Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

verwezen - (onthutst, verslagen)

Etymologische (standaard)werken

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

verwezen* [onthutst, verslagen] {1544} verl. deelw. van middelnederlands verwisen [aanwijzen, een veroordeling uitspreken, veroordelen, ten dode doemen] (vgl. wijzen).

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

verwezen bijv., Mnl. verwesen, v.d. van verwisen = veroordeelen: z. gewijsde. In de bet. bedorven behoort bij Mhd., Nhd. verwesen = bederven, Ags. wisnian = verwelken, On. visinn = verwelkt, No. veisen = halfverwelkt + Skr. viṣam, Gr. iós, Lat. virus Oier. = vergif.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

verwese b.nw.
Verslae, beteuterd.
Uit Ndl. verwezen (1544). Eerste optekening in Afr. by Kern (1890).

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Verwezen: ter dood verwezen, van ’t Mnl. verwizen = veroordeelen. Zie Wijten en vgl. ’t Mnl.: „Alst volc die wet Gods versmaet, werdet (= wordt het) ten valle ghewiset. Hiervan: Gewijsde = oordeel.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

verwezen* onthutst, verslagen 1544 [WNT]

Overige werken

Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.

u̯es-2 ‘schmausen; aufgeräumt sein’

Ai. ánu vāvasē ‘hat aufgezehrt’, vástōḥ ‘vor dem Fressen’, av. vastra ‘Fresse, Maul’, vāstrǝm ‘Futter’, vāstar- ‘Hirte’; über lat. vēscor ‘als Speise genießen, sich nähren’ s. oben S. 73; mir. fess, feiss ‘Essen’ (*u̯es-tā), air. fïach ‘Rabe’ (*u̯esākos), daraus entlehnt cymr. gwyach ‘Steißfuß’ (ein Vogel); air. ban-[]ess ‘Hochzeit’ (‘Frauen-fest’), bret. banves ‘Fest’, cymr. gwest ‘Fest’; got. waila wisan ‘schmausen, sich vergnügen’, frawisan ‘verzehren’, wizōn ‘schwelgen’, waila-wizns ‘Schmaus’, gawizneigs ‘sich mitfreuend’, ags. wesan ‘schmausen’ (nur Beowulf 3115, Hs. weaxan); ahd. firwesan, mhd. verwesen ‘verbrauchen’; aisl. vist, ags. ahd. wist f. ‘Speise’; im Ablaut wohl ahd. wastel (frz. gâteau) ‘Kuchen’;
hitt. u̯eši- ‘Viehweide’, u̯ešii̯a- ‘weiden, abweiden; leiten, regieren’; u̯eštara- ‘Hirt’.

WP. I 307 f., Vendryes RC. 35, 89 f., WH. II 769; wohl zu u̯esu- ‘gut’.

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal