Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

vliegenvanger - (vogel)

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

vlieëvangertjie: pln. (Drosera cistiflora, fam. Droseraceae), ben. blb. n.a.v. plant se kleefstof wat insekte soos vlieë vang, ook bek. as dou-, gly-, slak- en snotblom, v. Mar 79, 87 en 119 (vgl. ook 22, 32 en 75), nie by Scho PD nie, misk. later gedok.

Thematische woordenboeken

H. Blok en H.J. ter Stege (2008), De Nederlandse vogelnamen en hun betekenis, 4e editie, Leidschendam

VLIEGENVANGERSMuscicapidae
De familienaam is bepaald door het gedrag van de vogels om vanaf een uitkijkpost op insecten te jagen.

BONTE VLIEGENVANGERFicedula hypoleuca
Duits Trauerschnäpper
Engels Pied Flycatcher
Frans Gobemouche noir
Fries Bûnte Miggesnapper
Betekenis wetenschappelijke naam: vijgenpikker met witte onderzijde. Het is onduidelijk of de vogel hiermee gekarakteriseerd wordt als liefhebber van vijgen, dan wel van insecten die afkomen op de rijpe vruchten. De aanduiding ‘Bonte’ of ‘Bûnte’ verwijst naar het meerkleurige verenkleed van deze insecteneter. Het mannetje heeft een zwarte kop en bovendelen, het vrouwtje is op die plaatsen bruingrijs van kleur. De onderzijde van beide is witachtig en hierdoor bedacht men de namen Geelbuikige Vliegeneter en Geelborstje. Naast de variant Bûnte Miggefanger (Fr) leggen de meeste andere namen vooral de nadruk op de donkere kop en rug van het mannetje: Swartkopmiggefanger (Fr), Swartkopmiggesnapper (Fr), Zwartkupke (ONB), de vroegere naam Zwartkopvliegenvanger, Zwartrugvliegenvanger (ZH), en Zwarte Vliegenvanger (Lb, Vla). Zwartgrauwe Vliegenvanger was in het verleden de algemene naam voor de hier in de zomer aanwezige vorm van Middeneuropese herkomst, waarbij de kop en rug van het mannetje vaalbruin gekleurd is. De meer contrastrijke zwart-witte vorm is van Noordeuropese of Britse populaties afkomstig. Door het zwart-witte patroon van het verenkleed werd de Bonte Vliegenvanger soms vergeleken met een Ekster, hetgeen resulteerde in namen als Tuinekstertje, Tuunekster (Ach) en Klein Tuinekstertje (ZH). Deze namen wijzen tevens op zijn aanwezigheid in tuinen (en parken). Op Texel heet hij gewoon Fliegefanger.

GRAUWE VLIEGENVANGERMuscicapa striata
Duits Grauschnäpper
Engels Spotted Flycatcher
Frans Gobemouche gris
Fries Feale Miggesnapper
Betekenis wetenschappelijke naam: gestreepte vliegenvanger. Het grijsbruin gekleurde vogeltje leeft van vliegende insecten, die hier met de verzamelnaam ‘vliegen’ worden aangeduid. Verschillende volksnamen verduidelijken dat hij zich ook te goed doet aan muggen, bijen en spinnen. Bedoelde namen zijn onder meer Grijze Vliegensnapper, Vlegenvängerke (Lb), Vleegnsnappert (Twe), Miggefanger (Fr), Miggebiter (Fr), Muggefangerke (SFr), Mugnsnepperken (Twe), Muggenklapper en Muggensnapper (Gr). Vervolgens noteerden wij Biestekker (Zl), Bieknapper (Vla), Spinmeuske (Lb), Spinnekop (NB), Spinvûggelke (ONB) en Spinnejoager (ONB). Kenmerkend is dat de Grauwe Vliegenvanger vanaf een hoge uitkijkpost ineens op een voorbijvliegend insect afschiet om vervolgens weer naar dezelfde plaats terug te keren. Dit typerende gedrag komt naar voren in Levendigheid (NB), Plaatmenneke (Twe), Plaatvöggelken (Ach), Plaatvink(e) (Gd), Plaatmees, Plaatmus en Postjoantien. De laatste naam betekent zoveel als ‘Jantje op z’n post’ (vgl. de Engelse volksnaam Post Bird). Het element plaat in genoemde namen kan in enkele gevallen duiden op de ‘plaat’ onder het dak waar het vogeltje nogal eens nestelt. Het Brabantse Bonenzetter duidt op een hoge zitplaats op een bonestaak. Wandleppelke (Rij) heet hij vermoedelijk vanwege zijn kaarsrechte zit. Dat het vogeltje zich ook een enkele keer aan bessen te goed doet maken de namen Aalbessendief (ZH), Bessendief en Kersenpikkertje (Haa) duidelijk. Wijnpiepertje, Wienpieperke (Ach), Wientaprken (Rij) en Wientapperke (Rij) houden verband met het nestelen in de wijnstok. Deze namen zijn waarschijnlijk uit Duitsland afkomstig. Namen als Garendiefje (NB) en Wevertje (NB) verwijzen naar het nest, dat in elkaar gevlochten wordt met draadjes, haar, veertjes en delen van planten. Soms bouwt de Grauwe Vliegenvanger zijn nest tegen een muur in het latwerk voor een klimop of op een balk boven de schuurdeur; men noemt hem dan Latntukker (Twe) en Lattentukker (Ach). Het element ‘tukker’ komt mogelijk van zijn als “tsietuk-tuk” klinkende alarmroep. Zijn zang, niet meer dan wat scherp piepende geluidjes, klinkt door in de namen Pieperke (Lb), Piepvöggelke (Lon) en Tonenzettertje. De volksnamen Scherpbekkie (ZHW), Scherrebek (Zl), Gloeper (Twe), Fenienfreter ZVl), Fernienfretertje (Zl), Fenienschietertje (Zl) en Fenienstekkertje (ZVl) wijzen op het puntig snaveltje waarmee hij fenien ofwel insecten pakt. Enkele in Vlaanderen gangbare namen zijn Biezestekker, Leempikker en Lemerik.

KLEINE VLIEGENVANGERFicedula parva
Duits Zwergsnäpper
Engels Red-breasted Flycatcher
Frans Gobemouche nain
Fries Lytse Miggesnapper
Betekenis wetenschappelijke naam: kleine vijgenpikker. Dit is de kleinste vliegenvanger in Europa (112 mm), die gezien zijn formaat ook de naam Dwergvliegenvanger kreeg. Hij is ook Roodborstvliegenvanger genoemd vanwege de gelijkenis met de Roodborst, want het mannetje heeft een oranje keel. De soort trekt in voor- en najaar door ons land. Er zijn hier de laatste jaren ook enkele broedgevallen gemeld.

WITHALSVLIEGENVANGERFicedula albicollis
Duits Halsbandschnäpper
Engels Collared Flycatcher
Frans Gobemouche à collier
Fries Halsbânmiggesnapper
Betekenis wetenschappelijke naam: vijgenpikker met witte hals. Deze soort lijkt veel op de Bonte Vliegenvanger, maar het mannetje verschilt ervan door zijn witte halsband. Vroegere Nederlandse namen zijn Withalzige Vliegenvanger en Witgehalsde Vliegenvanger. Net als de ‘Bonte’ wordt hij Klein Tuinekstertje en Zwartrug-Vliegenvanger (ZH) genoemd. Andere voor zichzelf sprekende namen van deze dwaalgast zijn Zwartbonte Vliegenvanger (Wou), Zwartborstje (Wou) en Gekraagde Vliegenvanger. Een Vlaamse naam is Halsbandvliegenvanger. De oostelijke ondersoort, F.a. semitorquata, heet Balkan-Vliegenvanger. Deze draagt geen witte halsband en wordt door sommigen als een aparte soort beschouwd.

K.J. Eigenhuis (2004), Verklarend en etymologisch woordenboek van de Nederlandse vogelnamen, Amsterdam

Zwartgrauwe Vliegenvanger Oude N naam voor de Bonte Vliegenvanger ↑ [Albarda 1897; O&V 1925; Van Dobben 1957]. Eerder Zwartgraauwe Vliegenvanger [Schlegel 1852].

Bonte Vliegenvanger Ficedula hypoleuca (Pallas: Motacilla) 1764. In de oostelijke helft der Lage Landen vrij bekende broedvogel, in de westelijke doortrekker. Deze soort onderscheidt zich van de meer bekende Grauwe Vliegenvanger ↑ door een contrastrijker (zwart-wit), dus bonter verenkleed, hoewel dit verschil bij de ♀♀ en de jonge vogels minder is, en zelfs niet eens zeer uitgesproken bij sommige ♂♂. De oude N naam Zwartgrauwe Vliegenvanger ↑ was daarom zo verkeerd nog niet: de soort lijkt op de Grauwe Vliegenvanger, maar de donkere delen bij het ♂ zijn meestal zwarter.
Fries Bûnte Miggesnapper, E Pied Flycatcher (voor pied zie sub Bonte Tapuit), deens Broget Fluesnapper (deens broget ‘bont’) en R Moecholófka pestróésjka (R Му́ха móécha ‘Vlieg’; pestróésjka < пёстрый pjóstryj ‘bont’; niet te verwarren met Petróésjka ‘Jan Klaassen’, een ballet van Igor Strawinsky). Voor Vliegenvanger, zie aldaar.
BENOEMINGSGESCHIEDENIS B&O 1822 vermelden de soort nog niet. Schlegel 1852 vermeldt: “33. Muscicapa atricapilla, Linné. De zwart-graauwe vliegenvanger. In het najaar, in Noord-Brabant en Zuid-Holland waargenomen, geschoten en aan ons gezonden door den Heer Verster van Wulverhorst.”
Albarda 1897, Snouckaert 1908, Thijsse 1944 en Van Dobben 1957 gebruiken dezelfde naam als Schlegel, alleen graauw met één a gespeld. Coomans de Ruiter et al. 1947 en NAE 1958 vermelden de naam als in het lemma.

Grauwe Vliegenvanger Muscicapa striata (Pallas: Motacilla) 1764. In de Lage Landen broedende soort van Vliegenvanger, die soms dicht bij de boerderijen komt. De mensen zouden deze soort dus goed moeten kennen, wat ook wel uit de vele volksnamen blijkt. Anderzijds was deze Vliegenvanger (en alle andere ook) aan Linnaeus onbekend. Mogelijk had dat te maken met de onbestemde kleur van de soort. Grauw betekent hier nl. hetzelfde als bij de ongeveer gelijkgetekende Grauwe Gors te weten ‘kleurloos’; hier dan ws. tegenover de Bonte Vliegenvanger gesteld, die in het volledig zomerkleed contrastrijk zwart-wit getekend is (vgl. D Grauschnäpper tegenover Trauerschnäpper).
Schlegel 1852 noemt de soort “De graauwe vliegenvanger” en vermeldt verder: “Broeit overal in de Nederlanden. Trekvogel.” Het onderscheid in benaming met de Bonte Vliegenvanger die Schlegel 1852 nauwelijks kende, was bij hem niet zo krachtig: de laatste noemde hij nl. “de zwartgraauwe vliegenvanger”.

Kleine Vliegenvanger Ficedula parva (Bech stein1: Muscicapa) 1794. Deze kleine Vliegenvangersoort werd op 23 september 1888 voor het eerst in N waargenomen; sindsdien werd de soort vaker opgemerkt, maar het blijft h.t.l. een vrij zeldzame vogel. In het broedkleed heeft het ♂ een oranjerode borst (kan dan heel gemakkelijk met de Roodborst verward worden), maar op de trek verschijnen vooral de jonge vogels, die onopvallend zijn en daardoor misschien over het hoofd gezien worden. De soort is vrij lang voor de wetenschap verborgen gebleven en werd ook na 1793 pas vrij langzaam bekend. Schlegel 1844 (p.50) meldt dat Swainson nog in 1838 méénde deze soort als nieuw voor de wetenschap te moeten beschrijven. Schlegel 1844 noemt D Rothkehliger Fliegenfänger en F Gobe-mouche rouche-gorge [sic]. In 1858 noemt Schlegel de soort alleen bij de toenmalige wetenschappelijke naam (want de soort was nog niet uit N bekend), maar geeft wel een voorzet tot de latere N naam door op te merken dat zij kleiner is dan de overige soorten Vliegenvangers (wat ook in Lat parva ‘klein’ tot uitdrukking komt). Albarda 1897 noemt de naam als in het lemma (p.42). Voor het geslacht Siphia, waartoe de soort in die dagen gerekend werd, noemt hij de N naam Roodborstvliegenvangers. Fries Lytse Miggesnapper. Van Oort 1918-1935 noemt de soort Dwergvliegenvanger [Brouwer 1954 p.179].

==

1 Voor Bechstein: zie sub Bosrietzanger.

Vlegenvanger Vleegnsnappert Vlegenvängerke Vlegenpitser Namen voor de Grauwe Vliegenvanger in resp. Achterhoek, Twente en Limburg [Schaars 1989; B&TS 1995; Rynja 1983]. Vlegensjneppe(r) komt in de Achterhoek (die aan Duitsland grenst) voor [Schaars]. Wüst 1970 spelt D Fleegenschnepper en geeft bovendien de namen (/spellingen) Fleigensnepper en Fleiefänker (= ‘Vliegenvanger’).
Het eerste element betekent ‘Vliegen-’; zowel Vlieg als Vleeg komt voor in de Achterhoek, syn- chroon met de ww.en vliegen en vlegen [kaartjes in Schaars 1989 p.316 en 339].
De [ee]-klank in sommige achterhoekse/nederduitse woorden correspondeert met de [ie]-klank in het N (en het D); zo is er deep (‘diep’, D tief), neet (‘niet’, D nicht), leten (‘lieten’, verleden tijd van laten, D ließen) en reet ‘Riet’ (zie Reettute). Voor nederduits Deef ‘dief’ zie sub Diefje. Vgl. ook achterhoeks Geetling/Gieteling ↑, maar dit correspondeert met [ei] in het nederduits (Geitlink, Gaidling etc.), en in de grondwoorden N Geit en D Geiß.

Vliegenvanger Algemene benaming voor een viertal in N voorkomende soorten uit de geslachten Muscicapa en Ficedula. Fries Miggesnapper, achterhoeks Vlegenvanger. Zie ook Fe(r)nienfreter. D Schnäpper <Fliegenschnäpper (vgl. sub Vijgensnip), voordien Fliegenfänger.
Mnl vlieghenvangher komt voor in JvM c.1266: vs.2682 Want hi al bi vlieghen levet, / Ende gaept wide daer hise hevet, / So datter hem in die kele / Te samen dicke vlieghen vele: / Dies heetmenne muscicapa, / Dats vlieghenvangher in Dietsche wel na.
ETYMOLOGIE N Vlieg <mnl vliege; achterhoeks/limburgs Vleeg; mnd vlēge; D Fliege <mhd vliege, vliuge, vleuge <ohd fliege, fliuga, flioga; E Fly <middelengels flie <oudengels flēoge; noors/zweeds/færøers/ijslands Fluga, deens/noors Flue <oudnoords fluga; fries Mich (= Vlieg Muscidae) is niet verwant, maar fries Flie (= Mensenvlo Pulex irritans) vermoedelijk wel. Vlieg is afgeleid van het ww. vliegen (zie sub Vliegende Krodde) en Vlo (vermoedelijk) van het ww. vlieden.
vanger: van N ww. vangen <mnl vaen <ohd/gotisch fahan <idg *pank (Klankwet nr.7).

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal