Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

vlam - (verbrandingsverschijnsel)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

vlam zn. ‘verbrandingsverschijnsel’
Onl. flamma ‘vlam’ in an flammun ist herta min ‘in vlammen staat mijn hart’ [10e eeuw; W.Ps.]; mnl. flamme ‘id.’ [1240; VMNW], ulamme ‘id.’ [1265-70; VMNW], vlam van viere ‘vlam van vuur’ [1315-35; MNW-R].
Ontleend, wrsch. mede via Frans flamme [10e eeuw; TLF], aan Latijn flamma ‘id.’, dat afgeleid is van flagrāre ‘banden’, verwant met → blaken, en zie ook → flagrant.
Het woord vlam heeft het erfwoord mnl. laeye ‘vlam’ verdrongen, dat we nog terugvinden in → lichte(r)laaie; zie ook → laaien.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

vlam [tongvormig verbrandingsverschijnsel] {vlam(me) 1265-1270} < frans flamme < latijn flamma [vlam, fakkel, gloed, vuur], verwant met flagrare [branden] (vgl. flagrant), grieks phlegein [branden] (vgl. flegma).

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

vlam znw. v., mnl. vlamme v., onfrank. flamma v., mnd. vlamme v. m., mhd. vlamme v. m. (nhd. flamme v.) < lat. flamma, mogelijk over een romaanse tussenvorm. — Een germ. woord is laai.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

vlam znw., mnl. vlamme v. = onfr. flamma v., mhd. vlamme v. m. (nhd. flamme v.), mnd. vlamme v. m. “vlam”. Van lat. flamma “id.”, misschien via ’t Rom. Eng. flame “id.” < fr. flamme. Voor een oorspr. germ. synoniem vgl. laai.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

vlam v., Mnl. vlamme, gelijk Hgd. flamme, enz. uit Lat. flammam (-a), d.i. flag-ma: z. blaken.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

1vlam s.nw.
1. Ligverskynsel wat deur ontbranding ontstaan. 2. Gloed, hartstog. 3. Figuur in hout of marmer in die vorm van 'n vlam (1vlam 1). 4. Gloed op die liggaam, veral die gesig. 5. Beminde.
In bet. 1 - 4 uit Ndl. vlam (Mnl. vlamme in bet. 1, 1639 in bet. 2, 1810 in bet. 3, 1815 in bet. 4). Bet. 5 het in Afr. self ontwikkel.
Ndl. vlam uit Fr. flamme (12de eeu) uit Latyn flamma 'vlam, fakkel, gloed, vuur'.
D. Flamme (10de eeu), Eng. flame (1384 in bet. 1). Vanuit Afr. in S.A.Eng. (1977 in die bet. 'spiritus').

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Vlam, van ’t Lat. flamma (voor flagma) verwant met ons blaken (z. d. w.).

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

vlam ‘tongvormig verbrandingsverschijnsel’ -> Zweeds flamma ‘tongvormig verbrandingsverschijnsel’ (uit Nederlands of Nederduits); Zuid-Afrikaans-Engels vlam ‘spiritus, spritusdrinker’ <via Afrikaans>; Negerhollands vlam ‘tongvormig verbrandingsverschijnsel’; Papiaments vlam ‘tongvormig verbrandingsverschijnsel; tongvormig figuur in hout, marmer, steen, formica e.d.’; Sranantongo flam ‘tongvormig verbrandingsverschijnsel; verwijt’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

vlam tongvormig verbrandingsverschijnsel 1265-1270 [CG Lut.K] <Frans

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

2491. Vuur en vlam spuwen,

d.i. woedend, in hooge mate vertoornd zijn; in heftige bewoordingen aan zijn toorn lucht geven; eig. gezegd van een serpent, een draak, die als hij boos werd, vuur en vlam spoogVgl. o.a. Sp. Hist. I8, 7, 28; Walewein, 412 vlgg.; Ferguut, 3436 vlgg.; enz.. Vgl. Sacrament v.d. Nyeuwerv. 880:

 Hulp longeren, ic sal verwoeden willen;
 Van toorne spouwic vier ende vlamme.

Vondel, Triomftorts, vs. 7: De vloot haer' draecken spogen vlam en swavelvier, granaeten, lood en stael; Virg. II, 129; Salmoneus, vs. 1742: De paerden, trots van aert, die vier en vlam en gloet noch strax ten beck uitspoogen. - Palamedes, 77: Toen Kalchas op hen smaelde en uitspoogh vier en vlam; Klucht v.d. Pasquilmaecker, 11; Brederoo I, 46, 1071: Ick spouwe vuyr en vlam; Westerbaen III, 101: Spouwt tegen my vry vyer en vlam; Spaan, 142: Hier over meinde ik vuur en vlam te spouwen; De rasende liefde (1706), bl. 73: Vuur en vlam spoegende; Tuinman I, 291; Sewel, 927: Hy spoog vuur en vlam tegens u, he vomitted fire and flames against you; Harreb. II, 387 b; Nw. Amsterdammer, 23 Januari 1915, p. 11 k. 1: Zijn vrouw was gloeiend en de mijne spuwde vuur en vlam; Het Volk, 11 Aug. 1915, p. 1 k. 1; afrik. hy is vuur en vlam, woedend; hy spoeg (spuug) vuur en vlam; Waasch Idiot. 715: vlam en vier spougen, hevig gram zijn; Antw. Idiot. 2136: vier en vlam spouwen, hevig vergramd zijn; De Bo, 1361: vuur spuwen, van spijt, van gramschap; fri. fjûr en flam spuije; hd. Feuer und Flammen speien; fr. jeter, vomir feu et flamme; syn. (gift en) gal brakenNdl. Wdb. III, 1008..

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal