Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

vijftig - (50)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

vijftig telw. ‘50’
Onl. fīftig in hunderet unde uifzech tage ‘150 dagen’ [1151-1200; Reimbibel]; mnl. vijftich, -tech in ombetrent sesse ende viftech scellinghe ‘ongeveer 56 schellingen’ [1236; VMNW], vijftich. lib ‘50 pond’ [1278; VMNW].
Gevormd bij het telwoord → vijf met het tot achtervoegsel geworden → -tig. Zie ook → tachtig.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

vijftig* [telwoord] {vi(j)ftich, vichtich 1236} oudsaksisch fīftig, oudhoogduits fimfzug, oudfries fīftich, oudengels fīftig, oudnoors fim(m)tigir, gotisch fimf tigjus; van vijf + -tig.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

vijftig znw. telw., mnl. vijftich, vichtich, os. fīftig, ohd. fimfzug, finfzug (nhd. fünfzig), ofri. oe. fīftig (ne. fifty), on. fim(m) tigir, got. fimf tigjus. — Samengesteld uit vijf + -tig.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

vijftig telw., mnl. vijftich, vichtich. = ohd. fimfzug, finfzug (nhd. fünfzig), os. ofri. ags. fîftig (eng. fifty), on. fim(m)tigir, got. fimf tigjus “50”. Vgl. over -tig bij tien.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

vijftig. Veelal met f- gesproken, wsch. naar sestig: zes, seventig: zeven. Zie bij zestig.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

vijftig telw., z. vijf en dertig, en voor de uitspraak van v als f, ook veertig.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2002), West-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de West-Vlaamse woorden, Amsterdam

vichtich, vichtiene, tw.: vijftig, vijftien. Deze Wvl. vormen zijn al Mnl. Wisseling van ft/cht, vgl. Mnl. brulocht/bruiloft, E. soft /Wvl. zachte, D. Kraft/Ndl kracht.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

vijftig ‘telwoord’ -> Negerhollands veiftig, fyftig ‘telwoord’; Sranantongo vijftig ‘telwoord’.

Dateringen of neologismen

R. Schutz (2007), Brekend nieuws, Nijmegen

vijftig-vijftig. Letterlijke vertaling van Engels fifty fifty = in gelijke delen; In raden vormt de personeelsgeleding altijd een meerderheid, waardoor studenten makkelijk 'genegeerd' kunnen worden. Daarom pleiten de notaschrijvers voor een vijftig-vijftig verdeling, overigens de wettelijke regel. (2001); De kansen op kwalificatie voor de groepsfase liggen nu vijftig-vijftig; De btw wordt betaald door het land van de opdrachtnemer. Indien dit niet België of Nederland is, wordt ook de btw op vijftig/vijftig-basis verdeeld.

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

vijftig* telwoord 1236 [CG I1, 25]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal