Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

vijzel - (windas)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

vijzel 2 zn. ‘hefwerktuig op basis van een schroefvormige spil’
Mnl. vijsele ‘hefwerktuig op basis van een schroefvormige spil’ [1465; MNW]; nnl. een vyzel van Archimedes, om water op te vyzelen [1739; iWNT].
Wrsch. afgeleid van mnl. vise ‘schroef’ (nnl. vijs). Als verkleiningsachtervoegsel (als in → druppel) was -el in de 15e eeuw nog productief (Van der Sijs 2001, 162-164), maar uit de oude attestaties van vijsele blijkt niet dat het om een opvallend klein werktuig zou gaan. Misschien is de uitgang -el aan het woord toegevoegd naar analogie van andere werktuignamen op -el, zoals → beitel, → beugel, → griffel (WNT). Een andere mogelijkheid (Vercoullie) is dat van het zn. vise eerst met een frequentatiefachtervoegsel het werkwoord vi(j)selen ‘met een schroef of hefwerktuig werken’ [1508-43; MNW] (nnl. vijzelen) is afgeleid, en dat daarbij vervolgens het zn. vijsele is gevormd.
In elk geval is mnl. vise ontleend aan Oudfrans vis ‘id.’ [eind 11e eeuw; Rey], eerder viz ‘wenteltrap’ [1049; Rey], dat op zijn beurt ontleend is aan Latijn vītis ‘wijnrank, klimplant’.
Een vijzel was aanvankelijk alleen een hefwerktuig voor zeer zware lasten, bijv. voor het omhoog brengen van huizen of delen van bouwwerken, schepen, e.d. In het Nieuwnederlands werd vijzel ook de benaming van het schroefvormige werktuig waarmee poldermolens en gemalen het water omhoog brachten, volgens het principe van de schroef van Archimedes. De Amsterdamse smid Simeon Hulsebos (ca. 1596-1648) patenteerde in 1634 een poldermolen met zo'n schroef. Of hier toen al het woord vijzel voor gebruikt werd, is onzeker.
Met het bijwoord → op is hierbij de samenstelling opvijzelen gevormd (vnnl. upvijselen [1529; MNW viselen]), dat oorspr. letterlijk ‘omhoog brengen met vijzels’ betekende (van een gevel en een dak, om een verdieping te kunnen plaatsen), later figuurlijk ‘opknappen’.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

vijzel2 [windas] {visel 1465} van vijzelen, van vijs.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

vijzel 1 znw. v., ‘schroef’, mnl. vîsele, vîsel v., afl. van vîse v. ‘schroef’ (nog zuidnl.), evenals ne. vice < fra. vis < vulg-lat. *vītium eig. ‘iets rankenachtigs’, afl. van lat. vītis ‘wijnrank’.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

vijzel I (schroef), mnl. vîsel(e) v., niet bij Kil. Van mnl. vîse v. “schroef”, nog zuidndl. Dit evenals eng. vice “id.” van fr. vis “id.” (afgeleid uit lat. vîtis “wijngaardrank”; voor de bet. vgl. it. vite “id., schroef”).

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

vijzel 1 v. (windas), Mnl. visel, verbaalabstr. van vijzelen, het frequent. van vijzen, een denomin. van dial. vijs = schroef, uit Fr. vis, Mlat. vitis = schroef, Lat. vitis = wijngaardrank (z. wederik). Ook It. vite = 1. wijnstok, 2. schroef. Hierbij opvijzelen.

Thematische woordenboeken

C.H.Ph. Meijer (1919), Woorden en uitdrukkingen verklaard door Dr. C. H. Ph. Meijer, Amsterdam

Opvijzelen, ophemelen, bovenmate prijzen, eig. doormiddel van schroeven omhoog brengen, dus kunstmatig, met kunst en vliegwerk. Door toepassing van de schroefbeweging kan men namelijk met minder kracht, maar ook evenredig langzamer, een buitengewoon groot gewicht omhoogwerken. Dezelfde beeldspraak vindt men ook in opgeschroefd, voor overdreven. Vijzelen komt van vijs = schroef, van het fra. vis, mlat. vitis, in het lat. het woord voor wingerdrank; ook het ital. heeft hetzelfde woord (vite) voor schroef en wijngaardrank; de gedraaide vorm van de dunne rankjes heeft natuurlijk aanleiding gegeven tot de benaming van het werktuig. Vondel gebruikt (3, 856) vijzelen overdrachtelijk in Jozef aan ’t Hof: “Hoe dickwils badtze my (Potiphar) Dat ick u vijslen zou in top van hof en huis”. Van het w.w. kwam als verbaalstam het z.nw. vijzel= windas of werktuig om iets van groot gewicht, locomotief, huis enz., omhoog te brengen. Een voorbeeld van opvijzelen in de werkelijke bet. vindt men b.v. in het volgende courantenbericht: “De tram werd opgevijzeld en de man er onder vandaan gehaald”. Een geheel ander woord is vijzel, werktuig om iets in fijn te stampen; dit schijnt in verband te staan met een stam, die wij in ’t latijn terugvinden in het w.w. pinsere = vermorzelen.

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Vijzel (windas) van vijzen = schroeven, van ’t Mnl. vize, Fr. vis = schroef, uit ’t Lat. vitis = wijnrank, die schroefsgewijze om den stok gaat. Opvijzen is dus: opschroeven, omhoog doen gaan, verheffen; fig. overdreven verheffen; vgl.: „om ons Duitsch ten toppunt op te vijzen. Thans als frequ. opvijzelen, vgl.: iemands deugden opvijzelen; (vroeger ook letterlijk: „een houten huisje, dat hij voor ’t hoog water kon opvijzelen’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

vijzel windas 1465 [MNW]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal