Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

vermorzelen - (verpletteren)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

vermorzelen ww. ‘verpletteren’
Vnnl. vermorselen (onovergankelijk) ‘verbrokkelen’ in so valtse bottelicken ende onuoorsiens neder, ende vermorselt ‘dan stort hij volkomen onverwacht in en verbrokkelt’ [1532; iWNT], (overgankelijk) ‘stukslaan, verbrijzelen’ in aen een klippe vermorselt werden ‘tegen een klip verbrijzeld worden’ [1604; iWNT], Vermorsselt my tot stoff [1630; iWNT].
Afleiding met het voorvoegsel → ver- (sub e) van een zn. dat meestal voorkwam in de meervoudsvorm morsele(n) ‘stukken, brokken’. Het enkelvoud luidde aanvankelijk met eindklemtoon morseel, als in een morseel. van der herten ‘een stukje van het hart’ [1270-90; VMNW] en in rijmpositie in Dat hi den lichame ... Ende dat hoeft in soe vele morselen Sloge ende in soe vele delen ‘dat hij het lichaam en het hoofd in zoveel stukken en brokken sloeg’ [1300-50; MNW-R]. Het is ontleend aan Oudfrans morsel ‘stukje, brokje’ [1120-50; TLF] (Nieuwfrans morceau) of middeleeuws Latijn morsellus ‘id.’ [13e eeuw; Niermeyer], beide teruggaand op een verkleinwoord bij klassiek Latijn morsus ‘beet, hap’, een afleiding van mordēre ‘bijten’. In het Nederlands is de klemtoon verschoven naar de eerste lettergreep, zoals in elk geval blijkt uit vnnl. morselken ‘brokje’ [1562; Kil.]. Wellicht werd de uitgang -el geïnterpreteerd als verkleiningsachtervoegsel als in kruimel, korrel, druppel e.d. In het werkwoord vermorzelen kan bovendien analogie met → verbrijzelen een rol hebben gespeeld.
(Ver)morzelen wordt ook wel als erfwoord beschouwd (FvW, NEW). Het zou dan een frequentatief zijn van *morzen, mnl. *morsen, dat wordt vergeleken met mhd. mürsen ‘stukstoten (in een vijzel)’ en mursch ‘broos, vermolmd, verrot’ (nhd. morsch), en zie → morsen. Deze woorden gaan mogelijk terug op pie. *merh2- ‘vermalen’, zie → marmer. Dit is onwaarschijnlijk, aangezien het hierbij aangenomen grondwoord mnl. *morsen ‘stukstoten’ niet is geattesteerd; bovendien is de bij de afleiding van *morsen naar vermorselen verwachte tussenvorm morselen relatief jong en weinig frequent: vnnl. Eenen vlegel morselt het stroo [1618; iWNT].

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

vermorzelen [verbrijzelen] {1532} van ver- + morzelen, middelnederlands morsélen, morseelen [verbrijzelen, aan stukken scheuren], hoogduits zermürsen [kapot drukken], onder invloed van oudfrans morsel (frans morceau) < mors < latijn morsus [het bijten, beet, het knagen], van mordēre (verl. deelw. morsum) [bijten, afbrokkelen].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

vermorzelen ww. nnl. samenstelling van oudnnl. morzelen; dit kan zijn een iteratief van *morzen (vgl. mhd. mürsen) of afl. van mnl., oudnnl. morzel, Kiliaen morsele ‘stuk, brok’. Dit is een afl. van oudnl. morsch ‘slap, rottig, vuil’, nnd. nhd. morsch, mors, mhd. zermürsen, md. zermorschen ‘stuk drukken’, zwits. morsen, mürsen ‘fijnstoten’. — oi. maṣam, maṣim kar- ‘tot poeder maken’, maṣi- ‘poeder’ (IEW 737). — Zie verder: murw.

Het woord morzel kan beïnvloed zijn door lat. *morsellus > ofra. morsel > mnl. (vla.) morseel, mnd. morsēl, mhd. mursel, morsel ‘stuk, brok’.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

vermorzelen ww., nnl. Samenst. van oudnnl. morzelen “vermorzelen”. Dit is òf een frequentativum van *morzen = mhd. -mürsen òf een afl. van mnl. oud- en dial. nnl. morzel, Kil. morsele “stuk, brok”, dat als een ontl. — met accentverplaatsing — uit lat. *morsellus (> ofr. morsel > mnl. nog vla. morseel, mhd. mürsël, morsël, mnd. morsêl o., fr. morceau “stuk”) beschouwd zou kunnen worden, maar toch eer echt germ. is en verwant met oudnnl. mors(ch) “slap, rottig, vuil”, nnd. nhd. mors(ch) “id.”, mhd. (zer)mürsen (md. zermorschen) “kapot drukken”, zwits. morsen, mürsen “fijnstampen”. Deze woorden kunnen van een germ. basis mur-s- komen, die dan met murw verwant is. Vgl. morsdood.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

vermorzelen. Wellicht mag men de met s verlengde basis, hier voor het Germ. aangenomen, reeds als idg. beschouwen met het oog op oi. maṣi-, maṣî- ‘poeder’ (Persson Beitr. 220).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

vermorsel ww.
1. In klein stukkies breek, vergruis. 2. Verpletter, totaal oorwin.
In bet. 1 uit Ndl. vermorzelen (1532), 'n afleiding met ver- van morzelen 'stukkend maak, verbrysel, verpletter'. Bet. 2 is 'n leenbetekenis van Eng. crush (1596) of smash (1813). Eerste optekening in Afr. in Patriotwoordeboek (1902) in die vorm fermorsel.
Vgl. 2mors.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

vermorzelen ‘verbrijzelen’ -> Negerhollands vermorsch ‘geheel stukslaan of -drukken, verbrijzelen’; Sranantongo fermorsu ‘verbrijzelen’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

vermorzelen verbrijzelen 1532 [WNT]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal