Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

vlieg - (insect van de orde Diptera)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

vlieg zn. ‘insect van de orde Diptera
Onl. fliega in de samenstelling hundesfliega ‘bepaalde grote vlieg’ [10e eeuw; W.Ps.], als toenaam van (gelatiniseerd) Gelnotus Flige [1155, kopie 1201-50; ONW] (als beroepsbijnaam van iemand die met jachtvogels jaagt of als bijnaam naar een overeenkomst met het insect); mnl. vlieghe ‘insect’ in dat u die uligen sere minnen ‘dat de vliegen verzot op u zijn’ [1220-40; VMNW], ulige ‘vlieg’ [1240; Bern.], Tland ward so versuard van vlieghen. ‘het land zag zo zwart van de vliegen’ [1285; VMNW].
Algemeen West-Germaanse afleiding van → vliegen.
Os. fliega (mnd. vlege); ohd. flioga (nhd. Fliege); oe. flēoge (ne. fly); alle ‘vliegend insect’; < pgm. *fleugō-. Daarnaast met nultrap on. fluga ‘id.’ (nzw. fluga) < pgm. *flugō-.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

vlieg* [insect] {vliege 1201-1250} afgeleid van vliegen.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

vlieg znw. v., mnl. vlieghe v. ‘vlieg, mug’, os. fliega, ohd. flioga (nhd. fliege), oe. fleōge (ne. fly), nnoorw. fliuga ‘vlieg’. Daarnaast een vorm met -jōn-suffix in ohd. fliuga, mhd. fliuge, vroeg-nhd. fleug en abl. on. fluga. — Afl. van vliegen.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

vlieg znw., mnl. vlieghe v. “vlieg, mug”. = ohd. flioga (nhd. fliege), os. fliega, ags. flêoge (eng. fly), noorw. fljuge v. “vlieg”. Met suffix -jôn- ohd. fliuga (oudnhd. fleug) v., met ablaut on. fluga v. “id.”. Bij vliegen. Voor een ouder woord voor “vlieg” zie mug.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

vlieg v., Mnl. vlieghe, Os. fliega + Ohd. flioga, fliuga (Mhd. vliege, Nhd. fliege), Ags. fléoge, flúge (Eng. fly): van denz. stam als ʼt praesens van vliegen.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

vleeg (zn.) vlieg; Aajdnederlands fliega <901-1000>.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

1vlieg s.nw.
Bekende huisinsek met twee vlerke.
Uit Ndl. vlieg (Mnl. vlieg(h)e). Eerste optekening in vroeë Afr. in 1803 (Scholtz 1965: 201 - 202), waarna in Afr. by Mansvelt (1884) in die vorm vlie'e 'vlieë' en by Postma (1896).
D. Fliege, Eng. fly (ongeveer 950).

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

vlieg I: s.nw. gevleuelde insek (lid v. d. Orde Diptera); Ndl. vlieg (Mnl. vlieghe, “muggie; vlieg”), Hd. fliege, Eng. fly, hou verb. m. vlieg II.

J. du P. Scholtz (1961), Afrikaanse woorde en uitdrukkinge - eiegoed of erfgoed?, uitgegee deur Edith H. Raidt, in: Tydskrif vir Geesteswetenskappe, pp. 235-290

Vlieg snw. Segsw.: Dit beteken so veel as ’n vlieg in ’n brouketel. – In Noord-Nederlandse spreekwoordeversamelinge lui dit altyd: Zoveel als een boon... (sien Stoett no. 307). Vier Suid-Nederland vgl. Corn. en Vervl. 305: Zoveel helpen als ’n vlieg in ’nen brouwketel. Eweso by Rutten en Tuerlinckx. By Harreb. II, LXXXII: Dat heeft zoveel te beduiden, als een mug in een’ brouwketel.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Vlieg: het vliegende diertje.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

vlieg ‘insect; (verouderd) iets dat vliegt’ -> Frans flèche ‘pijl; hatelijkheid; ski-slalom; spits object; richtingaangever’ Frankisch; Spaans flecha ‘pijl; (weg)wijzer; torenspits, spits’ <via Frans>; Negerhollands vliegi, fligi ‘insect’; Creools-Engels (Maagdeneilanden) † fligi ‘insect’ <via Negerhollands>.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

vlieg* insect 1240 [Bern.]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1571. Van een mug (of een vlieg) een olifant maken,

d.i. een kleinigheid belachelijk overdrijven (Ndl. Wdb. X, 121; IX, 1194), hetzelfde als van een luis een schildpad maken (Harreb. II, 41); van een veest of een scheet een donderslag maken; vgl. R. Visscher: Weermaecksters van donderende veesten (V. d. Laan II, 99); Schuerm. 581; Antw. Idiot. 1069; Tuinman I, nal. 30; Harreb. I, 143; hd. einen Furz für einen Donnerschlag ansehen); van een vingerlid eene el maken ('t Daghet, XII, 144); eenen donderslag maken van eene neute, die kraakt (De Bo, 749); hy maakt van een strooyen kruis een looden kruis (Tuinman I, nal. 29). De uitdr. komt in de 17de eeuw voor bij Idinau, 292: Ten is gheen kleyn dinck, een peerdt in een wiege: Dat seght-men uyt spot, van sulcke verwaende die een oliphant maecken van een vlieghe; De Brune, 25: Hy maect ons met zijn diep verstand van vliegh of mugh' een olyfant. Zie verder Tuinman I, 231: Zoo maakt men van een splinter een balk, en van een muis een olifant; Halma, 733: Van eene vlieg eenen olifant maaken, eene zaak zeer vergrooten, faire d'une mouche un éléphant; Harreb. II, 107 b; Villiers, 83. Dezelfde uitdr. bestaat ook in het Fransch, het Duitsch, het Engelsch, het Zweedsch, het Deensch en het Italiaansch; hoogstwaarschijnlijk is zij ontleend aan het Grieksch ελεφαντα εκ μυιας ποιειν; zie Wander III, 744 en Otto, 39.

2431. Iemand eene vlieg afvangen,

eig. iemand iets afvangen, waarbij het znw. ‘vlieg’ zich als vanzelf aanboodZie Gids, 1909 (Maart), bl. 536; Nieuwe Taalgids, III, 176.; iemand behendig eene kans afkijken, hem verschalken door hem te voorkomen in iets, waarvan hij zich eenig genoegen, voordeel of eer beloofde (Ndl. Wdb. I, 1732). Vgl. V. Janus III, 39: Weinig reken ik op uwe toegevendheid, ik weet immers maar te wel, dat het de plicht van elk onzer, hoofd voor hoofd is, elkander zoo veele vliegen aftevangen, als ons mogelijk is; Van Eijk II, 90: Hij vangt hem een vlieg af, hij verschalkt hem in zijne onderneming; Harrebomée II, 391 b; Lvl. 81; De Arbeid, 29 Aug., p. 4 k. 4: De gezanten moeten al hun diplomatische kunde ten toon spreiden om elkander een vlieg af te vangen; afrik. iemand 'n vlieg afvang; Antw. Idiot. 149: iemand afvangen, in verlegenheid, in moeilijkheid brengen; afgevangen zijn, gefopt, in verlegenheid gebracht zijn; Tuerlinckx, 39: afvangen, bedriegen, beetnemen; Waasch Idiot. 67: afvangen, bedriegen, een kwade perte spelen; Teirl. 53.

2432. Ergens niet zijn om vliegen te vangen,

d.i. ergens niet zijn om den tijd te verbeuzelen. Vgl. in de 16de eeuw bij Servilius, 127: Muscas depellere, etiam hodie vulgato ioco dicitur, qui iocoso (sic) atque inutili fungitur officio, hij moet hem de vliegen keeren; Sartorius III, 8, 38: Muscas depellere, τας μυιας απαμυνειν, de vliegen afkeeren, de eo, qui otioso atque inutili fungitur officio; Paffenr. 91: Men weet wel dat hy daer niet quam om vliegen te vangen; Halma, 662; 733: Ik zitt' hier niet om vliegen te vangen, ik ben hier niet om vergeefschen arbeid te doen; Tuinman I, 50: Ik ben hier niet om vliegen te vangen, de zin is, myn werk is geen beuzelingen, maar dingen van aangelegentheid te verrichten. 't Is genomen van Keizer Domitianus, die gewoon was zich dagelyks een wyl alleen in zyn kamer te besluiten, alsof hy daar iets gewigtigs te doen had, en dan dien tyd doorbragt met vliegen te vangen’Vgl. Suetonius, Dom. 3.. Een gelykluidend spreekwoord is: ik ben hier niet om de ganzen te hoeden waar toe men kleine boerenjongens gebruikt’Vgl. Tuerlinckx, 202.. Het is niet waarschijnlijk dat deze bewering van Tuinman juist is, daar reeds bij den Griekschen schrijver Aristophanes τας μυιας απαμυνειν, de vliegen afweren, in onze beteekenis voorkomt. Zie verder Suringar, Erasmus, CXXVI; De Arbeid, 11 Febr. 1914, p. 4 k. 1: De vakvereenigingen zijn er niet om vliegen te vangen en laten zich niet met een kluitje in het riet sturen, veel minder negeeren; Boefje, 10: Die kreeg 't werachies toch ook niet met vliegevange bij mekaar, die ongelukkige zeve gulde in de week; bl. 70: Gane julie maar vliege vange; Schrader, 9; hd. ich bin nicht hier um Fliegen zu fangen; fr. je ne suis pas ici pour enfiler des perlesVgl. Sewel, 14: Wy zyn hier niet om paerlen aan te rygen, we are not here to trifle; Harreb. II, 172: Hij staat daar niet, om paarlen te snoeren.; eng. I do not sit here to pick straws.

2433. Twee vliegen in één klap (of lap) slaan (of vangen),

d.i. twee oogmerken tegelijk bereiken. Vgl. Idinau, 65:

 Twee vlieghen met eenen lappe sy slaen,
 Die met een moeyte twee dinghen bekomen.
 T' gheluckt soo, of t' is met ernste ghedaen:
 Alst komt, t' werdt meest in 't goede ghenomen.
 Men prijst, die hen tot deughden ver-vromen.

Hooft, Brieven, 400: Wy zouden 'er etlijke te lijf slaan, ende midlerwijle twee vliegen met een' lap; Ged. II, 349 vs. 1312: t Komt profytelijck uyt, men slaet twee vlieghen mit ien lap; De Brune, 279: Het moest wel met gheluck toe-gaen, twee vlieghen met een lap te slaen; Bank. II, 209: Die zijn zaecken wel aen-leght, kan somtijds twee vlieghen met eenen lap slaen; Tuinman I, 274; Adagia, 60: Twee vliegen in eenen lap slaen, in saltu unico duos aperos capere; Van Effen, Spect. VII, 78; IX, 150; Sewel, 897: Twee vliegen met een' klap slaan, to kill two crows with one stone; zoo ook W. Leevend II, 83; Schoolblad, XLIII, k. 994; Het Volk, 21 Febr. 1914, p. 5 k. 4: Nu kan men twee vliegen in één klap slaan, door het Gooi heelemaal af te zanden en alle Amsterdamsche grachten te dempen; 4 April 1914, p. 1 k. 1: Wellicht hopen zij twee vliegen in één klap te slaan, en naast de versterking van hun ekonomische machtspositie, ook politiek profijt uit deze worsteling te winnen; afrik. twee vlieë in een klap slaan; Waasch Idiot. 717: twee vliegen in één lap, twee werken met ééne moeite; Schuermans, 820 b: twee vliegen in éenen slag (of in een lap) treffen, syn. van twee gaten met eenen bus stoppen (Schuerm. 86 a); twee duiven met éen boone vangen (De Bo, 275 b; De Brune, Bank. II, 209, vertaling van het ital. pigliar due colombi con una fava). Vgl. het lat. uno in saltu apros capere duos; Sart. I, 7, 67: twee vogelen schieten met een bout; III, 7, 41: met een sprongh twee hasen bespringen; twee kraeyen met een schoot schieten; Servilius, 23: met eender dochter twee behoude sonen crijgenVgl. Le Roux de Lincy (anno 1842) I, 152; II, 391., hetzelfde als twee swagers (schoonzoons) met een dochter maecken (Sart. I, 7, 68; Volkskunde XVI, 64); De Brune, Bank. II, 209: twee muyren met een quispel witten, vertaling van het lat. duos parietes de eadem dealbare fidelia (Suringar, Erasmus, LXII); hd. zwei Fliegen mit einer Klappe schlagen, - mit einem Schlage fangen; eng. to kill two birds with one stone; de. at slaae to Fluer med eet Smaek; fri. twa miggen of mosken yn ien flap fange.

Overige werken

Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.

pleu- ‘rinnen (und rennen), fließen; schwimmen, schwemmen, gießen; fliegen, flattern’, wohl Erw. von pel- ‘fließen, schwimmen’, und ursprüngl. ds. wie pel(eu)- ‘füllen voll’ (‘Überfluß, überfließend’), plu-to- ‘schwimmend’, plu-ti- ‘das Überfließen’, plou̯i̯om ‘Fahrzeug’, plóu̯o-s ‘das Schwimmen’, plou̯ó-s ‘Schiff’

Ai. plávatē ‘schwimmt, schwebt, fliegt’ (= gr. πλέω, lat. perplovēre, aksl. plovǫ), pravatē ‘springt auf, eilt’ (hier und in av. ava nifrāvayenta ‘sie lassen im Fluge heimkehren’, usfravā̊nte ‘(die Wolken) steigen auf’ kann auch ein idg. preu- ‘springen’ vorliegen); Kaus. plaváyati ‘läßt schwimmen, überschwemmt’ (= serb. ploviti, ahd. flouwen, flewen);
dehnstufig ai. plāváyati ‘läßt schwimmen’, av. usfrāvayōit ‘daß er wegschwemmen könnte’ (= aksl. plavljǫ, plaviti ‘schwimmen lassen, schwemmen’);
plavá- ‘schwimmend; m. Boot, Nachen’ (= russ. plov·); plutá- ‘überschwemmt’ (= gr. πλυτός ‘gewaschen’), pluti- f. ‘Überfließen, Flut’ (= gr. πλύσις ‘das Waschen’), uda-pru-t- ‘im Wasser schwimmend’;
arm luanam, Aor. luapi ‘waschen’ (*plu()a-);
gr. πλέ(ϝ)ω (ἔπλευσα, πλεύσομαι) ‘schiffe, schwimme’ (Inf. ion. πλέειν, πλῶσαι ‘schiffen’, aber πλώειν, πλῶσαι ‘schwimmen’); ion. πλόος, att. πλοῦς m. ‘Schiffahrt’, (=klr. plov), πλοῖον ‘Fahrzeug’ (= aisl. fley ‘Schiff’); πλύ̄νω ‘wasche’ (*πλῠ-ν-ι̯ω; Fut. πλῠνῶ, Aor. Pass. ἐπλύθην), πλυνός m. ‘Waschgrube’, πλύμα n. ‘Spülicht’, πλυτός, πλύσις (s. oben); πλοῦτος m. ‘Fulle, Reichtum’; von der Dehnstufe plō[u]- außer πλώειν, πλῶσαι (s. oben), ἐπέπλων ‘beschiffte’, πλωτός ‘schwimmend, fahrbar’, hom. δακρυπλώειν ‘in Tränen schwimmen’ (von *δακρυπλώς);
illyr. FlN Plavis: lit. See N. Plavõs;
lat. perplovēre (Fest.) ‘durchsickern lassen, leck sein’, plovēbat (Petron.), pluit, -ere ‘regnen’; pluvius, pluor ‘Regen’;
air. loun ‘Reisekost’, loan, loon ‘adeps’ (*plou̯eno-; s. unten mnd. flōme); air. lu- ‘bewegen’, Abstr. luud ‘Antrieb’, luud ‘aries = Mauerbrecher’; auch cét-lud ‘coitus’; ess-com-lu- ‘proficisci’, ess-lu- ‘fortgehen, entkommen’, fo-lu- ‘fliegen’, lūamain ‘das Fliegen’, lūath ‘schnell’, lūas ‘Schnelligkeit’; air. lū(a)ë f. ‘Steuerruder, Ferse, Schwanz’, (*pluu̯i̯ā), cymr. llyw ‘Herrscher, Steuer, Schwanz’, acorn. loe ‘Herrscher’, mir. lūam ‘Steuermann’, cymr. llong-lywydd ds., bret. levier ds.;
ahd. Kausat. flouwen, flewen ‘spülen, waschen’ (= ai. plaváyati), aisl. flaumr ‘Strömung’, ahd. floum ‘colluvies; Fett (obenschwimmend)’, mnd. flōme f. ‘rohes Bauch- und Nierenfett’, nhd. Flom, Flaum m. ds., aisl. fley (= πλοῖον, *plou̯iom) n. ‘Schiff’; aisl. flūð f. ‘blinde Klippe’ (d. i. ‘überflutete’; ū : ō[ū] : ēu); plē- in mhd. vlǣjen ‘spülen’; plō[u]- in aisl. flōa, ags.flōwan ‘überfließen’, got. flōdus (: πλωτός), aisl. flōð f. n., ahd. fluot ‘Flut’, aisl. flōi m. ‘Sumpf’;
lit. Kausat. pláuju, plóviau, pláuti ‘waschen, spülen’, Fut. pláusiu (*plōusi̯ō); plū́tis ‘offene Stelle im Eise’; plevėsúoti ‘flattern’;
aksl. plovǫ, pluti ‘fließe, schiffe’, plujǫ ‘schwimme’, Kaus.-Iter. serb. plòviti ‘schwemmen, schwimmen’, russ. plov ‘Boot’, klr. plov ‘natātiō’, dehnstufig aksl. plaviti ‘schwimmen lassen’, -sę ‘navigare’, plavati ‘schwimmen’; serb. plȕta f., plȕto n. ‘Kork’; *plū- im Inf. russ. plytь, serb. plȉti;
toch. А В plu- ‘fliegen, schweben’, В plewe ‘Schiff’.
Erweiterungen:
pleu-d-: air. im-lūadi ‘exagitat’, imlūad ‘agitatio’, for-lūadi ‘schwenkt’, lūaid- ‘bewegen, erwähnen, äußern’; dazu mir. loscann ‘Frosch’ (‘Springer’); aisl. fljōta, ags. flēotan, as.fliotan, ahd. fliozan ‘fließen’; ags. flotian ‘schwimmen’, flota ‘Schiff’, floterian ‘to flutter’, änhd. flutteren ‘volitāre’; fragwürdig ist die Anreihung von got. flauts ‘prahlerisch’, flautjan ‘sich großmachen’, ahd. flōzzan ‘superbire’; lit. pláudžiu pláusti ‘waschen, reinigen’, lett. plaûst ds., lit. plústu, plū́dau, plū́sti ‘strömen, fluten, überfließen’, pludė̃ ‘Schwimmholz’, plūdìmas ‘das Strömen, Überfließen’, lett. pluduôt ‘obenauf schwimmen’, pludi, pludińi ‘Schwimmhölzer’, plûdi Pl. ‘Überschwemmung, Flut’, plūdît ‘ergießen, strömen; bewässern’; lit. plúostas ‘Fähre’ (*plōud-tā), pláustas ds. (*ploud-tā).
pleu-k-: schwed. norw. fly ‘Moor, Pfütze’ (*fluhja-); aisl. fljūga, ags. flēogan, ahd. fliogan ‘fliegen’ (die Beseitigung des gramm. Wechsels wohl durch Differenzierung gegen fliehen = got. þliuhan); dazu ags. fleoge, aisl. fluga, ahd. flioga ‘Fliege’; dissimil. aus germ. *flug-la- (vgl. ags. flugol ‘fugax’) wohl die Wörter für ‘Vogel’: aisl. fugl, fogl, got. fugls, m., ags. fugol, as. fugal, ahd. fogal m.; lit. plaũkti ‘schwimmen’; plùnksna f. ‘Feder’, älter plū́ksna.

WP. II 94 f., WH. II 326 f., Trautmann 223 f.

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal