Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

vlijt - (ijver)

Etymologische (standaard)werken

Michiel de Vaan (2014-2018), Addenda EWN, gepubliceerd op www.neerlandistiek.nl"

vlijt zn. ‘ijver’
Oudnederlands fliz ‘aandrang, vlijt’, flizech bn. ‘ijverig’, flizlicher bw. ‘ijveriger’, flizan ww. ‘ijveren’, pret. fleiz (ca. 1100; de tekst waarin deze vormen voorkomen bevat Hoogduitse kenmerken, zoals hier de z).
Middelnl. flit m. (1200, Servaasfr.), vliit (1270–1290) ‘ijver, inzet’, ook ‘spoed, haast’; vliteleke bw. (1284, Dordrecht) ‘ijverig’; vlitech(1240, Limburg), vlitich (1340–1360) ‘toegewijd’. Ww. vliten ‘zich beijveren’ (ca. 1300, Limburgse Sermoenen); ook vervlijten met deelwoord vervleten.
Nnl. vlijt v., in Brabant en Limburg m. ‘ijver, zorg, moeite, passie’ (1540), Gelders vliet (1567); vlijtelijk bw., bn. ‘ijverig, toegewijd, nauwkeurig’ (1525), na de 17e eeuw vervangen door vlijtig ‘wakker, toegewijd, vlug, ijverig’ (ca. 1540; vlietigh 1562); bevlijten ww. ‘werk van iets maken; zich oefenen’ (1597), vervlijten ‘vlijtig worden’ (1588; sporadisch), waarvan het deelwoord vervleten in de 16e en 17e eeuw frequent voorkomt als ‘zeer gesteld op, geoefend, toegewijd’ (1528).
Verwante vormen: (a) Oudsaksisch flīt m. ‘ijver’, flītlīko bw. ‘ijverig’; Middelnederduits vlīt m., vlītelīke bw., vlītich bn., Oudhoogduits flīz m. ‘ijver, inspanning, nauwgezetheid’, Mhd. vlīz, Nhd. Fleiß; Oudfries flīt m. ‘vlijt’, flītich ‘vlijtig’, flītlik ‘ijverig’; Oudengels flīt o. ‘strijd’. (b) Oudsaksisch andflītan ww. ‘streven’, Mnd. vlīten, Ohd. flīzan ‘ijveren, strijden’, Mhd. vlīzen, Vroegnhd. fleißen (Nhd. deelw. beflissen), Oudengels flītan ‘wedijveren, vechten, zich inspannen’, MoE dial. flite, flyte ‘kijven’.
Op basis daarvan kunnen we een PGm. sterk ww. *flītan reconstrueren en een zn. *flīta- m. De oudste betekenis kan ‘wedijveren, strijden’ zijn geweest of ‘ijveren, zich inzetten’. Verdere etymologische verbindingen zijn onzeker. Germaans *flīt- kan op PIE *pleid- teruggaan, en Kroonen (2013: 147) verbindt daarmee Middelwelsh llwydaw ‘lukken’ < *pleid-. Het Etym. Wb. des Althochdeutschen (deel III, p. 398) daarentegen herleidt *flītan ‘strijden’ tentatief tot de s-loze variant *pleid- van het PIE ww. *(s)pleid- ‘splijten’, waaruit o.a. Nl. splijten stamt.
Semantisch lijkt mij binnen het Germaans ook een verbinding met het sterke ww. PGm. *flīhan ‘ordenen, voegen’ mogelijk, waaruit o.a. OS geflihid / gefliit ‘richt tegen’ of ‘verzoent zich met’, Mnl. vliën ‘schikken, verzoenen’, Nnl. vlijen ‘zacht neerleggen’, Fries flije ‘schikken, gelegen komen’. Het verschil in eindmedeklinker tussen *flīhan en *flītan kan dan alleen verklaard worden op basis van een oudere basis *flī-, waarvoor geen verdere aanknopingspunten bekend zijn.
[Gepubliceerd op 25-05-2017 op Neerlandistiek.nl]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

vlijt* [ijver] {1285 in de betekenis ‘ijver, strijdlust, nijd’; vgl. vlitech [vlijtig] 1201-1250} oudsaksisch flīt [strijd, ijver], oudhoogduits flīz, oudfries flīt [vlijt], oudengels flīt [strijd]; etymologie onzeker.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

vlijt znw. v., mnl. vlijt m. ‘ijver, spoed, naijver’, os. flīt m. ‘strijd, ijver’, ohd. fliʒ m. ‘ijver, inspanning, nauwgezetheid’ (nhd. fleiss), ofri. flīt m. ‘vlijt’, oe. flīt o. ‘strijd, scandalum’. Daarnaast het ww. mhd. vlīzen (vgl. nhd. deelw. beflissen), os. oe. flītan ‘vechten, zich inspannen’. — Geen verwanten buiten het germ. — Zie ook: bevlijtigen.

De verklaring uit een germ. *þlita- (met substitutie van fl- voor þl-, vgl. vlieden) en dit uit een idg. *tlī-do naast *stlīti in oudlat. stlīs, lat. lis ‘twist’ is zeer gewaagd.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

vlijt znw., mnl. vlijt m. “ijver, spoed, naijver”. = ohd. flîʒ m. “ijver, inspanning, nauwgezetheid” (nhd. fleiss), os. flît m. “strijd, ijver”, ofri. flît m. “vlijt”, ags. flît (m.?) “strijd, scandalum”. Hierbij ’t sterke ww., bij bevlijtigen besproken. Oorsprong onzeker. Misschien germ. * þlita- (voor den anlaut vgl. vlieden), idg.*tlî-do-, en verwant met *stlî-ti-, lat. lîs, oudlat. stlîs “twist”. Andere afleidingen, zooals die van den idg. wortel pli- “snijden” (voor verlengingen zie bij vlees), zijn al te vaag.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

vlijt. Ags. flît wsch. o.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

vlijt m., Mnl. id., Os. flît = strijd + Ohd. flîʒ (Mhd. vlîʒ, Nhd. fleisz), Ags. flít (Eng. to flite = twisten), Ofri. flít: niet verder na te gaan; indien fl uit Ug. þl dan verwant met Lat. stlis, lis = twist.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

vlijt ‘ijver’ -> Deens flid ‘ijver’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors flid ‘ijver’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds flit ‘ijver, toewijding, inspanning’ (uit Nederlands of Nederduits).

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

vlijt* ijver 1285 [CG Rijmb.]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

2670. Zuinigheid met vlijt bouwt huizen als kasteelen

Deze lof op de zuinigheid, die groote bezittingen doet verwerven, vindt men ook in het Latijn: magnum vectigal est parsimonia, zuinigheid is een groot inkomen (Cic. parad. 6, 3, 49; Senec. monit. 22). Het gezegde trof ik het eerst aan bij Harreb. I, 345; Nkr. IX, 28 Aug. p. 2: Hij weet dat men slechts met zuinigheid en vlijt een huis bouwt zoo duurzaam als een kasteel; Joos, 187: Spaarzaamheid met vlijt bouwt huizen gelijk paleizen. Sparen is een goede rent. Sparen leert vergaren; enz. Wander IV, 662: Sparsamkeit und Fleiss machen kleine Häuser gross. Sparsamkeit ist ein groszer Zoll. Sparen bringt Haben. (Aanv.) Somtijds wordt hier aan toegevoegd: en luizen als kameelen..

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal