Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

vlonder - (losse houten brug)

Etymologische (standaard)werken

Diverse auteurs (2014-), etymologische artikelen, gepubliceerd op Neerlandistiek.nl

Etymologie: vlonder

vlonder zn. ‘plankier’
Mnl. vlonder ‘dwarsbalk van het houten kruis van Jezus’ (ca. 1400), vlonger ‘slootplank, smal bruggetje’ (1435, Keuren van Schieland), Nnl. vlonder ‘plank over een sloot’ (1580), vlunder (1682, Hollands). In moderne dialecten alleen in Noord- en Zuid-Holland.
vonder zn. ‘losse brug’
Oudnederlands -fundre in de plaatsnamen UUerfundre ‘Weervonder’ (1186, Vlaams-Brabant) en Ghetfondera, Ghetvondera ‘Geetvondel’ (1146–1152, kopie ca. 1265, Vlaams-Brabant); Middelnederlands Egbertus de Vondre (1280; Debrabandere 2003), vondere ‘smal bruggetje’ (1294, Mechelen). Nieuwned. vonder ‘bruggetje’ (1510–1519), vonder ‘balk bij diverse ambachten’ (1707).
vondel zn. ‘losse brug’
Vmnl. veldnamen ter vondelen (Oudenaarde, 1278–1282), ten scapsvondele ‘Op de Schaapsvondel’ (Vlaams-Brabant, 1297), persoonsnaam Vondelmans (1340; Debrabandere 2003: 1281). Nnl. vondele (1557). In de oudste fasen is vondele vooral Zuidnederlands, vergelijk de Antwerpse afstamming van Joost van den Vondel.
In moderne dialecten kwam of komt vondel her en der voor naast het overheersende vonder in Holland, Utrecht, Gelderland (tussen Utrecht en de Veluwe vonger), Overijssel, Drente, en Noord-Brabant, overal zonder umlaut. In Limburg en het Ripuarisch alleen vonder. Verwanten: Middelnederduits vunder ‘steeg’.
Over de etymologie zijn de meningen verdeeld. Terwijl sommige woordenboeken denken dat vlonder een bijvorm is bij vonder (Franck/van Wijk 1912), zien andere daar twee geheel verschillende woorden in (de Vries 1971). Mij lijkt het eerste veruit het waarschijnlijkst. De betekenissen zijn identiek, maar vonder/l is het oudere woord terwijl vlonder recenter en veel beperkter verspreid is. Dat wijst erop dat vlonder op vonder is geënt, bijvoorbeeld door overname van vl- uit vloer. De alternatieve etymologie die de Vries voor vlonder geeft, namelijk, identiteit met de vissoort vlonder ‘bot, schol, platte vis’, overtuigt niet.
Zowel vondere (Onl. fundra) als vondele zijn oorspronkelijk vrouwelijke zn. Welk van de twee de meest oorspronkelijke vorm is, is niet te zeggen. De r-vorm wordt weliswaar 100 jaar vroeger aangetroffen dan de l-vorm, maar dat kan toeval zijn. Zowel de reconstructie *fund-lō- als *fund-rō- passen bij gangbare typen van Proto-Germaanse afleidingen.
De basis *fund- is bekend als ablautvariant van het werkwoord vinden, en komt o.a. voor in Oudsaksisch fundōn ‘zich begeven naar’, Oudengels fundian ‘nastreven’ < PGm. *fundōjan- ‘proberen te vinden’, en Oudhoogduits funten ‘omhooggaan, zich opmaken’ < *fundjan-. WGm. *fund-lō-/-rō- zou daarbij oorspronkelijk ‘verbinding’, ‘toegang’ of ‘weg naar’ hebben kunnen betekenen.
Van de Indo-Europese wortel *pent-, *pnt-, waarvan Germaans *finϸan ‘vinden’ afstamt, is ook het woord *pont-, *pnt- voor ‘weg, pad’ afgeleid, waar onder meer Latijn pōns ‘brug’, Grieks pátos ‘weg’, póntos ‘zee’ vandaan komen. Dat woord is in veel takken van het Indo-Europees bekend, maar niet in het Germaans. Naamvalsvormen met de vorm *pnt- zouden in het Germaans (in pretonische positie) *fund- opleveren, zodat *fund-lō-/-rō- ‘vondel/r’ ook direkt van het woord voor ‘weg, pad’ zou kunnen zijn afgeleid, bijvoorbeeld als l-verkleinwoord (zie voor de betekenis ‘brug’ ook het Latijn). Maar gezien de afwezigheid van het basiswoord *p(o)nt- in het Germaans, en de beperking van vonder/l tot het Nederlands en Nederduits, houd ik bij deze laatste mogelijkheid een paar slagen om de arm.
Bronnen:
Frans Debrabandere. 2003. Woordenboek van de familienamen in België en Noord-Frankrijk.
http://www.meertens.knaw.nl/kaartenbank/kaart/dialectkaart.html?id=26160; http://www.meertens.knaw.nl/kaartenbank/kaart/dialectkaart.html?id=26161; http://www.meertens.knaw.nl/kaartenbank/kaart/dialectkaart.html?id=26183
[Michiel de Vaan, gepubliceerd op 05-11-2015]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

vlonder* [losse houten vloer] {1580 in de betekenis ‘losse brug’; de betekenis ‘losse vloer’ 1901-1925, vgl. vlogner [slootplank, smal bruggetje] 1435} mogelijk gevormd van vonder.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

vlonder znw. m., vgl. mnl. vlonger (holl. 1345) ‘vonder’, nnd. flunder ‘lap, strook’. Er is geen reden aan een bijvorm van vonder te denken. Eerder kan men verbinden met mnd. flundere v., laat-mhd. flunder (nhd. flunder), nzw. nnoorw. dial. flundra ‘bot, schol’, vgl. on. flyðra v. (< *flunþriōn) genasaleerde vorm naast mhd. vluoder daarnaast abl. mhd. flander. — Oorspr. ‘platte vis’, vgl. nnoorw. bet. ‘kleine platte steen’ en dus te verbinden met de groep van vlade. — De bet. van vlonder is niet alleen ‘los houten bruggetje’ maar ook ‘losse houten vloer’, wat zich uit een bet. ‘plat, vlak’ laat afleiden.

Van Ginneken Taaltuin 3, 1934-5, 192 heeft de l van vlonder willen verklaren door een mouillering der v van vonder; maar waardoor zou deze bewerkt zijn?

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

vlonder znw. Nog niet bij Kil. [Mnl. vlonder = “zware last”, of “balk van ’t kruis”?]. Misschien een jongere vorm naast vonder. Anders = laat-mhd. flunder (nhd. flunder m. v.), mnd. flundere v., eng. flounder (uit ’t Ngerm.), zw. en dial. noorw. flundra, on. flyðra v. “bot, schol (pleuronectes flesus)”, noorw. dial. flundra “kleine platte steen”; evenals het ablautende mhd. flander (nog dial.) “pleuronectes flesus” met de oorspr. bet. “plat ding” van den genasaleerden bijvorm der bij vlade besproken basis, idg. plā̌x-n-t-; vgl. vooral lat. planta “voetzool”; voor de bett. vgl. bij vlade, vlak I, vlet en schol II.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

vlonder. Mnl. (holl., 1345) vlonger (m.?) ‘vonder’. Of mnl. vlonder m. ‘dwarsbalk van het kruis’ (ook = ‘last’?) hetzelfde woord is, blijft onzeker. Dat vlonder een secundaire vorm naast vonder zou zijn, wordt niet waarschijnlijker gemaakt door de hypothese van v.Ginneken Taaltuin 3, 192., die de l als gevolg van vroegere mouillering der v (hier nog minder aannemelijk dan bij pleisteren II; zie pleisteren II Suppl.) wil verklaren.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

vlonder m. (plat stuk hout), Mnl. id. + Hgd. flunder, Eng. floundre = platvisch, Zw., No. flundra = bot + Lat. planta = voetzool; z. ook vloer.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Vla, van ’t Voorgerm. platan of plathan = het platte; vgl. ’t Gr. platus = breed, plat. Ook is verwant ons vlonder: voetplank, voetbruggetje. Zie ook Vlet en Vloer.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

vlonder ‘losse houten brug’ -> Duits dialect Funder ‘brug over een sloot’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

vlonder* losse houten brug 1580 [WNT]

Overige werken

Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.

plā̆t- (plā̆d-), plē̆t-, plō̆t-, plǝt- ‘breit und flach; ausbreiten’, Erweiterung zu pelǝ- : plā- ds., s. dort; zum Vokalverhältnis vgl. plāk- : plēk- ds. und plāk- : plēk- : plĕk- ‘schlagen’, plet-i̯o-/-i̯ā ‘Schulterbreite’, plet-os- ‘Breite’, pletǝ-men- ‘Breite’; pletǝ-no- ‘breit’, pl̥tǝ-no- ds.; pl̥tu- ‘breit’, pl̥tǝ-u̯ī ‘die Große, Breite’

Arischen *pleth-: ai. práthati ‘breitet aus’, -tē ‘dehnt sich aus, verbreitet sich’, pr̥thá- m. ‘flache Hand’, práthas- n. = av. fraθah- n. ‘ Breite’, ai. pr̥thú-, av. pǝrǝθu- ‘weit, breit, geräumig’, fem. ai. pr̥thvī́, av. pǝrǝθwī (auch als Subst. ‘Oberfläche’), daneben von *pl̥t(h)ǝu̯- : pr̥thivī́ f. ‘Erde’ (‘Erdoberflache’) = gr. Πλάταια, gall. GN Litavī f., gall.-lat. Letavia, leg.*Litavia, ncymr. Llydaw ‘die Bretagne’, mir. Letha ds.;
arm. lain ‘breit’ (*pletǝ-no-).
gr. πλατύς ‘platt, breit’ (= ai. pr̥thú-), πλάτος n. ‘Breite’ (Umbildung von *πλέτος = ai. práthas- nach πλατύς), πλάτη ‘Ruderschaufel’, ὠμο-πλάτη f. ‘Schulterblatt’, πλάτανος ‘Platane’ (‘breitästig’); πλαταμών ‘jeder flache Körper’ (: ai. prathimán- m. ‘Breite, Ausdehnung’); πλαταγή ‘das Klatschen’; formell nicht recht klar sind παλαστή ‘flache Hand’, πλάστιγξ ‘flache Schale’;
lat. planta f. ‘Fußsohle’ (*pla-n-tā); planta ‘Setzreis’ ist Rückbildung zu *plantāre ‘den Boden ebnen’;
cymr. lled, corn. les, bret. let, led m. ‘Breite’ (aus dem n. *pletos = ai. práthas-), cymr. lledu, bret. ledaff ‘ausbreiten’, air. lethaim ‘dehne aus, erweitere’ (wohl auch air. leth n. ‘Seite’ usw.), Kompar. cymr. lled ‘breiter, weiter’ (*plet-is), air. letha ‘breiter’, Positiv *pl̥teno- in air. lethan, cymr. llydan, bret. corn. ledan ‘breit’, gall. Litana (silva), Litano-briga; mir. leithe ‘Schulter’ (*pleti̯ā), mir. lethech ‘Flunder’; air. less, cymr. llys ‘Burg’ (*pl̥t-to-?);
im Germ. mit Ablaut. а : ō: mhd. vluoder ‘Flunder’, nasaliert mhd. nd. flunder ds., mnd. vlundere ds., ndl. vlonder ‘dünnes Brett’, aisl. flyðra f. ‘ Plunder’, schwed. flundra ds., norw. auch ‘kleiner platter Stein’; germ. *flaþōn in ahd. flado ‘Opferkuchen’, mhd. vlade ‘breiter, dünner Kuchen’, nhd. Fladen, Kuh-fladen, norw. flade m. ‘kleine Ebene, flaches Feld’; mnd. vladder ‘dünne Torfschicht’;
lit. plõtyti ‘ausbreiten’, plótas ‘Platte’, plõtis ‘Breite’, lett. plãtît, plèst, dünn aufstreichen’; aksl. *plastъ ‘tortum’, russ. plast ‘Schicht’ (Wurzelf. *plāt-); lit. splečiù, splė̃sti ‘breiten, breitlegen’ (unsicher wegen des anl. s-, das in unserer Sippe sonst nirgends), platùs ‘breit’ (a = o, verschieden von πλατύς, pr̥thú-), plantù, plàsti ‘breiter werden’, apr. plasmeno f. ‘Vorderhälfte der Fußsohle’; von der Wurzelf. plĕt-: lit. plėtóti ‘sich ausbreiten’, aksl. plesna ‘Fußsohle’ (*plet-s-nā, zum es-St. ai. práthas-); aber slav. *plęsati ‘tanzen’ wegen lit. plęšti nicht hierher (*plenk̑-);
aksl. plešte ‘Schulter’, russ. plečȅ ds. (russ. bělo-plekij ‘weißschultrig’, Neubildung zu plečȅ = abg. plešte, vgl. oben mir. leithe).
Mit auslautender Media: aisl. flatr, ahd. flaz ‘eben, flach’, as. flat ‘flach, untief’ (vollstufig mnd. vlōt ds.), aisl.-ags. flett n., as. flet, fletti ‘Fußboden im Haus’, ahd. flazzi, flezzi ‘geebneter Boden, Tenne, Hausflur, Vorhalle’ (nhd. Flötz ‘ebene Bergschicht’); ahd. flazza ‘Handfläche’; lett. plañdît ‘breit machen’.

WP. II 99 f., WH. II 316 ff., 319 f., Trautmann 222 f., 225 f.

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal