Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

vlees - (spierweefsel)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

vlees zn. ‘spierweefsel’
Onl. flēsk ‘spierweefsel van dieren’ in Gang ... ut fan themo. flesgke. an thia hud ‘ga weg, van het vlees naar de huid’ [891-900; CG II-1, 39], ‘lichaam, het sterfelijke deel van de mens’ in fleisc min in herta min ‘mijn lichaam en mijn hart’ [10e eeuw; W.Ps.]; mnl. vleesch in Flesch mogen si eten al dat iar ‘ze mogen het hele jaar door vlees eten’ [1236; VMNW], Noch uisch noch vleesch ‘geen vis en geen vlees’ [1265-70; VMNW], .iiii. sticke ghesautens coeins vlees ‘vier stukken gezouten koeienvlees’ [1288-1301; VMNW].
Os. flēsk (mnd. vlēsk); ohd. fleisc (nhd. Fleisch); ofri. flāsk (nfri. flêsk naast fleis (< nl.)); oe. flæsc (ne. flesh); on. flesk (nzw. fläsk); alle ‘vlees’ (West-Germaans), ‘spek’ (Noord-Germaans), < pgm. *flaiska-, *flaiski-. De Oudnoordse vorm is mogelijk aan het West-Germaans ontleend (Kluge).
Met vergelijkbare betekenis: mnl. vlecke, vlicke ‘helft van een geslacht varken’; mnd. vlicke ‘stuk varkensvlees, stuk spek’; oe. flicce ‘id.’ (ne. flitch); on. flikki ‘id.’ (nno. flykkja); < pgm. *flik-jō-, bij de wortel van on. flík ‘lap’.
Of de twee genoemde groepen woorden etymologisch verwant zijn, is onduidelijk. Ook de verdere herkomst is onbekend.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

vlees* [spierweefsel] {oudnederlands fleisc 901-1000, middelnederlands vleesch(e), vleysch(e)} oudhoogduits fleisc, oudsaksisch flēsk, oudfries flask, flesk, oudengels flæsc, oudnoors flesk [spek]; buiten het germ. litouws pleišėti [scheuren], lets plaisa [scheur]; de grondbetekenis is ‘afgescheurd stuk’.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

vlees znw. o., dial. vleis, mnl. vleesc, vleisc, vlees, vleis, onfrank. fleisc, os. flēsk, ohd. fleisc (nhd. fleisch), ofri. flask, flesk, oe. flasc (ne. flesh) ‘vlees’, on. flesk, fleski ‘spek’. — De germ. grondvorm is *flaiska-, flaiski- < *flaihska-, flaihski en met de bet. ‘afgesneden stuk vlees’; het woord is verder te verbinden met mnl. vlicke, vlecke, mnd. vlicke, oe. flicce (ne. flitch), on. flikki o. ‘stuk spek’, vgl. ook oe. flæc ‘spek’ (< *flaiki); verder te verbinden met on. flīk, flīka ‘lap, punt’. — lit. pléišu, plė́išeti ‘scheuren, barsten’, plýštu, plýšti ‘scheren’, plyšy̌s, lett. plaîsa ‘scheur’.

IEW 835 neemt een idg. wt. *pleik aan naast *plek in on. flā (< *flahan), oe. flēan ‘villen’, on. flagna ‘ontschorst worden’, flengja ‘werpen’ naast lit. plė́šiu, plė́šti ‘scheuren’. Deze beschouwt Pokorny dan verder als gutturaal-afl. van *plē ‘afsplijten, afscheuren’, waarvan een s-afl. is on. flasa ‘dun schijfje, splinter’, fles ‘vlakke klip’, nnoorw. flasa ‘afsplinteren’, vgl. lit. plāskanos mv. ‘haarroos’. Deze wortels zijn dan verder terug te voeren op *(s)p(h)el ‘splijten’, waarvoor zie: spalk. Zie ook: splijten. (Vgl. Ten Cate-Silfwerbrand, Vlees, bloed en been 1958, 35-50). — Wat de verhouding van de vormen vlees : vleis betreft, merkt K. Heeroma Holl. Dial. Stud. 1935, 112 op en illustreert dit met kaart 22, dat voor 1500 vleysch heerste in Noord- en Zuid-Holl. tot aan de Maas, Utrecht en de Betuwe, terwijl vleesch voorkwam in Zeeland en Brabant; de laatste vorm is van Brabant naar Amsterdam gedrongen en heeft zich vandaar over een deel van Holland en Utrecht verspreid.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

vleesch znw. o., dial. vleis(ch) (zeer verbreide vorm), mnl. vleesc, vleisc, vlees, vleis o. = onfr. ohd. fleisc (nhd. fleisch), os. flêsk, ofri. flâsk, flêsk, ags. flæ̂sc o. (eng. flesh) “vleesch”, germ. *flaiska(z)-, flaiski(z)- (eventueel met þl-, vgl. vlieden). On. flesk o., dat ’t zelfde woord is, beteekent “spek”. We moeten wellicht van germ. *flaiχska-, -i- of eer -az-, -iz- uitgaan; dan zijn ags. flæ̂c “vleesch”, mnl. vlicke, vlecke, mnd. vlicke v., ags. flicce (o.? eng. flitch), on. flikki o. “stuk spek” verwant; al deze woorden kunnen met on. flîk v. “lap” van een idg. basis plī̆g- (ĝ?) “snijden” komen (voor de bet. “vleesch” vgl. lat. caro “vleesch”: umbr. karu “deel”), waarnaast plī̆q- in lit. pleikiù, pleĩkti “(een visch) den buik opensnijden” (vgl. echter bij vlijen). De combinatie hoogerop met lit. páltis “stuk spek”, obg. plŭtĭ (russ. plot’) “ vleesch” is mogelijk, als we voor alle genoemde woorden van een oerbasis pele-, wsch. = “snijden”, uitgaan. Het got. mimz o. “vleesch” is een idg. woord voor “vleesch”: vgl. obg. męso, opr. mensā, alb. miš, arm. mis, oi. mâṁs(á)- “id.” en de afl. ier. mîr “stuk vleesch”, lat. membrum “lid”. — ’t Mv. vleezen en ’t bnw. vleezig, nog niet bij Kil., zijn in de gesproken taal bij vlees gevormd naar analogie van woorden met s > z in de flexievormen en afll.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

vlees[ch] (slot). Bij got. mimz schijnt ndl. dial. wuns (Zaltbommel, Kerkdriel), wens (Yperen, Hoofdplaat) ‘vlees’ (v.Ginneken Taaltuin 2, 251) te behoren met gramm. wisseling; de w- door dissimilatie? Wegens de formele moeilijkheden zal men echter ook moeten denken aan mogelijke identiteit met het bij wen II genoemde ohd. wenist (de -t is dan aan het woordeinde na spirant afgevallen), dat evenals nhd. wanst behalve ‘pens, ingewand’ ook ‘vetlagen aan de buik’ betekent. De bet. ‘vlees’ zou dan gegeneraliseerd zijn uit ‘buikvet, (vet) buikvlees’. — Bij ier. mîr, lat. membrum adde: gr. mērós ‘dij’.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

vleesch o., Mnl. vleesc, Onfra. fleisc, Os. flêsc + Ohd. fleisc (Mhd. vleisch, Nhd. fleisch), Ags. flæ'sc (Eng. flesh), Ofri. flásk (= vet vleesch), On. flésk (= spek) (Zw. fläsk, De. flesk): wellicht afl. (Ug. *flaih-sk-) met ablaut, van vlek.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

vleis (zn.) vlees; Aajdnederlands flesk <891-900>.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

vlees s.nw. (verhewe)
Vleis.
Uit Ndl. vlees (Mnl. vlees(ch)). Eerste optekening in Afr. by Pannevis (1880).
D. Fleisch (8ste eeu), Eng. flesh (ongeveer 1000).

vleis s.nw.
1. Spiermassa van mense en diere. 2. Vleis (vleis 1) van diere as kos. 3. Eetbare sappige deel van vrugte.
Uit Ndl. vleis, 'n wisselvorm van vlees (Mnl. vlees(ch), vleys(ch) in bet. 1 en 2, 1546 in bet. 3). Reeds by Van Riebeeck (1651 - 1662), dikw. in die vorm vleys (Boshoff - Nienaber 1967), en later elders in 1750 in die vorm vlees (Scholtz 1972: 176). Eerste optekeninge in Afr. by Pannevis (1880) in die vorme vlees en vleisies 'stukkies vleis in kos' en by Postma (1896) in die samestellings zout-flys 'soutvleis' en stoweflys 'gestoofde vleis'.
D. Fleisch (8ste eeu), Eng. flesh (ongeveer 1000 in bet. 1). Vanuit Afr. in S.A.Eng. in die vorme vleis en vleesch (1899 in bet. 2).

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

vleis: – vlees (meestal fig., in idiom. uitdr., Bybelt., ens.) – , spierweefsel v. mens en dier; Ndl. vlees(ch), dial. vleis(ch), ondersk. veral SNdl. en NNdl. (Mnl. vlees(c)/vleis(c)), Hd. fleisch, Eng. flesh, mntl. verb. m. Eng. flitch, o.a. “stuk spek”, en flay, “vel afslag”, en Afr. vlek, “vis oopsny”, vgl. Kloe HGA 204, 293; by vRieb dikw. vleys.

Thematische woordenboeken

J. van de Kamp en J. van der Wijk (2006), Koosjer Nederlands: Joodse woorden in de Nederlandse taal, Amsterdam; inclusief ongepubliceerde aanvullingen door de auteurs

vlees: met dierlijk vet bereid voedsel, vleeskost, vleesspijs; vleesservies: stel vaatwerk bestemd voor ‘vlees’; zo ook: vleesdoek, vleesvork, vleeslepel, vleestafellaken, enz.; zie ook: melk, boter, minnesj; vleeslood: metalen merkje dat aan vlees wordt gehecht als het koosjer is (vgl. hal) | vert. van Jidd. flaasjting.

— O, die heerlijke nauwkeurigheid, waarmee moeder ‘vlees en melk’ uit elkander hield. Die aparte kasten ‘voor vlees- en melk-geschirr’ (gesjer in de zoete volksmond). Die pannen en potten, die borden en schotels, die kannen en koppen, die lepels, messen en vorken, die kwasten en doeken, die servetten en tafellakens! Hoe heeft moeder zich nu nooit vergist! Hoe precies wist moeder de weg in haar koosjere kasten! Hoe boos kon moeder worden als een ander bij vergissing een schoteltje van melkkost in haar vleeskast had gezet! [...] de Touroh zegt driemaal: “Gij zult niet koken het bokje in de melk van zijn moeder!” (Ex.23:19; Ex.34:26; Deut.14:21). Eénmaal, om het koken te verbieden van vlees in melk; éénmaal, om het nuttigen te verbieden van vlees in melk; éénmaal, om het genot te verbieden van vlees in melk. (M. DE HOND, 1928)
— Al eten ze nooit bok, de mamma’s in de buurt bezitten vaatwerk voor milchding, de melkspijs, en voor flaasjding, de vleesspijs, en ook nog een stel voor de spijzen die melk noch vlees zijn. Melk is melk en vlees is vlees en nooit zullen die twee elkander ontmoeten, nooit! (MEYER SLUYSER, 1962)
— Verdiep je in de vele serviezen, in de veelvuldige theedoeken, melk, vlees, vlees, melk, randjeszilver en glad namaakzilver, op donderdag om twaalf uur worst bij het brood, en dus thee zonder melk uit glazen met de vleeslepeltjes. (JOSEPHA MENDELS, 1950)
— Vlees moest zijn leeggebloed want bloed betekent: leven. Vlees mocht niet met melk of zuivelprodukten worden gemengd. Die prachtige zin, dat bijbelse gebod, schoot me te binnen: ‘Ge zult geen lam bereiden in de melk van zijn moeder.’ (FRANS POINTL, 1989)
— “Dat is vlees”, zegt Esther Barendse, wijzend op een grote pan aardappels op het vuur. Zij bedoelt dat de inhoud is voorbestemd om te figureren in een vleesmaaltijd, iets waar zij in dit stadium al rekening mee houdt. (ILEEN MONTIJN, 1990)

K. van Dalen-Oskam & M. Mooijaart (2005), Nieuw bijbels lexicon: woorden en uitdrukkingen uit de bijbel in het Nederlands van nu, uitgebreid met De Nieuwe Bijbelvertaling, Amsterdam

Alle vlees is als gras, de mens is vergankelijk.

Vlees wordt in bijbelse zin gebruikt voor de mens als wereldlijk, sterfelijk wezen, ook voor het (sterfelijke) menselijk lichaam. Het staat vaak tegenover geest (zie dat artikel). Alle vlees in alle vlees is als gras is dan zoveel als 'alle mensen, al het volk': 'Hoor, iemand zegt: Roep. En de vraag klinkt: Wat zal ik roepen? -- Alle vlees is gras, en al zijn schoonheid als een bloem des velds. Het gras verdort, de bloem valt af, als de adem des HEREN daarover waait. Voorwaar, het volk is gras. Het gras verdort, de bloem valt af, maar het woord van onze God houdt eeuwig stand' (Jesaja 40:6-8, NBG-vertaling; de NBV heeft 'mens' in plaats van 'vlees'). De vergelijking van mensen (of, zoals nog in de NBG-vertaling, vlees) met gras komt vaker voor in de bijbel en wordt in het moderne Nederlands nog maar zelden gebruikt. W.F. Hermans gebruikte deze gedachte in de volgende passage: 'In de Bijbel kon je hier en daar trouwens ook al lezen dat we grassprietjes waren. Precies. Zo was het en alles wat er nog meer in de Bijbel stond en daar niet mee rijmde, stond er alleen maar in voor de domoren' (Uit talloos veel miljoenen, 1989 (1981), p. 85).

Statenvertaling (1637), Jesaja 40:6. Alle vleesch is gras, ende alle sijne goedertierenheyt als een bloeme des velts.
Winkler kiest het gewone gras, dat per traditie staat voor ons leven ('alle vlees is als gras') en in dat opzicht onderscheidt hij zich als dichter dus van niemand. (Trouw, 27-7-1974)
[Bij een begrafenis:] De man van het Humanistische Verbond sprak nog enige woorden. Dat alle vlees als gras was, zei hij, maar dat de doden pas dood zijn als ze in niemands hart meer leven. (R. Peper, Een Spaans hondje, 1998, p. 25)

Het gaat hem naar den vleze, het gaat hem financieel zeer goed.

Als het iemand naar den vleze gaat dan is het aan hem te zien dat het hem in materieel opzicht -- financieel -- zeer voor de wind gaat. Deze uitdrukking komt niet rechtstreeks uit de bijbel, maar sluit aan bij het bijbelse gebruik van vlees. Een van de bijbelplaatsen die hier een rol heeft gespeeld is Romeinen 8:3-4, 'God heeft, door zijn eigen Zoon te zenden in een vlees, aan dat der zonde gelijk, en wel om de zonde, de zonde veroordeeld in het vlees, opdat de eis der wet vervuld zou worden in ons, die niet naar het vlees wandelen, doch naar de Geest' (NBG-vertaling; de NBV spreekt niet meer van 'vlees', maar van 'mens' en 'natuur'). Naar het vlees betekent hier: 'op wereldlijke wijze'.

Liesveldtbijbel (1526), Romeinen 8:3-4. [...] op dat die gherechticheyt vander wet geheischt, in ons veruult soude werden wi die nv niet na den vleesch en wandelen, maer na den geest.
En in Ieder pondje gaat door het mondje komt heel duidelijk tot uitdrukking dat het de Nederlander van nu naar den vleze gaat. (Onze Taal, 1991, nr. 5)
Het gaat Neways de laatste jaren naar den vleze. In 1993 verviervoudigde de winst tot 2,3 miljoen. Vorig jaar klom het bedrijfsresultaat scherp omhoog van 4,6 miljoen tot 7,2 miljoen gulden. (NRC, feb. 1995)

Vlees van iemands vlees, iemands eigen vlees, iemands naaste bloedverwant.

Vlees van mijn vlees komt uit Genesis 2:23, waar de eerste mens, als uit hem de eerste vrouw is gevormd, over haar zegt: 'Dit is nu eindelijk been van mijn gebeente en vlees van mijn vlees; deze zal "mannin" heten, omdat zij uit de man genomen is' (NBG-vertaling; de NBV heeft 'mijn eigen vlees' in plaats van 'vlees van mijn vlees'). Nu is de uitdrukking vooral nog van toepassing op de ouder-kind-relatie.

Liesveldtbijbel (1526), Genesis 2:23. Dat was een been van minen beenen, ende vleesch van minen vleesche.
Bauke slikt moeilijk, staart naar het stilleven van die handen op het geblokte kleedje voor hem. Deze jonge vrouw is vlees van zijn vlees. Zijn dochter... (J. Burgers-Drost, Als de liefde een kans krijgt, 1988, p. 160)
O dit vlees van mijn vlees, geest van mijn geest [de geliefde], / mijn vijanden, die met hun radar van kultuur / de onbevlekte elementen als met een vloek aanraken. (J.B. Charles, De gedichten tot 1963, 1963, p. 67)

Vlees worden, een lichaam krijgen, geboren worden, ontstaan; uit een idee tot realiteit worden. Bijna altijd als voltooid deelwoord.
Vleeswording, geboorte, vooral van Jezus gezegd.
Vleesgeworden, verpersoonlijkt; gerealiseerd.

Aan het begin van het Evangelie naar Johannes lezen we over Jezus, de Zoon van God (het Woord): 'Het Woord is vlees geworden en het heeft onder ons gewoond en wij hebben zijn heerlijkheid aanschouwd, een heerlijkheid als van de eniggeborene des Vaders, vol van genade en waarheid' (Johannes 1:14, (NBG-vertaling; de NBV heeft 'mijn eigen vlees' in plaats van 'vlees van mijn vlees'). Ook hier is vlees weer de aanduiding van het sterfelijke menselijke lichaam. Hierbij sluit vleesgeworden in de betekenis 'verpersoonlijkt' aan.

Liesveldtbijbel (1526), Johannes 1:14. Ende dat woort wert vleesch, ende woonde onder ons, ende wi sagen zijn heerlicheit als des eengeborenen soons vanden vader, vol genaden ende waerheit. (Statenvertaling (1637): Ende het Woort is vleesch geworden.)
Van Teylingen -- 'niets is onwerkelijker dan het lichaam' -- stierf op de dag van de vleeswording Gods, Kerstmis 1998. (Trouw, 31-12-1999, p.16)
Karine was het vleesgeworden besef van overbodigheid. (A.F.Th. van der Heijden, De sandwich. Een requiem, 1989, p. 74-75)
Maar zij zal zich van de domme houden. Ze zal zeggen: 'Moet je zien! Ben ik niet je vleesgeworden droom, voddenraper Alex?', net alsof ze nog altijd niet begrijpt dat hij vroeger alleen maar zo graag met oude lorren omzeulde om hun vader te ergeren. (R. Dorrestein, Een nacht om te vliegeren, 1987, p. 130)

P.G.J. van Sterkenburg (2001), Vloeken. Een cultuurbepaalde reactie op woede, irritatie en frustratie, 2e druk, Den Haag

vlees. In de historische eedformule bij Gods vlees worden God en zijn vlees ‘lichaam’ tot getuigen aangeroepen dat men de waarheid spreekt. Het ijdel gebruik van die eedformule maakt haar tot vloek, die, om anderen niet te kwetsen, verbasterd en dus afgezwakt kon worden. De verminking by gansch vleesch is tot in de 16de eeuw, maar daarna niet meer aangetroffen.

W. de Vreese (1899), Gallicismen in het Zuidnederlandsch, Gent

vleesch. - Op de volgende plaats is het woord vleesch gebruikt, ofschoon huid bedoeld wordt; blijkbaar heeft men te doen met eene verkeerde vertaling van fr. chair, dat zoowel huid als vleesch beteekent. || Het aangezicht ovaal, een vleesch als melk zoo frisch, BUYSSE in Nederland 1895, III, 133.

vleezen. - Naar het fr. chairs. In onze taal gebruikt men in gevallen als de onderstaande steeds het enkelvoud. || En zóó de kleuren, zóó de vleezen, die noch doorschijnend, noch glimmend, maar als met eene satijnen huid overtrokken zijn, ROOSES, Antw. Schildersch. 1, 28. In de vleezen is Massijs minder gelukkig dan in het overige van zijn werk, 1, 72. De kleur … der vleezen gaat van de tint van verschen tot die van gerookten zalm over, 1, 104. Bruinachtig zijn ook de vleezen, 1, 112. De vleezen zijn wat bleek en glimmend, 2, 19. De vleezen hebben eenen gezonden maar zuidelijken toon, 2, 20. Alleen de vleezen zijn minder gelukkig; zij zien er nu eens bleek, dan eens bruin of porseleinachtig, maar nimmer natuurlijk uit, 2, 27. De lastdragers, met hunne kloekgebouwde en lichtende, maar bruinachtige vleezen, doen aan Michaël Angelo denken, 2, 68. Zijne vleezen zijn mollig, 2, 111 (zie ook 1, 29; 1, 99; 1, 170; 2, 23; 2, 29; 2, 34 tweemaal; 2, 35; 2, 225; 2, 236 enz.).
– Op de volgende plaats is vleezen de vertaling van fr. viandes; men zegt vleeschsoorten. || Wat dit volk vraagt en wat het kan verduwen, is gezonde kost, natuurlijk voedsel. Zijn gehemelte is niet gesteld op gefaisandeerde vleezen, op overfijne wijnen, ROOSES, Derde Schetsenb. 20.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

vlees ‘spierweefsel’ -> Zuid-Afrikaans-Engels vleis ‘spierweefsel’ <via Afrikaans>; Rotinees falès ‘vlees (etenswaren)’; Negerhollands vleesch, fleis, flēs, vleis ‘spierweefsel’.

Dateringen of neologismen

R. Schutz (2007), Brekend nieuws, Nijmegen

dood vlees. Letterlijke vertaling van Engels dead meat = verdoemd; Maarre wel ophouden, of je bent dood vlees. Leuk dreigement trouwens!(2005); Jij bent dood vlees als je op mijn hoofdplaneet Geidi Prime komt met alleen je vloot.

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

vlees* spierweefsel 0901-1000 [WPs]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

619. De geest is gewillig, maar het vleesch is zwak.

Deze woorden zijn ontleend aan Matth. XXVI, 41: ‘Waeckt ende bidt, op dat ghy niet in versoeckinge en comt: de geest is wel gewillich, maer het vleesch is swack.’ Wij gebruiken dit woord meermalen ‘op schertsenden toon van opkomende goede voornemens, gepaard aan de uit de zinnelijke natuur voortkomende neigingen tot allerlei genot’; Zeeman, 213. Vgl. fr. l'esprit est prompt et la chair est faible; hd. der Geist ist willig, aber das Fleisch ist schwach; eng. the spirit is willing but the flesh is weak.

468. Een doorn in het vleesch.

Iets is iemand een doorn in het vleesch, wanneer het hem smartelijk en lastig is, het hem hindert, ergert, evenals een scherpe, puntige doorn in ons vleesch voortdurend smart veroorzaakt. De uitdr. is ontleend aan 2 Korinth. 12, 7: ‘Ende op dat ick my door de uytnementheyt der openbaringen niet en soude verheffen, so is my gegeven een scherpe doorn in het vleesch, [namelijck] een engel des Satan, dat hy my met vuysten slaen soude, op dat ick my niet en soude verheffen’. Vgl. Zeeman, 163-164; Vondel, Jos. in Dothan, 180: Een doren in de teenen; Huygens, Cluysw. 87; Tuinman I, 6 en Van Effen, Spectator X, 217; syn. iemand een doorn in den voet zijn (17de eeuw; zie Ndl. Wdb. III, 3012). Vgl. ook het Zuidndl. 't Is 'ne goeien doren uit den teen, de groote moeilijkheid is voorbij (Antw. Idiot. 370); fr. c'est une épine au pied; eng. a thorn in the flesh, in one's side.

839. Haring of kuit van iets willen hebben,

‘dat is, wat of niet, ik zal daar een kans naa waagen: dit is een Vissers spreekwoord, die soo sij geen Haaring kunnen vangen, ten minste eenige geschoote kuit in haar Netten verneemen’ (Winschooten, 76). De uitdr. staat opgeteekend bij Sartorius I, 1, 60: Nu wil ik daer kuyt of haring af hebben; zie ook II, 4, 40; Pers, 666 b: Don Johan van zijne tocht nu kuyt of haringh willende mede draghen; Rusting, 441; 517; Ndl. Wdb. V, 2213; Sewel, 427; Halma, 206: Ik zal 'er haring of kuit van hebben, ik zal 'er eene kans naar waagen; Tuinman I, 240, die haar gelijk stelt met: ‘ergens haar of pluimen van willen hebben’ (zie Ndl. Wdb. V, 1414; Hoeufft, 225). De uitdr. wordt thans gebezigd in den zin van: het zijne er van willen hebben, het rechte of juiste van eene zaak willen hebben; willen weten, waar men zich aan te houden heeft. Vgl. o.a. Menschenw. 227: Main kristus, riep Dirk, nu pas angstig bewust wordend de schade, daa's 'n bakkie, dá' mo'k sien!!.... da' mo'k hoaring of kuit van hebbe; Nkr. IX, 29 Mei p. 2: Zij zeiden: Hier moeten wij van hebben haring of kuit, en ze zonden eenige verspieders uit; Het Volk, 19 Maart 1914, p. 12 k. 2: Terecht hebben enkele liberale bladen de aandacht gevestigd op deze onzekerheid ten aanzien van de houding in de naaste toekomst van de rechtsche partijen te wachten met betrekking tot de tariefkwestie. Zij hebben terecht haring of kuit gevraagd; Prikk. V, 19: Daar moeten we haring of kuit van hebben; Vgl. ook Joos, 60: Hij zal er kuit noch haring van hebben, niets; Onze Volkstaal, II, 88: ik wil der haor of kuit van hebben (V.d. Water, 83); het fri.: ik scil der kút of hearring fen habbe; Harreb. II, 385: hij wil er vleesch of visch van hebben; Campen, 115: ick wilder Ey of Kuyken van hebben. Hier naast in Groot-Nederland, Oct. 1914, bl. 454: Ik mot er hom of kuit van hebben; Het Volk, 15 Febr. 1915, p. 1 k. 1: Hom of kuit! Haring noch kuit aan iemand hebben, niet weten wat men aan iemand heeft, wat men van hem moet denken; vgl. Handelsblad, 15 Juli 1920 (O.) p. 5: Dat zal ook den hoofdcommissaris plezier doen die altijd heeft gezegd, dat hij aan de communisten haring noch kuit had.

1047. Zich de kaas niet van het brood laten eten,

d.w.z. zich goed kunnen verdedigen, geen stumperd zijn, haar op de tanden nemen, zich het gras niet van onder de voeten laten maaien; zijn pottagie niet laten nemen, zooals vroeger ook gezegd werdNdl. Wdb. IX, 171.. Eig. luidt de uitdr. hi en sal hem sinen kase ende broot niet laten nemen, zooals bij Servilius, 191* staat en ook bij Winschooten, 242; Sart. III, 8, 96; Tuinman I, 54; Willem Leevend VIII, 233; Langendijk, Don Quichot, 34; Esopet, De ontdekte eenhoorn, 3 en Ndl. Wdb. III, 1542 te vinden is. Bij De Brune, 76 is sprake van kaas of brood, en in het ofr. kende men laisser manger son pain in den zin van se laisser maltraiterLe Roux de Lincy II, 210.. Zie ook Heinsius' Vermakelyken Avanturier I, 159: Wel wetende, dat Belindor geen vogel was, die sig syn kaas en brood (gelyk men segt) wanneer hy honger had, nemen liet. In het Mergh, 2de deel, 25, vinden we: hy sal hem zyn kasenbroot niet lae(ten?) nemen, waar kasenbroot de copulatieve verbinding is van kaas en brood, dat herinnert aan het mnl. casenbroot en den geslachtsnaam De Casembroot; evenzoo nog bij Potgieter 1, 4: (Onze voorouders) lieten zich hunne kaas en brood door die groote Heeren niet ontnemen. De zegswijze in den tegenwoordigen vorm vindt men bij Harreb. I, 97: Ik moet zien dat men mij de kaas niet van het brood afhale; Amst. 72: Jij laat de kaas ook niet van je brood eten; Jord. 263: Je kon hem de kemijne ook niet van z'n keggie afsnoepen; Nw. Amsterdammer, 17 April 1915, p. 3 k. 3: De tijden zijn voorbij, dat we ons de kaas van het brood lieten eten; Handelsblad, 30 Mei 1915 (ochtendbl.), p. 6 k. 5: Ze laten voortaan om den dood de kaas niet eten van hun brood; Nw. School, III, 193: Nou moesten ze bij hem aankomen met hart-voor-je leerlingen en met collegialiteit met je kaas-niet-van-je-brood-laten-eten. In Zuid-Nederland is de uitdr. ook bekend; zie Schuermans, 213 a; Tuerlinckx, 298: hij zal de kaas niet van zijn brood laten halen, waarvoor ook gezegd wordt: hij zal het vleesch van zijn brood niet laten halen (Schuermans, Bijv. 376 b; Rutten, 261 en Antw. Idiot. 304; 633); zijnen kaas laten pikken ('t Daghet XII, 159) naast zij laat het spek niet van haar bord halen; z'n laat 't vleesch van heur talloor nie langen (zie De Cock1, 169); zijn beetje niet laten pakken (Waasch Idiot. 782), waarvoor men volgens Eckart, 492 in Pommeren zegt: he lett sik nicht dat Spek ût 'n Kôl tên (ziehen). De Duitschers zeggen: sich (nicht) die Butter vom Brot nehmen lassen; in het Fransch is bekend: ôter à qqn son beurre; in het Friesch: hy lit him de tsiis net fen 't brea ite of hi lit him de sûker net fen de rys ite.

2415. Visch noch vleesch (of vleesch noch visch) zijn.

Dit wordt gezegd van iets of iemand dien men niet tot een bepaalde groep of soort kan brengen; van iets halfslachtigs; tot geen partij behooren, ook: dubbelhartig zijn (Van Eijk); een nietig mensch zijn (Van Dale). Vgl. Campen, 106: t' Is vis noch vleysch, hij is een sukkel; Servilius, 113*: Albus an ater sis nescio, ic en weet niet of gy visch oft vlees zijt; Marnix, Byenc. (ed. 1569), bl. 125 a: Doch seght hy ist eene rede, die niet warachtich en is, ende nochtans is oock niet ghelogen, maer en is noch visch noch vleesch; Idinau, 240:

 Men seght: hy en is noch visch noch vleesch,
 Die hem tot d'een noch tot d'ander en schickt.

De Brune, Bank. I, 306: 't Zijn nu de beste, die noch visch, noch vleesch, noch vijge noch rozijn en zijn; Erasmus, CXXXIX: neque intus, neque foris; simili figura dicunt hodie neque caro est neque piscis, de homine qui sibi vivet, nec ullarum est partium; De Brune, 160; 174; C. Wildsch. IV, 39; W. Leevend VI, 283: Ik weet nooit wat ik aan hem heb, vleesch of visch; Tuinman I, 215; Adagia, 50: nogh visch nogh vleesch, neque albus neque ater; Sewel, 895; Harreb. II, 385; Speenhoff II, 71: De Vrije vrouwen, 't zijn geen mannen en 't zijn geen vrouwen, 't is geen vleesch en 't is geen visch; Nw. School VI, 143: Deze twee deeltjes zijn vleesch noch visch; De Arbeid, 12 Juni 1915, p. 2 k. 3: 't Is visch noch kuit, wat ze eigenlijk willen, dat kom je niet te weten; De Bo, 1328 b en Antw. Idiot. 1907: hij is noch mossel noch visch, hij is een mensch zonder vaste denkwijze, zonder karakter; hij heeft geen politieke overtuiging; Joos, 46: visch noch vleesch zijn, niets, van geene partij; Volkskunde XI, 161: noch mossel noch visch zijn; oostfri. hê is nêt fisk nog flêsk; Molema, 456 b: men wijt nooit wat men an hom het, vis of vlijs; afrik. hy is vis nog vlees; syn. men weet niet of men haring of kuit aan hem heeft (Harreb. I, 285); hd. er ist weder Fleisch noch Fisch oder nicht Fisch noch Fleisch; fr. il est ni chair ni poisson; eng. he is neither fish nor flesh; - fish, flesh nor fowl; de.: hverken fugl eller fisk; fri. flies noch fisk. Syn. hij is noch grond noch staal (Winschooten, 283; Van Lennep, 211).

2429. Weten welk vleesch men in de kuip heeft,

d.w.z. weten met welk soort menschen men te doen heeft; den aard en het karakter kennen van degenen met wie men omgaat; wat men aan iemand heeft; vgl. Cats I, 466: Een die verkopen wil, maer één oge behoeft, want hy weet te vore wat vleysch hy in de kuyp heeft, maer die koopen wil, behoeft 'er wel hondert; II, 63: Als een man weet wat vleesch hy (aan zijne vrouw) in de kuyp heeft, zoo kan hy 'er pekel na maken; C. Wildsch. III, 83; W. Leevend V, 210; V. Janus, II, 124; 256; Harreb. I, 456 b: Hij weet wel, wat spek (of vleesch) hij in de kuip heeft; Handelsblad, 23 Sept. 1913, p. 1 k. 1 (avondbl.): Wij weten nu, na de Troonrede althans ongeveer welk vleesch wij in de kuip hebben met het nieuwe kabinet; Handelingen der Stat.-Gen. 1913-1914, p. 2827 k. 1: Wij weten sedert lang allen heel goed, welk vleesch wij met den heer Tijdeman in de kuip hebben; A. Jodenh. II, 24; Nest, 31; Menschenw. 520; Het Volk, 29 Mei 1914, p. 1 k. 4: De socialisten weten zeer goed welk oud-liberaal vleesch zij met de heeren Nierstrasz en Ter Spill in de kuip hebben; 8 Juni 1914, p. 1 k. 3: Ziende welk vlees dr. Bos in z'n concentratie-kuip had; Nw. School V, 288: Die schrijver wist van 't begin af aan welk vleesch hij in de kuip had; Nkr. IX, 1 Mei p. 6: Ze weten wel, wat voor vleesch ze in de kuip hebben, en dat de arbeiders veel te laf en te beroerd zijn om zoo'n fooi niet aan te pakken; De Arbeid, 26 Dec. 1914, p. 2 k. 3; enz. In het fri. wite hwet flêsk men yn 'e kûpe het. Voor Zuid-Nederland vgl. Waasch Idiot. 716 b: gewaar worden welk vleesch men in de kuip heeft, ondervinden dat er gelogen wordt.

2550. De weg van alle vleesch.

Van een gestorvene zegt men dat hij ‘den weg van alle vleesch is gegaan’. Laurillard denkt hierbij aan een zinspeling op Jes. XL, 6, 7; Büchmann aan Genesis VI, 12-14 of aan I Kon. 1, 2: Ik ga den weg van al wat leeft. In de litteratuur komt de zegswijze in de 17de eeuw voor bij Huygens, Korenbl. II, 67:

 Piet sonck voor Scheveningh in d'ongestuyme baren.
 Men seght, hy is den wegh van alle vleesch gevaren;
En my dunckt dat het is
De wegh van alle viss.

Zie verder Harreb. II, 389. In 't hd. den Weg alles Fleisches gehen; eng. to go the way of all flesh or nature.

Overige werken

Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.

plēk̑-, plǝk̑- und plēik̑-, plīk̑- ‘reißen, abreißen (abschälen)’

1. Aisl. flā (*flahan), ags. flēan ‘die Haut abziehen’, aisl. fletta (*flahatjan) ‘(den Balg, die Kleider) abziehen’, norw. flaga ‘abgeschält werden (von der Rinde)’, aisl. flagna ‘sich abschälen’; nasaliert aisl. flengja ‘werfen’, norw. ds., ‘losreißen’; mit germ. -k- (= idg. g), aisl. flakna = flagna (skip-flak ‘Schiffswrack’), flaka ‘aufklaffen, sich auftrennen, gähnen’;
lit. plė́š-iu, -ti ‘reißen’ (trans.), nuplė́šti ‘abreißen (z. B. Kleider), die Haut abschinden’, plėšzinỹs ‘frisch aufgerissener Acker’; lett. pluôsît Iter. ‘reißen, zerren’;
vielleicht alb. plas ‘berste, breche’, plasë ‘Ritze = Spalte, Sprung; Schießscharte’, pëlsás, Aor. plasa ‘berste, springe, gehe zugrunde’.
2. ēi-, ī-Formen: lit. pléišu, -ėti ‘reißen, platzen (von der Haut)’, plaiš-inti ‘bersten machen’, plýš-ti ‘reißen, Intr.’, plyšỹs, plyšė̃ ‘Riß, Spalte’; lett. Intrans. plîst ‘reißen’, plaîsa, plaîsums ‘Riß’, plaisât ‘Risse bekommen’; diese alien i-Formen gestatten auch die Heranziehung von norw. dial. flīk(e) ‘gähnende Wunde’ (eig. ‘Riß, Spalte’), aisl. flīk, Pl. flīkr und flīkar f. ‘Fetzen, Lappen’, ags. (kent.) flǣc (*flaiki) ‘Fleisch’ (k wohl aus kk), flicce ‘Speckseite’, aisl. flikki ds., mnd. vlicke ds., ‘Flicke, abgetrenntes Stück’; ahd. flëc, flëccko, mhd. vlec, vlecke (urgerm. *flikka) ‘Stück Zeug, Stück Haut, Stück Land, Platz, andersfarbige Stelle, macula’; aisl. flekkr ‘Fleck, Stück Land’ (mnd. vlacke ‘Fleck’ ist neuerAblaut);
wegen ags. flǣc ‘Fleisch’ ist auch Verwandtschaft von ags. flǣsc, as. flēsk, ahd. fleisk ‘Fleisch’, aisl. flesc (*fleisk) ‘Speck, Schinken’ zu erwägen, doch kaum unter einer Grundf. *flaik-sk-, da mnd. mndl. vlēs, vlees ‘Fleisch’, aisl. flis ‘abgeschnittenes Stück, Splitter’, schwed. flīs, flīsa ds., norw. mdartl. flīs ds., kjøt-flis ‘dünnes Stück Fleisch’ eine verwandte, germ. Wurzelf. auf -s statt Guttural zeigen, die in schwed. flister ‘Schinnen’ und lit. pléiskanos ‘Schinnen im Haar’, lett. pliska ‘zerlumpter Mensch’ wiederkehrt.

WP. II 98 f., abgeleitet von plē-, plǝ-, oben S. 834.

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal