Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

vesting - (versterkte plaats)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

vesting zn. ‘versterkte plaats’
Mnl. vestinge ‘vastheid; bevestiging’ [1240; Bern.], ‘het versterken (door verdedigingswerken)’ in bouwe und vestinge der stadt ‘het bouwen en het versterken van de stad’ [1390; MNW], ‘aangebrachte versterkingen, vestingwerken’ in myn slot tot Ulfte myt alle synen voorgeborchten, vestingen ‘mijn burcht te Ulft met al zijn buitenwerken, vestingen’ [1411; MNW]; vnnl. ‘versterkte plaats’ in Montmelian ..., dat een staele vesting schijnt ‘... een onneembare versterking lijkt’ [1630; iWNT].
Afleiding met het achtervoegsel → -ing van vesten in verschillende betekenissen, letterlijk ‘vastmaken’, daarnaast o.a. ‘verstevigen’, zie → vestigen. Uiteindelijk is alleen de huidige betekenis van vesting overgebleven.
Mnd. vestinge; mhd. vestunge (nhd. Festung); nfri. fêsting.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

vesting* [versterkte plaats] {vestinge 1267} van middelnederlands veste [bolwerk] + -ing.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

vesting znw. v., mnl. vestinghe ‘het stevig maken; versterking, vesting; bevestiging; gevecht’, ook mnd. mhd. ofri. — Afl. van vesten.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

vesting znw., sedert het Mnl. Mhd. Mnd. Ofri. (ook “bevestiging, bekrachtiging”).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

Ves’ting (de), syn. van de Vestiging*: z.a. De volgende dag, bij het ontbijt van koude cassave en knapperige haring* aan een van de volle scheepstafels, werd mij het een en andere duidelijk gemaakt: voor de eerste zes dagen zou ik worden achtergelaten bij een goede kennis in de Vesting (Roemer 1982: 75). - Etym.: Vervorming van Vestiging*.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Vesting, veste, vest, van vast = stevig; de woorden zeggen dus: vaste, versterkte plaats.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

vesting ‘versterkte plaats’ -> Deens fæstning ‘versterkte plaats’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors festning ‘versterkte plaats’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds fästning ‘versterkte plaats, bolwerk’ (uit Nederlands of Nederduits).

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

vesting* versterkte plaats 1267 [CG I1, 96]

M. De Coster (1999), Woordenboek van Neologismen: 25 jaar taalaanwinsten, Amsterdam

vesting Europa, voor de definitie zie fort* Europa.

Het zou dus evengoed een aanfluiting van de democratie zijn, stemrecht te weigeren aan mensen die toevallig niet uit de ‘vesting Europa’ komen, maar hier wel wonen en werken en belasting betalen. (De Morgen, 12/07/97)
Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal