Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

vlaming - (Nederlandstalige Belg)

Etymologische (standaard)werken

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

Vlaming* [Nederlandstalige Belg] {in de persoonsnaam Vlaming Cortals 1260} oudengels Flæming, oudnoors Flæmingi, een naam die aanleiding heeft gegeven tot het bedenken van diverse verklaringen, die echter geen zekerheid bieden; geloofwaardig lijkt verband met oudhoogduits flouwen [spoelen, wassen], oudnoors flaumr [stroom], in welk geval de naam zou berusten op het regelmatig onderlopen van kustgebieden.

Thematische woordenboeken

N. van der Sijs (1998), Geleend en uitgeleend: Nederlandse woorden in andere talen en andersom, Amsterdam

gesnap, Vlissingen, Vlaming

Omdat de contacten tussen de Nederlanden en Spanje tijdens de Tachtigjarige Oorlog op het huidige Nederlandse en Vlaamse grondgebied plaatsvonden, ligt het voor de hand dat het Nederlands meer woorden aan het Spaans ontleend heeft dan andersom. Dat lijkt wel te kloppen. In het eendelige Spaanse etymologische woordenboek van Corominas heb ik één woord gevonden dat de Spaanse troepen in deze tijd van ons geleend zouden hebben: gaznápiro voor ‘dom, onnozel, domoor’. In geschreven Spaans komt dit woord voor het eerst in 1843 voor, maar het zou al in de zestiende of zeventiende eeuw geleend zijn. Het is een typisch spreektaalwoord, dat dus niet direct in een woordenboek opgenomen wordt. De herkomst is niet helemaal zeker, maar men veronderstelt dat het ontleend is aan een niet geattesteerd woord gesnapper, dat een kruising zou zijn van gesnap ‘geklets’, en snapper ‘prater, kletsmajoor’. Het kan ook zijn dat de Spanjaarden de woorden gesnap en snapper, misschien onder invloed van gesnater, door elkaar gehaald hebben, met als resultaat het Spaanse gaznápiro.

Vóór de Tachtigjarige Oorlog waren er handelscontacten tussen de Nederlanden en Spanje, waarbij Nederlanders en Vlamingen naar Spanje trokken. De taalkundige G.J. Geers heeft op het Nederlands filologencongres van 1931 de volgende beschrijving gegeven van de indruk die zij op de Spanjaarden maakten:

De betrekkingen met de Vlamingen zijn slechts korten tijd onaangenaam geweest, vandaar dat ze in Spanje goed aangeschreven staan om hun vernuft en moed, iets minder om hun zucht tot drinken en weelderig tafelgenot. Als kooplui trokken ze in Spanje rond en verkochten veel linnen, tapijten, kant, enz. De Hollanders echter staan te boek als ketters, oproerlingen en zeeroovers. Hun bijnaam pichelingues [...] die o.a. voorkomt bij Lope de Vega (vóór 1604), Tirso de Molina, Jerónimo Barrionuevo was identiek met roover en is als zoodanig nog bekend in de Portugeesche volkstaal.

Vervolgens geeft hij een speculatieve etymologie van het woord pichelingues, dat een verwijzing zou inhouden naar het met graagte innemen van de ‘Noordelijke drinkebroers’; ik bespaar u de details. Inmiddels hebben de Spaanse etymologen het woord verklaard. Volgens het grote woordenboek van Corominas en Pascual is pichelingue, dat ‘piraat’ betekent, een afleiding van de stadsnaam Vlissingen. Eind zestiende eeuw werd de naam Vlissingen in het Spaans gebruikt ter aanduiding van Hollandse piraten, en in de achttiende eeuw ging het piraten in het algemeen aanduiden. Vlissingen was in de Middeleeuwen een bekende havenstad en zijn bewoners hebben op de Spanjaarden kennelijk geen goede indruk gemaakt. De stadsnaam is ook in andere talen overgenomen: het Engels noemde vroeger een Vlissinger boot of zeeman een Flushinger, en een soort dikke, wollen stof die in Vlissingen gemaakt werd, heette flushing.

Een andere geografische naam die in het Spaans een geheel eigen leven is gaan leiden, is Vlaming. Dit woord zit verscholen in de tegenwoordig toch als typisch Spaans beschouwde flamenco-dans en -muziek. Flamenco betekende in het Spaans eerst (in de zestiende eeuw) ‘Vlaming, Vlaams’, en vanaf 1870 ‘zigeuner’; vervolgens werd het gebruikt voor de zigeunermuziek. Vlaming luidde in het Oudnederlands flaming, en dit kan de f- in flamenco verklaren, maar noodzakelijk is dat niet: de verandering kan ook veroorzaakt zijn doordat in het Spaans een woord nooit met vl- begint.

De betekenisverschuiving van ‘Vlaming’ naar ‘zigeuner’ verklaart men meestal uit het feit dat de zigeuners in de Middeleeuwen vanuit het noorden naar Spanje kwamen. Weliswaar was dat noorden Duitsland en niet Vlaanderen, maar dat zou door elkaar gehaald zijn, omdat beide landen ten noorden van Spanje liggen. Corominas en Pascual beschouwen deze verklaring als onwaarschijnlijk, alleen al vanwege het tijdsaspect: hoe zou een betekenis die pas in 1870 gevonden is, kunnen verwijzen naar gebeurtenissen van eeuwen terug? Zij menen dat de betekenisverschuiving is gegaan van ‘Vlaams’ via ‘knap, met een goed uiterlijk’ naar ‘sexy, provocerend’ tot ‘zigeunerachtig, als een zigeuner, zigeuner’ en ten slotte ‘dans, muziek van een zigeuner’. Nog steeds betekent flamenco in het Spaans behalve ‘Vlaams’ en ‘flamencomuziek’ ook: ‘fors en blozend (van vrouw), stoer, brutaal, vlot’.

Het woord flamenco is internationaal geworden en komt bijvoorbeeld voor in het Duits, Engels, Frans en Deens. Én in het Nederlands, waarin het dus is teruggeleend.

S. Theissen (1978), Germanismen in het Nederlands, Hasselt

Vlaam

Van Dale, Koenen en het WNT beschouwen Vlaam als een germanisme (D. ‘Flame’) voor ‘Vlaming’. Het dateert reeds uit de 18e eeuw. De samenstelling Vlamenvriend heeft het WNT nog in 1953 aangetroffen, en de verkleinvorm Vlaampje in 1959. Aan het eind van de jaren ’60 wordt Vlaam nochtans door niemand meer goedgekeurd.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

Vlaming ‘Nederlandstalige Belg’ -> Engels flamenco ‘zigeunerdans’ <via Spaans>; Engels Flamingant ‘aanhanger van de Vlaamse beweging’ <via Frans>; Engels Fleming ‘inwoner van Vlaanderen; Vlaams schip’; Duits Flamenco ‘zigeunerdans’ <via Spaans>; Deens flamenco ‘zigeunerdans’ <via Spaans>; Deens flamlænder ‘inwoner van Vlaanderen’ <via Duits>; Fins flaami ‘inwoner van Vlaanderen’; Frans dialect flamange, fenestre flamenghe ‘zoldervenster, venster in een dakkamer’; Frans dialect flamande ‘werktuig van een timmerman; soort oude dans; representant van variëteiten van Vlaamse schaap- en runderachtigen’; Frans flamenco ‘zigeunerdans’ <via Spaans>; Frans † flamengel ‘bedrieger van meisjes’; Frans flamand ‘uit Vlaanderen; Vlaamse taal’; Italiaans flamenco ‘bepaalde dans’ <via Spaans>; Italiaans fiammingo ‘uit Vlaanderen’; Spaans flamenco ‘iemand of iets uit Vlaanderen; zigeuner; zigeunerdans; fors en blozend (van vrouw), stoer, vlot’; Portugees flamengo ‘betrekking hebbend op of inwoner zijnde van Vlaanderen’ <via Spaans>; Pools flamandzki ‘van of uit Vlaanderen’ <via Frans>; Russisch flamánskij ‘van of uit Vlaanderen’ <via Frans>; Oekraïens flamánskij ‘van of uit Vlaanderen’ <via Russisch>; Azeri fәlәmәng ‘van of uit Vlaanderen’ <via Russisch>; Grieks flamegko /flamenko/ ‘bepaalde dans’ <via Spaans>; Grieks Flamandikos (Flamandika) ‘Vlaams (Vlaamse taal)’ <via Frans>; Maltees Fjaming ‘Nederlandstalige Belg’ <via Italiaans>; Maltees flamango ‘muziekgenre van Spaanse zigeuners’ <via Frans>; Esperanto flamando ‘Nederlandstalige Belg’ <via Frans>; Turks flamenko ‘zigeunerdans’ <via Spaans>; Turks Flaman, Flamanca, Flemenkçe ‘de Vlaamse taal’ <via Frans>; Koerdisch Flemenkî ‘(taal) van Vlaanderen’ <via Engels>; Koerdisch Flemen ‘inwoner van Vlaanderen’ <via Engels>.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal