert hy in syn schilt een overwonnen leeuw.

Zie verder Tuinman I, 37; Sewel, 705; Halma, 568; Harreb. II, 248; Ndl. Wdb. XIV, 655; Het Volk, 3 April 1914, p. 2 k. 2: Gisteravond zijn de patroons uit den hoek gekomen, en is losgekomen, wat de heeren in hun schild voeren; Nkr. VII, 15 April p. 4; Afrik. hy voer iets in sy skild; fri. hwet yn yens skild fiere; Wander IV, 178; Grimm IX, 120-121; vgl. het mnl. sinen scilt keren, van gedrag, van houding veranderen, en de syn. uitdr. iets in zijn vlag voeren (Van Lennep, 246).

2422. De vlag voeren,

d.i. de eerste, de baas zijn; ook: veel drukte maken, opsnijden, het hoogste woord voeren, de groote vlag voeren, eene zeemansuitdrukking, die eig. wil zeggen de standaardvlag in top voeren, de aanvoerder zijn; vgl. Com. Vet. Woordenl.: De vlag voeren, de opperste in de vloot zijn; dogh oneigentlijk, zwetzen en 't hoogste woordt voeren; Winschooten, 336: De vlag voeren het welk beteekend de opperste zijn, gelijk ook, de grootste vlag voeren: oneigendlijk werd daar door te kennen gegeven, dat iemand het meeste swetst, en het hoogste woord voerd; zie verder Anna Bijns, Refr. 59, waar de syn. uitdr. de vanen uutsteken en Nw. Refr. 78: de vane draeghen voorkomt; Spieghel, 64, vs. 418: Zwijght, praalzot, tegens u voert wijzer haan de vlagge; Com. Vet. 4; Lichte Wigger, 13 v: de hoogste vlag voeren; Huygens I, 178: al de vlaggens voeren; Coster, 37, vs. 824; 520, vs. 762; Gew. Weuw. II, 25: 'k Mag de vlag nu niet meer voeren, maar 'k moet ze gedwongen strijken; Spaan, 194; kantt. op Ezech. 35 vs. 30: Veel gesnaters en gesnaps, gelijck wanneer yemant (alsmen seyt) de vlagge voert; Rusting, 105; Tuinman I, 289; 145: 't Is een vlaggeman, dat is, hy is een hoofd en voorganger, als die ter zee de gebiedsvlag voeren; anders zegt men ook hy voert de vlag; Halma, 732: Hij wil overal de vlag voeren, overal wil hij de baas speelen; Janus, 224: Een vlagvoerend voorstander van eenige der twistende partijen van het Vaderland; Van Eijk I, 145-146; Harreb. II, 387 bIn W. Leevend I, 228: vlaggen en wimpels voeren..

2608. Het grootste (of het hoogste) woord hebben (of voeren),

d.w.z. den boventoon voeren; eig. luid spreken, zoodat de stem boven die van anderen uitklinkt; als bewijs van overdreven zelfgevoel (Mnl Wdb. IV, 562); ook een groot woord hebben, fri. in great wird dwaen, pochen, roemen; Antw. Idiot. 1458: een groot woord hebben, veel praat hebben, bluffen, grootspreken. In de 17de en 18de eeuw ook het hooge woord (voeren); o.a. bij Huygens I, 177; VII, 178:

 Soo jong, en soo veel praets dat niemand er derft roeren!
 Eij, neemt den Spiegel eens, en soeckt daerin, arm kind,
 Of ghij dien mallen muijl genoegh bewasschen vindt,
 Om onder oude Lien het hooghe woord te voeren.

Zie ook Huygens VII, 188 en Tuinman I, 277. Hiernaast in de 17de eeuw het hoogste woord voeren, o.a. bij De Brune, Bank. I, 119: Edel-luyden willen altijd de superius zingen, en het hoogste woord voeren; 187: Die de meeste snap hebben, en het hoogste woord voeren; Brederoo III, 365, 28; Middelb. Avant. 112; Spaan, 68; Schouten, O.I. Voyagie I, 26; in Vondel's Lucifer, vs. 499 in den zin van ‘bevelen’Hier zal hoog de beteekenis hebben van voornaam, gewichtig (zie no 2606); vgl.; ook De Brune, Bank. I, 229: 't Is niet vreemd, dat die Leydsche voerman een Professoor scheldende, op 't leste, en voor het hooghste woord, hem een Poeët noemde.; ‘het grootste woord voeren’ in de Com. Vet. 52 en bij Van Effen, Spect. VIII, 230; IX, 239; afrik. hy voer die hoogste woord hier. Vgl. het fr. avoir le verbe haut; la parole haute; hd. das grosze Wort führen; eng. to talk big; fri. in steil wird fiere en de synoniemen in het hoogste gaatje blazen; den bovenzang willen hebben; den snater hebben (Anna Bijns); 't veurwoord hebben (Molema, 453 b), de vlag voeren (zie Lat. Versch. 420 en no. 2422).

2634. Het zeil in top halen (of voeren),

d.w.z. het zeil zoo hoog mogelijk ophalen; bij overdracht op grooten voet leven; een hoogen staat voeren, bram boven bram voeren. Vgl. Winschooten, 248: Het seil in top haalen of setten, dat bij swaaren storm gevaarlijk isDoet men dit, dan bestaat er gevaar, dat het schip omslaat; vgl. De Brune, Bank. I, 114: Die 't zoo hoogh in den top zetten, moeten van de gyb wachten. en daarom werd het oneigendlijk genoomen voor sijn staat soo hoog setten, als immers doendelijk is; bl. 164: Veiligst is het in voorspoed te denken om teegenspoed: en het seiltje niet al te hoog haalen; Witsen, 311: t Zeil in top halen, een grooten staet voeren, zo hoog of hooger als de middelen konnen lijden; Sart. II, 6, 21: Haelt u seyl niet te hoogh, kent staet ende hout maet; ne majora viribus suscipias, aut ne magnificentius te geras, quam pro tua conditione; zie verder Starter, Steek-boekjen, 58:

 Eer dat gy bent uyt den dop
 Zo trekje 't Zeil al in den top:
 Jou hert is groots.

Vgl. nog Haerl. Somerbloempjes, 134: Die het zeyl te hoogh ophalen en in hovaerdy en pracht brallen boven hare macht; Huygens, Oogentroost, vs. 150: Soo vierense staegh schoot, en voeren 't in den top tot dat's een slingerbuy zien vallen in haer laken, die 't schip op zyde werpt; Hofwijck, vs. 783; Tuinman I, 259: 't zeil is te hoog in top gehyst; Van Effen, Spect. VI, 31; Halma, 647; Sewel, 792: Het zeil in top zetten, to carry it high, to live very prodigal; Harreb. II, 340; Van Eijk I, 162. Ook kende men in de 17de eeuw: het zeil te wijd zetten (zich voornamer voordoen dan men is) en een hoog zeil voeren, bluffen, snoeven (De Brune, Bank. I, 208). In het fri. it seil to heech hize, een te grooten staat voeren; hja lûke 't seil heger as de mêst, zij voeren een staat boven hun stand.

Overige werken

Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.

per-2: B. per-, perǝ- ‘hinüberführen oder -bringen oder -kommen, übersetzen, durchdringen, fliegen’, nicht sicher von per 2: C. zu trennen, poro-s ‘Zugang’, por-mo-s ‘Fähre’, per-tu-s, por-tu-s ‘Zugang’;

Ai. píparti ‘führt hinüber, geleitet, fördert, übertrifft’, Kausat. pāráyati ‘setzt über’ (= pālayati ‘schützt’), av. par- (mit Präfixen) ‘hindurch-, hinübergehen’, Kaus. -pārayeité, ai. pāra- ‘hinüberbringend, übersetzend’, m. n. ‘jenseitiges Ufer, Ziel, äußerste Grenze’ (dazu pārya- ‘wirksam’), av. pāra- m. ‘Ufer; Grenze, Ende’;
arm. hord ‘begangen, betreten’, hordan ‘fortgehen’, hordantam ‘lasse fortgehen’, und heriun ‘Pfrieme’; thrak. πόρος, -παρα in Ortsnamen = gr. πόρος ‘Furt’;
gr. περάω ‘dringe durch’, πείρω (πεπαρμένος) ‘durchdringe, durchbohre’ (= ksl. na-perjǫ), διαμ-περής ‘durchbohrend’, περόνη ‘Spitze, Stachel, Spange’; πόρος ‘Durchgang, Zugang, Übergang, Furt; Ausweg; Pl. Einkünfte’, hom. πορεῖν ‘verschaffen’, Aor. ἔπορον; πέπρωται ‘ist, war vom Schicksal bestimmt’ (*pr̥̄-), πορεύω ‘führe, verschaffe’, Med. ‘reise’, πορίζω ‘gewähre Durchgang; verschaffe’, πορθμός ‘Überfahrt, Meerenge’;
alb. pruva, prura ‘brachte, führte’, sh-poroj ‘durchbohre, durchsteche’ (dis- + *pērā-i̯ō), sh-poj, tsh-poj, sh-puay ‘ds., durchbreche eine Mauer, breche ein’ (dis- + *pērei̯ō), sh-pie ‘führe hin’ (*sem- + *perō); pirr(ë) f. ‘Dorn’ (*per-nā) usw.;
lat. portō, -āre ‘tragen, führen, fahren, bringen, darbringen’, umbr. portatu ‘portato’, portust ‘portaverit’ (*poritō, zu einem Iterativ *porei̯ō);
got. faran, for ‘wandern, ziehen’, farjan ‘fahren, schiffen’, st. V. ahd. ags. faran, aisl. fara ‘fahren’, schw. V. as. ferian, ahd. ferien, ferren, aisl. ferja ‘fahren, schiffen’(farjan = *porei̯ō); aisl. fǫr f. ‘Reise, Fahrt’, ags. faru f. ‘Fahrt, Reise, Zug’, mhd. var f. ‘Fahrt, Weg, Art, Weise’ (fem. zu gr. πόρος); aisl. farmr, ags. fearm m. ‘Schiffsladung’, ahd. farm ‘Nachen’ (= russ. porom); dehnstuf. Kaus. as. fōrian, ahd. fuoren, nhd. führen, aisl. fø̄ra ds., ags. (als Iter.) fēran ‘gehn, ziehen’ (= av. pāráyati, aksl. pariti); ahd. fuora ‘Fuhre, Fahrt usw.’, ags. fōr f. ‘Fahrt, Wagen’; aisl. fø̄rr ‘fahrbar, geeignet’, ahd. gi-fuori ‘passend, bequem, nützlich’; Verbalabstr. aisl. ferð, ags. fierd, ahd. mhd. fart ‘Fahrt’ (*por-ti-);
russ.-ksl. na-perjǫ (= πείρω), -periti ‘durchbohren’; perǫ, pъrati ‘fliegen’; Iter. pariti ‘fliegen, schweben’ (= ai. pārayati, germ. *fōrjan); pero ‘Feder’; russ. poróm, skr. prȁm ‘Fähre’ (= aisl. farmr); vermutlich hierher auch aksl. porjǫ, prati ‘zerschneiden’; über nhd. Farn usw. s. Nachtrag S. 850.
per-tu-, por-tu-, Gen. pr̥-teus ‘Durchgang, Furt’: av. pǝrǝtu-š m. f. (urar. *pr̥tú-š) und pǝšu-š m. (urar. *pŕ̥tu-š) ‘Durchgang, Furt, Brücke’ (hu-pǝrǝθwa- ‘gut zu überschreiten’ = ‘Euphrat’); lat. portus, -ūs ‘Haustüre’ (XII tab.); ‘Hafen’, angi-portus ‘enge Passage, Nebengäßchen’; daneben ā-St. porta ‘Stadttor, Tor’ = osk. [p]úrtam; illyr. ON Nau-portus; gall. ritu- ‘Furt’ in Ritumagus, Augustoritum, acymr. rit, ncymr. rhyd, corn. rit ‘Furt’; ahd. furt, ags. ford ‘Furt’ (hochstufig aisl. fjǫrðr ‘enger Meerbusen’ aus *per-tu-s); daneben f. i-St. im nhd. ON Fürth (*furti-).
Nachtrag zu S. 817:
Zu ksl. pero ‘Feder’ gehören *por-no- ‘Feder’ in ai. parṇá- n. ‘Feder, Blatt’, av. parǝna- n. ‘Feder, Flügel’, as. ahd. farn ‘Farnkraut’ (*Federkraut), ags. fearn m. ds., lit. spar̂nas, lett. spàrns m. ‘Flügel’ (das s- von der Wz. spher-);
*prǝti-s in gall. ratis, mir. raith f. ‘Farnkraut’, bret. rad-enn Kollektiv ds.;
*po-port-i̯o- in lit. papártis, papartỹs ‘Farnkraut’, lett. paparde, paparske ds.; mit Dehnstufe slav. *paparti- f. in russ. páporotь usw. ds.
WP. II 21, Trautmann 206, Vasmer 2, 313.

WP. II 39 f., WH. II 344, Trautmann 206, 215 f.

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal