Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

vijzel - (mortier)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

vijzel 1 zn. ‘stampvat’
Mnl. visel ‘stampvat’ in Dese cruden worden gestoten in een hool visel ‘de kruiden worden fijngestampt in een hol stampvat’ [1400-50; MNW]; vnnl. vijzel [1636; iWNT].
Mnd. fisel ‘stampvat’; mhd. visel ‘penis’; < pgm. *fīs-ila-.
Afleiding van de wortel pie. *peis- ‘vermalen, vermorzelen’ (LIV 466), zie → pijl.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

vijzel1* [mortier] {visel 1478} middelhoogduits visel, oostfries fisel; buiten het germ. latijn pinsere [fijnstampen], grieks ptissein [idem], oudkerkslavisch pĭchati [stampen], oudindisch pinaṣṭi [hij stampt stuk].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

vijzel 2 znw. m. ‘stampvať, mnl. vîsel m., mnd. vīsel m., fri. fīsel, fīzel ‘vijzel’, vgl. mhd. fisel, visel ‘penis’ (zie ook: vijsting). — oi. pináṣṭi ‘stampt fijn’, gr. ptissō ‘stampen, grofmalen’, ptísis ‘het stampen’, lat. pinsere, pinsāre ‘stuk stampen’, pīsō ‘vijzel’, pīlum ‘stamper’, lit. pìsti ‘coire’, osl. pisą, pǐchają, ‘stoten’ van idg. wt. *peis ‘fijnstampen’ (IEW 796).

Hiermee zeker ook te verbinden mnl. vēse, os. ohd. fesa v. ‘huls, kaf’, vgl. lit. paisýti ‘de baard van de gerstaren afslaan’.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

vijzel II (stampvat), mnl. vîsel (-er) m. = mnd. vîsel m. “vijzel, stamper”, fri. fisel, fizel “vijzel”. Ook mhd. visel, vësel m. “penis” kan met de oorspr. bet. “stamper” hierbij hooren. Buiten ̓t Germ. zijn verwant: lat. pinso “ik stamp fijn”, pîlum “stamper”, pîla “vijzel (*pins-lo-, *pins-lâ-), gr. ptíssō “ik stamp, pel (gerst) door kloppen”, ksl. pĭchati “stooten”, lit. paisýti “(gerst) door kloppen pellen”, oi. pináṣṭi “hij stampt, wrijft stuk”. Hierbij wsch. ook mnl. vēse, ohd. os. fësa v. “huls, kaf, koren in de huls”: voor de bet. vgl. de verwante woorden gr. ptisánē “gerst”, obg. pĭšenica “tarwe”.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

vies. Ja.H.van Lessen Samengest. Naamw. 41 veronderstelt dat de ospr. bet. ‘fijn’ is geweest. (Vgl. kies Suppl.; ook oostfri. fîseln ‘zachtjes en fijn regenen of sneeuwen’). In dat geval is de verbinding met de interjectie fij te verwerpen, maar kan men aan verwantschap met vijzel II (zie vijzel II Suppl.; ook viezevazen Suppl.) denken. Voor de zeer gewone uitspraak met f- zie bij fielt Suppl.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

vijzel 2 m. (stampvat), Mnl. visel + Oostfri. fisel + Skr. wrt. piṣ, Gr. ptíssein, Lat. pinsere = vermorzelen, pilum = stamper, Osl. pĭchati = stooten, Lit. pesti = stampvat.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

vysel: metaalhouer waarin iets fyn gestamp word; Ndl. vijzel (Mnl. vīsel), hou wsk. verb. m. Lat. pinsere, “stamp” – ’n vysel is nie ’n stamper nie, maar iets waarin gestamp word, dog Eng. mortar lewer dgl. vrae op; by d. kompo. stampblok (ook ben. v. iets waarin gestamp word) is die posisie anders as by d. simp. met of sonder suf. -er; v. ook opvysel.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Vijzel (stampvat) van een Idg. wt., die fijn stampen bet.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

vijzel ‘stampvat’ -> Papiaments veinzel, fènsu (ouder: vijnsel, vynsel) ‘stampvat’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

vijzel* stampvat 1478 [MNW]

Overige werken

Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.

(peis-1?) : pis- ‘zerstampfen, zermalmen’ (bes. Getreide), Nomen actionis p(e)is-ter-

Ai. pináṣṭi ‘zerreibt, zerstampft’ (3. Pl. pįṣánti = lat. pinsunt), piṣṭá- ‘gemahlen’, n. ‘Mehl’, pēṣṭar- ‘Zerreiber’ (: lat. pistor), av. pišant- ‘zerstampfend’; gr. πτίσσω ‘stampfe, schrote’ (wohl expressives σσ), πτίσμα, πτισάνη ‘enthülste Gerste’, πτίσις, πτισμός ‘das Stampfen’, περιπίσματα ‘ausgepreßte Weintrauben’ (diss. aus *περιπτίσματα); lat. pīnsō, -ere, pinsiō, pi(n)sō, -āre ‘zerstampfen, zerstoßen’ (pīs- mit Nasalreduktion aus pins-), *pīstum, pīnsum, pinsitum; pistor ‘Bäcker’, pīsō ‘Mörser’, pīla ds., pīlum ‘Mörserkeule’ (und ‘Wurfspieß’), pistillum ‘Stampfer’; umbr. pistu ‘pistum’; mnd. vīsel ‘Mörser’, mhd. fisel ‘penis’; lit. Iterat. paisýti ‘(Gerste) abklopfen, den Gerstenkörnern die Grannen abschlagen’, primär pìsti ‘coire cum femina’; aksl. pьsǫ und pьchajǫ, pьchati ‘stoßen’, *pьšeno ‘Mehl’, russ. pšenó n. ‘enthülste Hirse’, čech. Iterat. pěchovati ‘stampfen’.

WP. II 1, WH. II 267, 307 f., Trautmann 220 f., Schwyzer Gr. Gr. 1, 692.

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal