Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

vis - (dier)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

vis zn. ‘waterdier van de klasse Pisces
Onl. fisk ‘vis’ in visc flot aftar themo uuatare ‘een vis dreef op het water’ [891-900; CG II-1, 39]; mnl. vesch ‘vis’ [1240; Bern.], visch, vis in mít vleische ende mit vische [1253; VMNW], de paldinc ... een vis ghemaket alst serpent ‘de paling, een vis geschapen als de slang’ [1287; VMNW], ook wel ‘zeedier’, in Purpuree ... sijn vissche liggende in scellen ‘purperslakken zijn zeedieren die in schelpen zitten’ [1287; VMNW].
Ontstaan uit onl. fisk met -sk > -s als in → as 2 ‘verbrandingsrest’.
Os. fisk (mnd. visch); ohd. fisc (nhd. Fisch); ofri. fisk (nfri. fisk); oe. fisc (ne. fish); on. fiskr (nzw. fisk); got. fisks, Krim-Gotisch fisct (lees fisch); alle ‘vis’, < pgm. *fiska-.
Verwant met: Latijn piscis; Oudiers īasc; alle ‘vis’, < pie. *peisk-, *pisk- (IEW 796).
vissen ww. ‘vis vangen’. Onl. Petrus ande sin brôther nit ne hauodon. ne war that se sig uischenes be drâgodon ‘Petrus en zijn broers bezaten niets, behalve dat wat ze voor het vissen bij zich hadden’ [1151-1200; Reimbibel]; mnl. visschen in under der brucgen was ein man ... die uisched in dien mane ‘onder de brug was een man die viste in het maanlicht’ [1220-40; VMNW]. Afleiding van vis.
Lit.: A. Bammesberger (1996), ‘On Fresh Fish in Some (Indo-)European Languages’, in: Journal of Indo-European Studies 24, 399-408

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

vis3* [dier] {visc(h) 1220-1240} oudsaksisch, oudfries fisk, oudhoogduits, oudengels fisc, oudnoors fiskr, gotisch fisks; buiten het germ. latijn piscis, ablautend oudiers íasc.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

vis 1 znw. m., mnl. visc m., os. fisk, ohd. fisc (nhd. fisch), ofri. fisk, oe. fisc (ne. fish), on. fiskr, got. fisks. — Beantwoordt geheel aan lat. piscis, vgl. ook oiers iasc (< *peisko), russ. piskarù ‘grondel’ (IEW 796).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

visch znw., mnl. visc m. = ohd. fisc (nhd. fisch), os. ofri. fisk, ags. fisc (eng. fish), on. fiskr, got. fisks m. “visch”. = lat. piscis “id.” (wsch. oorspr. een o-stam); met ablaut (idg. ei) ier. iasc “id.”. Verdere combinaties (: oi. piccha- “staartveer”, čech. pisk “niet ontwikkelde jonge veer”, of: oi. picchâ- “slijmerige materie”) zijn onzeker. Een oostelijker idg. woord voor “visch” leeft in gr. ikhthús, lit. żuvìs, arm. jukn voort.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

visch m., Mnl. visc, Os. fisk + Ohd. fisc (Mhd. visch, Nhd. fisch), Ags. fisc (Eng. fish), Ofri. fisk, On. fiskr (Zw. en De. fisk), Go. fisks + Lat. piscis, Oier. iasc (uit *pei̯skos).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

vès (zn.) vis; Aajdnederlands fisk <891-900>.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

1vis s.nw.
Koudbloedige, gewerwelde waterdier met kiewe, vinne en meestal skubbe.
Uit Ndl. vis (Mnl. visc(h)). Eerste optekening in vroeë Afr. op 20 Junie 1781 in die samestelling visbalie (Scholtz 1972: 176), waarna in Afr. by Pannevis (1880) in die samestellende afleiding visvanger en by Postma (1896) in die vorm fis.
D. Fisch (8ste eeu), Eng. fish (825).

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

droog, (ook:) mager. Je bent droog! Een droge vent.
— : droog bakken (bakte, heeft gebakken), bakken in dun laagje olie, vet of boter (vlees, vis e.d.). De rest van het zoutvlees* droog bakken in eigen vet of met 1 theelepel margarine (S&S 58). - Etym.: Droog bet. hier dat er maar weinig olie o.i.d. op de bodem van de pan is.
— : droge noot (de, noten), rijpe kokosnoot. - Etym.: Bevat geen of weinig melkachtig sap. De naam wordt alleen gebr. als onderscheid t.o.v. waternoot* nodig is.
— : zie droge ogen* hebben.
— : droge tijd (de, -en), 1. een van de twee seizoenen met een tekort aan regen: zie grote en kleine droge* tijd. Ik moet aan vliegers denken in de droge tijd, zei hij en luisterde opvallend naar het geritsel van het witte papier (Vianen 1972: 55). - 2. (i.h.b.) grote droge* tijd: z.a. In den regentijd*, dus vooral in Mei en Juni, groeit het onkruid zeer snel, in den drogen tijd echter (September-November) behoeft men niet het wieden zoo spoedig te herhalen (Enc.NWI 189). - Etym.: Oudste vindpl. van 2 plak. van 1670 (S&dS 58). - Zie ook: regentijd*, natte* tijd.
— : grote droge tijd, lang seizoen met een groot tekort aan regen, in Noord-Suriname gemiddeld van half augustus tot begin december. Het openkappen [van grondjes*] geschiedt door de mannen. Zij hakken de bomen om in de ‘grote droge tijd’, in oktober en november (Enc.Sur. 92). - Etym.: Oudste vindpl. 1776 (zie De Beet 216). Herlein (1718: 23) noemt dit seizoen Grote Droogte. - Zie ook: natte* tijd, regentijd*.
— : kleine droge tijd, kort seizoen met een klein tekort aan regen, in Noord-Suriname gemiddeld van begin februari tot eind april. De kleine droge tijd, die normaal van begin februari tot eind april loopt, is in de eerste weken van maart [1983] ingetreden (WS 7-5-1983). - Etym.: Oudste vindpl. 1776 (zie De Beet 216). Herlein (1718: 24) noemt dit seizoen Kleine Droogte. - Zie ook: natte* tijd, regentijd*.
— : droge verkoudheid (de, -heden), naam voor aandoeningen (vroeger i.h.b. tuberculeuze) van de luchtwegen, zonder slijmvorming. Ik ken een medicijn tegen droge hoest en droge verkoudheid (tbc) (Wooding 445).
— : droge vis (de), sterk gebarbakotte* (gedroogde en gerookte) vis. Degenen die vanwege geloofsredenen geen varken* of rund* mogen eten, kunnen kip* gebruiken. Verder kan er [in moksi-alesi*] ook vis, liefst droge vis gebruikt worden (A&P 1980a: 14). - Zie ook: warme* vis.

Thematische woordenboeken

P.G.J. van Sterkenburg (2001), Vloeken. Een cultuurbepaalde reactie op woede, irritatie en frustratie, 2e druk, Den Haag

vis. In Vlaanderen komt volgens Mullebrouck (1984) de verwensing voor ga met uw vis naar een andere markt! De letterlijke betekenis verraadt alleen nog het domein van herkomst, t.w. de markthandelaren. De betekenis is afgezwakt tot een emotionele die afkeer, minachting uitdrukt en weergegeven kan worden met ‘rot op’.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

vis ‘in water levend koudbloedig dier met kieuwen’ -> Creools-Portugees (Batavia) visch ‘in water levend koudbloedig dier met kieuwen’; Negerhollands visch, vesch, fes, fis, fes, vis ‘in water levend koudbloedig dier met kieuwen’; Berbice-Nederlands fesi ‘in water levend koudbloedig dier met kieuwen’; Skepi-Nederlands fesi ‘in water levend koudbloedig dier met kieuwen’; Sranantongo fisi ‘in water levend koudbloedig dier met kieuwen’ (uit Nederlands of Engels); Aucaans fisi ‘in water levend koudbloedig dier met kieuwen’; Creools-Engels (Maagdeneilanden) † fis ‘in water levend koudbloedig dier met kieuwen’ <via Negerhollands>.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

vis* in water levend koudbloedig dier met kieuwen 1220-1240 [CG II1 Aiol]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

324. Boter bij de visch.

Een andere uitdrukking voor geld bij de visch (De Brune, 335) of ook wel hand op 't plankje, dat men zegt, wanneer men wil te kennen geven, dat eene contante betaling verlangd wordt. Deze zegswijze wordt aangetroffen bij Sartorius, I, 8, 95, 99; II, 8, 84; bij Tuinman I, 107: ‘Boter by de visch, dit wil zeggen, gereed geld by de koopwaare. Boter wordt by visch vereischt zal ze smaaken’; Harreb. I, 83; Amst. 80; Falkl. VII, 75. Ook in Zuid-Nederland is zij bekend naast geld bij de boter; vgl. Schuermans, 71; Joos, 75; Teirl. 201; 465 en Waasch Idiot. 138 a. De eigenlijke beteekenis zal wel geweest zijn, zooals Tuinman vermoedt, dat visch en boter bij elkaar behooren, anders smaakt hij niet; eene opvatting, die wellicht steun vindt in het volgende citaat uit de 17de eeuw:Pluck-vogel, bl. 213.

 'k Heb naer u groot verlangen, ick wensch naer u altoos,
 Als eenen visch naer boter, ô soete boter doos.

In Westfalen beteekent bueter bi de fiske hewwen, gut leben; zie Eckart, 69.

642. Geld bij de visch!

d.w.z. dadelijk, contant betalen, boter bij de visch (zie no. 324). In de 17de eeuw was deze zegswijze bekend, zooals blijkt uit Coster 33, vs. 707:

Jan Soet: 'k Selmen metter haest in de klieren gaen steecken,
En volgheje datelijc, maer weetje watter is?
Bely: Jae'ck, se het een paer paerden te koop, maer ghelt bij de visch.

Zie ook Van Moerk. 418; De Brune, 335: Gheld by de vis, dat gaet niet mis; Paffenr. 64; Sartorius I, 8, 95 en 99: hy wilt gelt by de visch. De zegswijze komt overeen met geld bij de leverancie, dat we lezen bij Winschooten, 135. Vgl. nog Sewel, 895: Geld by de visch, ready money; Harreb. I, 83; in het fri.: jild (bûter) by de fisk of jild op 'e fingerseinen (= eng. to pay down on the nail); in het Waasch Idiot. 243 b: geld bij de boter (evenzoo Teirl. 465).

693. Zoo gezond als een visch,

d.w.z. zeer gezond, als een visch in het water; hd. gesund wie ein Fisch im Wasser, dat men leest bij Konrad von Würzburg (- 1287), Trojanerkrieg, vs. 10808:

er wart gesunt reht als ein visch
der vert in einem wage (rivier).

Voor het Mnl. vgl. Seghelijn, vs. 11151:

Si worden alle ghesont sciere
Als die visch in die riviere.

Voor lateren tijd zie bij Servilius, 248: also ghesont als een vische; bij Campen, 129: hy is soe gesont als een vis; bij Sartorius III, 10, 55: soo ghesondt als een visch met de verklaring: inde sumptum, quod creditum est pisces non sentire morbos(!). In het Westvlaamsch zegt men: zoo gezond als een bliek (De Bo, 148), dat te vergelijken is met het Zaansche: zoo blijd as bliek, zoo blijde als spartelende bliekjes (Boekenoogen, 73). Bij Joos, 18 lezen wij: gezond als een visch, een bliek, een snoek, een haas, waaraan is toe te voegen onze uitdr. zoo gezond, zoo frisch als een hoen, zoo lekker als kip, kiplekker. Zie Suringar, Erasmus cc; Huygens, Zeestraet, 806; Van Effen, Spect. X, 76; Volkskunde, XIII, 162: leven als visschen in 't water; Eckart, 155: gesund osse en Fischk; hä es so gesund as en Fisk im Wâter; fr. se porter comme le poisson dans l'eau; eng. as sound as a roach, as a trout; fri. sa soun as a fisk.

2415. Visch noch vleesch (of vleesch noch visch) zijn.

Dit wordt gezegd van iets of iemand dien men niet tot een bepaalde groep of soort kan brengen; van iets halfslachtigs; tot geen partij behooren, ook: dubbelhartig zijn (Van Eijk); een nietig mensch zijn (Van Dale). Vgl. Campen, 106: t' Is vis noch vleysch, hij is een sukkel; Servilius, 113*: Albus an ater sis nescio, ic en weet niet of gy visch oft vlees zijt; Marnix, Byenc. (ed. 1569), bl. 125 a: Doch seght hy ist eene rede, die niet warachtich en is, ende nochtans is oock niet ghelogen, maer en is noch visch noch vleesch; Idinau, 240:

 Men seght: hy en is noch visch noch vleesch,
 Die hem tot d'een noch tot d'ander en schickt.

De Brune, Bank. I, 306: 't Zijn nu de beste, die noch visch, noch vleesch, noch vijge noch rozijn en zijn; Erasmus, CXXXIX: neque intus, neque foris; simili figura dicunt hodie neque caro est neque piscis, de homine qui sibi vivet, nec ullarum est partium; De Brune, 160; 174; C. Wildsch. IV, 39; W. Leevend VI, 283: Ik weet nooit wat ik aan hem heb, vleesch of visch; Tuinman I, 215; Adagia, 50: nogh visch nogh vleesch, neque albus neque ater; Sewel, 895; Harreb. II, 385; Speenhoff II, 71: De Vrije vrouwen, 't zijn geen mannen en 't zijn geen vrouwen, 't is geen vleesch en 't is geen visch; Nw. School VI, 143: Deze twee deeltjes zijn vleesch noch visch; De Arbeid, 12 Juni 1915, p. 2 k. 3: 't Is visch noch kuit, wat ze eigenlijk willen, dat kom je niet te weten; De Bo, 1328 b en Antw. Idiot. 1907: hij is noch mossel noch visch, hij is een mensch zonder vaste denkwijze, zonder karakter; hij heeft geen politieke overtuiging; Joos, 46: visch noch vleesch zijn, niets, van geene partij; Volkskunde XI, 161: noch mossel noch visch zijn; oostfri. hê is nêt fisk nog flêsk; Molema, 456 b: men wijt nooit wat men an hom het, vis of vlijs; afrik. hy is vis nog vlees; syn. men weet niet of men haring of kuit aan hem heeft (Harreb. I, 285); hd. er ist weder Fleisch noch Fisch oder nicht Fisch noch Fleisch; fr. il est ni chair ni poisson; eng. he is neither fish nor flesh; - fish, flesh nor fowl; de.: hverken fugl eller fisk; fri. flies noch fisk. Syn. hij is noch grond noch staal (Winschooten, 283; Van Lennep, 211).

2416. Visch moet zwemmen,

d.i. bij het eten van visch behoort een glas wijn gedronken te worden. Dat deze meening al oud is, bewijst de lat. schrijver Petronius, die in zijn Satiricon, bl. 39 zegt: pisces natare oportet. Bij ons komt ze in de 17de eeuw voor o.a. bij Six v. Chandelier, 224:

 De visch bemint het vocht, en wil wel drymaal swemmen.
 In 't waater eerst, daar naa in sausse en dan in wyn.

Huygens, Zeestraet, vs. 797: All is de Schelvisch dood, hem komt wat swemmens toe in beter als sout natt; Smetius, 2: Visch is int water gevangen; hij will schwemmen. Vgl. Harreb. II, 386 a; afrik. vis moet swem; Joos, 211: een visch wilt drijmaal zwemmen; Antw. Idiot. 2136: 'ne visch moet drij keeren zwemmen: eens in 't water, eens in de boter en eens in de(n) wijn; in het hd. der Fisch will (dreimal) schwimmen; eng. fish must swim thrice (once in the water, once in the sauce, and the third time in wine); fr. poisson sans boisson est poison.

2417. Een klein vischje, een zoet vischje,

d.i. een klein voordeel met weinig moeite verkregen is aangenamer dan een groot, dat verworven wordt onder veel zorg en met veel inspanning; ook in het algemeen gezegd van een klein, maar lekker hapje, of als men iets krijgt dat klein of van weinig beteekenis is (Boekenoogen, 1142Vgl. in het Land v. Aalst: de kleinste pillekens (suiker) zijn de zoetste (zei 't begijntje, maar ze pakte de grootste).); syn. van een klein winstje een zoet winstje (o.a. Nkr. VI, 9 Maart p. 2). Vgl. Servilius, 230: cleyn visken, goet visken, nullus malus magnus piscisZie voor dit Latijn Suringar, Erasmus, X.; Spieghel, 291: kleen vischjen, ghoed vischje; Mergh. 43; Cats I, 485: kleyn vischje, soet vischje; Winschooten, 332: Een klein visje, een soet visje, soo men seid, waar door te verstaan gegeeven werd, dat men met een kleindje beeter te vreede kan sijn, als sommige met haar groote: want luttel onderwinstl. onderwint? maakt groote rust; Tuinman I, 131: Van klein, doch gewis gewin, zegt men: een klein vischje is een zoet vischje; Sewel, 895: Een klein visje een zoet visje, to be contented with a little, gives a great deal ef ease; W. Leevend IV, 335; Van Eijk, II, nal. 52: een klein vischje, een zoet vischje, een kleine vangst, een goede vangst, of ook wel: tevredenheid met iets gerings, geeft groot genoegen; fr. toujours pêche qui en prend un; eng. still he fishes that catches one.

2530. In (of op) zulke waters vangt men zulke visschen.

Men bezigt deze uitdrukking als iemand de nadeelige gevolgen ondervindt van eene slechte daad, loon naar werk krijgt; mlat. in tali tales capiuntur flumine pisces; in magno grandes capiuntur flumine pisces (Werner, 40). In de Prov. Comm. 437: in sulcken riviere vangtmen sulcke vissche, in tali tales capiuntur flumine pisces; Bebel, no. 182: in tali flumine tales capiunter pisces; dicitur in illos, qui sua temeritate et voluntate periculum inciderunt; vel etiam in bonum dici potest; Winschooten, 348: In sulke waaters vangt men sulke vissen: dat is, men krijgt loon naa werken. Zie verder in de 17de eeuw Hooft, Brieven, 270, waar de bet. evenwel is: van zulke menschen verwacht men zulke daden, in welken zin het spreekwoord ook voorkomt bij Coster, 537 vs. 1293; Brederoo, Klucht v.d. Koe, vs. 671; Huygens V, 96; De Brune, 240; 476; V. Moerk. 94:

 Dat de pry my bedrieghen wou, hoord ick wel te gissen:
 Somma op sucke waters vangtme sucke vissen.

Tuinman I, 296 en II, 197 kent het spreekwoord alleen in den zin van: ‘dit zijn de vruchten van zulk een bedrijf’; zoo ook Sewel, 941: Op zulke waters vangt men zulke visch, that's the reward due to such doings; door Van Dale worden beide beteekenissen vermeld. Zie verder Harreb. I, 291 a; Schuerm. 845 b; Antw. Idiot. 1420; in Waasch Idiot. 714: op zulke vijvers vangt men zulke visschen, zulke werken hebben zulk gevolg; vgl. Jahrb. 38, 164: in söcken Water fänkt man söcke Fiske; Woeste, 317 a; hd. in solchem Wasser fängt man solche Fische; fr. telle eau, tels poissons; Harreb. I, 83 a: in zulke bosschen vindt men zulke vogels; in het fri.: op sokke wetters fangt men sokke fisk, zoo oorzaak zoo gevolg; ook: soort zoekt soortMag ook vergeleken worden Spieghel, 297: In zullich water, zullighe visschen?.

Overige werken

Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.

peisk-, pisk- ‘Fisch’

Lat. piscis m. ‘Fisch’, piscīna ‘Fischteich’, piscor, -āri ‘fischen’; got. fisks m., aisl. fiskr, ahd. ags. fisk ‘Fisch’ (*piskos), got. fiskōn, nhd. fischen (: lat. piscāri; vgl. mhd.vischīn : lat. pis-cīna); vollstufig air. īasc (*peiskos), Gen. ēisc ‘Fisch’, Kollekt. ‘Fische’; poln. piskorz ‘Peißker’, russ. piskárь ‘Gründling’; beruht die Übereinstimmung mit mir. esc ‘Wasser’, schott. FlN Esk (kelt. *iskā): acymr. FlN Uisc, ncymr. Wysg (kelt. *ēskā aus *eiskā oder *eidskā) auf Zufall? s. auch oben S. 794.

WP. II 11, WH. II 310, Max Förster Themse 840 f.

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal