Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

vits - (bundeltje scheringdraden)

Etymologische (standaard)werken

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

vits*, vis [bundeltje scheringdraden] {vitse [twijg] 1588} nederduits fitze, oudhoogduits fizza (hoogduits Fitze [bindsel, garen]), en oudsaksisch fittea, oudengels fitt, oudnoors fitja [de einden van het scheergaren aaneenknopen], naast oudnoors fit [zwemvlies]; vgl. grieks peza [voetstuk, einde van de disselboom]; het woord stamt van dezelfde i.-e. stam als voet en de betekenis is dan ook eig. ‘ondereind, uiteinde’.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2011), Limburgs etymologisch woordenboek: de herkomst van de woorden uit beide Limburgen, Zwolle

vits, zn.: wis, roede; rammel, slaag. Mnl. vitse ‘teen’, Vnnl. vitse, vitsel, vitsroede ‘teen, twijg’. Ohd. fizza, Mhd. viz, vitz(e) ‘streng draden’, D. Fitze ‘gevlochten roede’. Os. fittea, Oe. fitt. Gr. péza < *ped-ja ‘wat bij de voet hoort’, met afgeleide bet. ‘ondereind, uiteinde. Afl. fitsen, vitselen, fitselen ‘tenen vlechten voor lemen wand’, vitsen ‘slaan (met een wis)’. Rijnl. fitzen ‘vlechten van een wand’. De var. fitsj betekent ‘gevlochten haag’ (Maasen). Zie ook stravats.

F. Debrabandere (2010), Brabants etymologisch woordenboek: de herkomst van de woordenschat van Antwerpen, Brussel, Noord-Brabant en Vlaams-Brabant, Zwolle

vits, zn.: kleinigheid, m.n. geen vits ‘geen zier’. Mnl. vitse ‘teen’, Ndd. fitz(e) ‘een beetje wollen draden’, Ohd. fizza, Mhd. vitz(e), D. Fitze ‘streng (garen)’. Of veeleer var. van Limburgs vets ‘vezel, rafel’, ook in geen vets ‘geen lor, geen snars’. D. Fetzen ‘flard, lap, vod’, Laatmhd. vetze. Ohd. faʒʒôn, Mhd. vaʒʒen ‘zich kleden’; On. fat ‘kleed’, fǫt ‘kleren’.

A.A. Weijnen (2003), Etymologisch dialectwoordenboek, Den Haag

vitse II, (afl.) vitsele, fitsele (bep.) vlechtwerk van een wandje aanbrengen (Zuid-Nederland, Oost-Nederland). Afl. van mnl. vitse ‘teen’, nl. vitse ‘bundeltje draden, dunne twijg’, hgd. fitze ‘streng garen, binddraad’, ohgd. fizza ‘draad garen’. Mogelijk echter zijn de zelfstandige naamwoorden secundair en zijn de werkwoorden afl. bij vitte ↑, doch dat is gezien ohgd. fizza niet waarschijnlijk.
WNT XXI 1269-1270, WBD 33, Van Doorn 292, WVD II afl., l 70, Veldeke 1995, 68.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal