Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

vim - (stapel van bv. bossen stro)

Etymologische (standaard)werken

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

vim1* [stapel van bv. bossen stro] {vim(m)e, vemme, vim 1284} oudsaksisch fimba, middelhoogduits vimme, fries fym; met onbekende etymologie.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

vim znw. v. ‘hoeveelheid van 104 of 120 bos’, (zuidnl.) ‘regelmatige stapel’, mnl. vimme, vime, vumme, vemme v., os. fimba (ook vima 1181), mhd. vimme v., fri. fym, fime ‘hoop, stapel’.

De etymologie is moeilijk. — 1. Men gaat uit van idg. *paxmp, *phaxmph ‘klankwoord voor iets opgezwollens’, waarmee men verenigt oe. fīfel (< *pempelo) ‘zeemonster’, on. fīfl ‘reus, monster’ fambi, fimbul- ‘domoor’ (vgl. gron. plaatsnaam Fimel, Fivelgo), verder lat. pampinus ‘jonge loot van de wijnstok’, lit. pampau, pam̃pti ‘opzwellen’, lett. pimpala ‘penis’, osl. pupŭ ‘navel’ (IEW 94-5). Maar een ‘stapel’ kan men bezwaarlijk ‘iets gezwollens’ noemen. — 2. Nog minder waarschijnlijk is de verbinding met de wt. *pei ‘vet zijn’, waarvoor zie: vet. — Naast de vorm met m staat er ook een met n: mnd. vīne, ohd. witu-vīna, oe. widufīn v. ‘houtstapel’, dat al even duister is (vgl. Stapelkamp TTongv. 2, 1950, 44-54) — Misschien mag men denken aan een woord uit een substraattaal. — De verbinding met mnd. vine enz. met oi. pina-kā-m ‘stok, knots’, gr. pinaks ‘spar, balk, schrijftafel, schilderij’ van een idg. *pi-n- ‘stuk hout’ (IEW 830) is hoogst twijfelachtig.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

vim znw., mnl. vimme (vime, vumme, vemme; dgl. vormen nog dial.) v. = mhd. vimme v. “hoop, stapel”, os. fimba (anno 1181 vima) v. “id.”, fri. fym, fime “vim”. Wsch. uit idg. *pemp(h)ā́ -, van de basis pemp(h)- “zwellen”, waarvan ook lat. pampinus “jonge wijngaardtak” (de a is geen bezwaar), gr. pomphós “brandblaar”, ksl. pąpŭ “navel”, lit. pampstù, pam͂pti “opzwellen”, pamply͂s “dikbuik” en in ̓t Germ.: ags. fîfel (o. m.?) “monster, reus”, fîfel-, on. fimbal- versterkend eerste compositielid; van een basis zonder nasaal o.a. lat. papula “blaar, blaasje”, lit. pãpas “tepel”, misschien ook oi. pippala- “bes”. Minder wsch. is de afl. van vim als germ. fi-m-ƀ-o(n)- van de bij vet besproken idg. basis pī̆ -, waarvan ook wel ohd. witu-vîna, mnd. vîne, ags. wudu-fîn v. “houtstapel” wordt afgeleid; de met -m- verlengde basis volgens sommigen ook in veem en in os. fêmea, ofr. fā̆mne, fěmne, ags. fæ̂mme v. “(jonge) vrouw”, on. feima v. “mulier pudibunda”; buiten het Germ. vgl. lat. pinguis “vet” (zie bij vet), gr. pĩmelē “vet”; av. paêman- “moedermelk” zal wel van anderen oorsprong zijn.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

vim. Nu ags. fæ̂mne, ofri. fā̆mne, fē̌mne, os. fêmea, on. feima ‘jonge vrouw’ in het art. genoemd zijn, moge hier niet onvermeld blijven de interessante etymologie van Pedersen Misc. Jespersen 68, die deze woorden opvat als feminina bij gr. poimḗn’herder’, lit. piemuo͂ ‘id.’ (vgl. bij veilig). De ospr. bet. zou dus zijn ‘veehoedster’. Formeel aanlokkelijk vooral wegens de ags. ofri. vormen, semantisch vgl. eventueel bret. bugel ‘jongetje’ = gr. boukólos ’(koe)herder’.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2010), Brabants etymologisch woordenboek: de herkomst van de woordenschat van Antwerpen, Brussel, Noord-Brabant en Vlaams-Brabant, Zwolle

vijm, vim, vum(me), zn.: mijt, hoop, stapel (hout, stro). 1781 vim ‘een vim koorn of stroo’, Meierij (Heeroma). Wvl. vimme, vumme. Mnl. vimme ‘stapel’. Os. fimba, Mnd. vim(m)e, Mhd. fimme, Ndd. fim(m)e, Fri. fime, Mnd. vine, vimme, gymme, Ndd. fime, fimme, Ohd. vîna ‘hoop’, D. Feim(e) ‘hoop, stapel’. – Bibl.: Ch. Stapelkamp, Vijn – vijm – vim – viem. TT 2 (1950), 44-54.

F. Debrabandere (2007), Zeeuws etymologisch woordenboek: de herkomst van de Zeeuwse woorden, Amsterdam

vimme 1, vumme zn. v.: mijt, stapel (hout, stro); strooien afschutting. Mnl. vimme ‘stapel’, Os. fimba, Mnd. vim(m)e, Mhd. fimme, Ndd. fim(m)e, Fri. fime, Mnd. vine, vimme, fymme, Ndd. fime, fimme, Ohd. vîna ‘hoop’, D. Feim(e) ‘hoop, stapel’, Oe. fin ‘hoop, stapel’. De var. vumme door klinkerronding o.i.v. van labiodentale v en bilabiale m. – Bibl.: Ch. Stapelkamp, Vijn – vijm- vim – viem. TT 2 (1950), 44-54.

A.A. Weijnen (2003), Etymologisch dialectwoordenboek, Den Haag

vim, viem, vumme, fiem, vijm bep. soort stapel, bep. rekeneenheid (West-Vlaanderen). = os. fimba ‘hoop graan’, mhgd. vimme ‘hoop’. De verhouding tot vijn ↑ is duister. Misschien « substraat.
TNZN VII 7, WVD II afl. I 27, TT II 46, NEW 785, TNTL LXV 32 (onderscheidt vormen met oude lange en korte klinker).

F. Debrabandere (2002), West-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de West-Vlaamse woorden, Amsterdam

vimme (DB, B), vumme (DB, B, O, P, R, west), zn. v.: mijt, stapel (hout, stro), grote hooiopper. Mnl. vimme ‘stapel’. Os. fimba, Mnd. vim(m)e, Mhd. fimme, Ndd. fim(m)e, Fri. fime, Mnd. vine, vimme, fymme, Ohd. vîna ‘hoop’, D. Feim(e) ‘hoop, stapel’, Oe. fin ‘hoop, stapel’. De var. vumme door klinkerronding o.i.v. van labiodentale v en bilabiale m. - Lit: Ch. Stapelkamp, Vijn - vijm - vim - viem. TT 2. (1950), 44-54.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal