Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

vestigen - (stichten; gericht houden)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

vestigen ww. ‘stichten; gericht houden’
Mnl. vesten ‘versterken, verstevigen, vastmaken, vaststellen, bekrachtigen’ [1240; Bern.], gevestiget (verl.deelw.) [1323; MNW], confirmeren, stedigen ende vestigen ‘bekrachtigen’ [1389; MNW]; nnl. zyne zinnen gevestigt op ‘gericht op’ [1762; iWNT], Die zijn hoop ... Vestigt op den Heer [1773; iWNT], gevestigd zijn ‘zich bevinden’ in Er is daar thans [een] kaarsen-fabriek gevestigd [1842; iWNT].
Afleiding met umlaut van → vast.
Mnd. vestegen; ohd. līb-festigōn en reht-festigōn (mhd. vestigen); alle met diverse van ‘vast’ afgeleide betekenissen, < West-Germaans *fastigan-, bij een reeds West-Germaans bn. *fastiga- = → vast + → -ig. Daarnaast met eenvoudiger achtervoegsel pgm. *fast-ijan-, waaruit: os. festian (mnd. vesten); ohd. festen (nhd. festen); ofri. festigia (nfri. fêstigje); on. festa (nzw. fästa ‘hechten, bevestigen’).
Vesten, vestigen en de afleidingen bevesten, bevestigen waren in het Middelnederlands nog min of meer uitwisselbaar en hadden elk vele ruimtelijke, niet-ruimtelijke en overdrachtelijke betekenissen en betekenisnuances. Pas in het Nieuwnederlands verouderden de vormen vesten en bevesten en ontstond tegelijkertijd een betekenisonderscheid tussen vestigen en bevestigen.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

vestigen* [stichten, nederzetten] {1323} middelhoogduits vestigen, middelnederduits vestegen naast middelnederlands vesten, van vast (vgl. bevestigen).

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

vestigen ww. mnl. vestighen ‘vast maken; bevestigen; vaststellen; (refl.) zich vastzetten in het gemoed, zich zetten tot’, vgl. ohd. līb-festigōn ‘vivificare’, rehtfestigōn ‘justificare’, mhd. vestigunge v. ‘bevestiging, vesting’. — Afl. van vast.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

vestigen ww., sedert het Mnl. en Ofri.; mhd. reeds vestigunge v. “bevestiging, vesting”; ohd. lîb-festigôn “vivificare”, rëht-festigôn “justificare”. Met dgl. bet. als mnl. mnd. veste ook vesten(e) v., ohd. festina v., ofri.. festne v. (in samenst.), ags. fæsten o. en met dgl. bet. als mnl. mnd. vesten ook vestenen, ohd. festinôn, os. fastnon, ofri. festnia, ags. fæstnian. Zie nog handvest en vest II.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

vesten, vestigen o.w., met e = ä , denomin. van vast en *vastig (als in vastigheid).

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Vestigen = vast maken, een vaste plaats geven, evenals bevestigen, overgankelijk, als gaan (intrans.) en begaan (trans.: een weg begaan); ook bet. bevestigen: voor vast, vaststaand verklaren: de waarheid bevestigen.

W. de Vreese (1899), Gallicismen in het Zuidnederlandsch, Gent

zich vestigen. - In het Nederlandsch kan zich vestigen alleen met een persoon als onderwerp gebruikt worden. Naar het voorbeeld van het Fransche taaleigen komt het ook, evenals s’établir, met eene zaak als onderwerp voor. || Verschillende belangrijke nijverheidsgestichten hadden zich in zijn midden (nl. te Gent) gevestigd, G. BERGMANN, Gedenkschr. 215. Hier (in de Kalverstraat te Amsterdam) hebben zich de prachtigste magazijnen der stad gevestigd, GITTÉE, Bij onze Noorderbr. 95 (er wordt vereischt waren en zijn gevestigd).

zich vestigen. - Naar fr. se fixer. || Zoohaast het oog zich vestigt op de handelende personages, wordt het van hen medegelokt naar den linker bovenhoek, ROOSES, Antw. Schildersch. 2, 71 (er wordt vereischt zoohaast men het oog vestigt op enz.). Onophoudelijk, onweerstaanbaar vestigden zijne oogen zich op haar, BUYSSE, Mea Culpa 76. Zijne van angst en smart vergroote oogen hadden zich terug op zijne schilderij gevestigd, BUYSSE in Tweemaandel. Tijdschr. 1, 38.

vestigen (de aandacht vestigen). - In het Fransch wordt de uitdrukking attirer l’attention, met eene zaak (of een met een persoon die als zaak gedacht wordt) als onderwerp, zoowel zonder als met een nadere bepaling gebruikt, en is deze noodzaakelijk, dan wordt ze uitgedrukt door een naamwoordelijke bepaling bij het lijdend voorwerp: verg. b.v. un homme, un bâtiment qui attire l’attention en un homme, un bâtiment qui attire mon attention, qui attire l’attention de tout le monde. Naar het voorbeeld daarvan, wordt in Zuid-Nederland de uitdrukking de aandacht vestigen veelvuldig op dezelfde wijze geconstrueerd, maar dit is in strijd met ons taalgebruik: daarbij wordt altijd eene bepaling met op vereischt. De Nederlandsche uitdrukking, waarvan de constructie met die van het fr. attirer l’attention overeenkomt, is de aandacht trekken, waarbij eene bepaling met op fout is. Daar nu fr. attirer l’attention, met een persoon als onderwerp, ook geconstruëerd wordt als ndl. de aandacht vestigen op iets, werd daardoor de verwarring tusschen deze laatste uitdrukking en de aandacht trekken nog in de hand gewerkt. || Zij beijverden zich … om, zoo wel door heusche opmerkzaamheden, als door geestige gezegden, de aandacht van het vleeschhouwstertje te vestigen, SLEECKX 12, 219. Het grootste getal der schilders, die onze aandacht zullen vestigen, zijn tijdgenooten, GEIREGAT, Holl. Schilderk. 55. Wij hebben gezien welke diepe wortels het landschap van bij den aanvang in de Hollandsche schilderkunst geschoten had. Bij haren dageraad vestigt het reeds zeer de aandacht, 154. Een stuk metselwerk, blootgelegd door het afbrokkelen van de kanten, vestigde de aandacht, GEIREGAT, Maatschapp. Vraagst. 4. De zoo groote en spoedige bijval … is een kenteeken waardig de aandacht te vestigen, 76. Wellicht zijn zij (t.w. een paar perkamenten bladen) van aard om een oogenblik de aandacht mijner geleerde Collegas … te vestigen, GÉNARD in Versl. Vl. Ac. 1892, 333. De nieuwe redactie van Broeder Gheeraert’s Natuurkunde van het heelal (had) mijne aandacht … gevestigd, DE PAUW in Versl. Vl. Acad. 1891, 471. Wonderen, wier eerste verschijnen en openbaring niet alleen aller aandacht vestigt, maar die enz., CLAEYS in Versl. Vl. Ac. 1887, 313. Eene lange reeks schilders en schilderwerken, allen waardig de aandacht te vestigen van geschiedschrijvers en kunstminnaars, SABBE, Vl. Schilderk. 2. Een bundeltje poëzie, dat bij zijne verschijning al te weinig de aandacht vestigde, DE MONT in De Toekomst 35, 63.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

vestigen* stichten, nederzetten 1323 [MNW]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal