Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

vlaak - (gevlochten mat, scherm e.d.)

Etymologische (standaard)werken

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

vlaak* [zandbank, horde] {vlake [vlakte, zeevlak, door water bespoeld kustland, horde] 1323} van vlak1.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

vlaak 2 znw. ‘losse houten vloer, horde waarop men wol platslaat’, mnl. vlāke, vlaec m. ‘tenen horde om iets te bedekken’, mnd. vlāke v. ‘vlechtwerk, net’, me. flake, fleke ‘tenen vlechtwerk’, on. flaki, fleki m. ‘borstwering van vlechtwerk en planken, beschuttend dak’, nnoorw. flake ‘luik van planken’, nzw. dial. flake ‘vlechtwerk’, nde. dial. flage ‘horde van wilgentakken of gevlochten stro’. — Een typisch vlechtwoord te verbinden met de idg. wt. *pel, waarvoor zie: bevelen.

Dit woord is dus niet onmiddellijk te verbinden met vlaak 1, maar hoger op is er wel aanknoping, want de bet. ‘vlak’ kan ontstaan zijn uit het vlakke oppervlak van de met leem bestreken vlechtwand, eventueel ook uit een glad afgesneden houten plank. Dan is dus in beide gevallen het uitgangspunt te zoeken in de bedrijvigheid van het primitieve bosbedrijf.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

vlaak 2 v. (horde), Mnl. vlake + Ndd. flake, Eng. fleak = vlechtwerk, On. flaki = houten schutting + Lat. plaga = net: Idg. wrt. pleg͂, wisselvorm van den wortel van vlechten. Hierbij wol vlaken.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2010), Brabants etymologisch woordenboek: de herkomst van de woordenschat van Antwerpen, Brussel, Noord-Brabant en Vlaams-Brabant, Zwolle

vlaag, zn.: strooien schutsel. Vlaams vlake ‘scherm van gevlochten stro, riet of biezen, horde’. Mnl. vlake ‘horde, van teen gevlochten voorwerp, o.a. om te dekken’. Mnd. vlake, On. flaki ‘borstwering van vlechtwerk en planken’, E. flake. Verwant met vlechten bij Idg. wortel *pleg-/plek-. Vgl. Lat. plectere ‘vlechten’. Ovl. ww. vlaken ‘de horde over de akker slepen’.

F. Debrabandere (2007), Zeeuws etymologisch woordenboek: de herkomst van de Zeeuwse woorden, Amsterdam

vlake 1 zn. v.: scherm van gevlochten stro, riet of biezen, horde, vlaak, vlaag (als bescherming tegen regen of wind). Mnl. vlake ‘horde, van teen gevlochten voorwerp, o.a. om te dekken’. Mnd. vlake, On. flaki ‘borstwering van vlechtwerk en planken’, E. flake. Verwant met vlechten bij Idg. wortel *pleg-/plek-. Vgl. Lat. plectere ‘vlechten’. Ww. vlaken (Land van Waas) ‘de horde over de akker slepen’.

F. Debrabandere (2005), Oost-Vlaams en Zeeuws-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de Oost- en Zeeuws-Vlaamse woorden, Amsterdam

vlake (Gontrode, Schelderode, ZO), zn. v.: scherm van gevlochten stro, riet of biezen, horde. Mnl. vlake 'horde, van teen gevlochten voorwerp, o.a. om te dekken'. Mnd. vlake, On. flaki 'borstwering van vlechtwerk en planken', E. flake. Verwant met vlechten bij Idg. wortel *pleg-/plek-. Vgl. Lat. plectere 'vlechten'. Ww. vlaken (W) 'de horde over de akker slepen'.

vlokke (G), zn. v.: vlaak, mat van gevlochten stro (die in de teenbakkerij boven de gevormde stenen gelegd werd om ze voor regen, wind en hitte te beschutten). Met dial. o < a voor vlake (zie i.v.).

A.A. Weijnen (2003), Etymologisch dialectwoordenboek, Den Haag

vlake schutsel van stro of riet, losse vloer (Oost-Nederland, Zuid-Nederland). = mnl. vlake ‘van teen gevlochten iets’, eng. flake ‘tenen vlechtsel’, ono. flaki ‘borstwering, vlechtwerk’. ~ vlechten.
WNT XXI 1311-1312.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal