Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

verlopen - (voorbij(ge)gaan, verstrijken)

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

verloupe (bn.) verliederlijkt; Sermoen euver de Weurd (18e eeuw) verloupe.

Thematische woordenboeken

Ch.F. Haje (1932), Taalschut, schrijf weer Nederlandsch, Leiden

Verloop – Verloopen
Onder invloed van D. Verlauf dring verloop meer en meer door, waar onze taal het enkele loop (= gang) verlangt: Het verloop van een ziekte, van een vergadering, een wedstrijd, een proces, een gesprek.
Alleen wanneer men het op- en nedergaan, het rijzen en dalen van den loop eener ziekte of van eenige handeling bepaaldelijk wil aanduiden, kan men verloop bezigen, daar in het voorvoegsel ver- zulk een wisseling gelegen is, zooals we zien in: het verloop onder personeel; het verloop in die klasse is van het jaar gering geweest. (Er zijn weinige oude leerlingen heengegaan en weinige nieuwe bijgekomen.) Toch blijft ook bij een weloverdacht gebruik van verloop oppassen de boodschap, ten einde verwarring te voorkomen met verloop = achteruitgang, verval (het verloop van den handel, van de kunst).
Ook verloopen komen we telkens tegen op plaatsen waar de taal loopen, ook afloopen verlangt: Het gevecht is gunstig verloopen voor de Chineezen. De stemming verliep zuiver rechts-links. De zaak is toch nog bevredigend verloopen.
We lezen herhaaldelijk van vergaderingen, die rustig verliepen. Men wil dan meedeelen, dat het tijdens de vergadering rustig was, dat dus de vergadering rustig liep, in haar werk ging. (Vgl. dat horloge loopt regelmatig, die zaak loopt makkelijk, van een leien dakje). Maar men zegt eigenlijk, dat de vergadering rustig afliep, rustig uiteenging.
Eigenaardig is het opkomen van beloop in de kringen der geneeskundigen: de ziekte had een normaal beloop. Dat de medici verloop beginnen beu te worden, is best, maar zijn vervanging door beloop baat het Ned. weinig. Wel zegt beloop in: dit is ’s werelds beloop; een zaak op haar beloop laten, niet veel meer dan loop alleen, maar voor het overige geeft be- in beloop de omlijning, de afbakening van loop te kennen. Er wordt zoodoende een figuur in onze gedachte opgeroepen: het beloop van een gelaat, van een vaartuig, van een kust. Ook een rekening is omlijnd, is afgesloten, als men haar beloop kent.
Mogelijk is dit medische beloop hieruit te verklaren, dat onze dokters ook spreken van een ziektebeeld, een figuur dus, waarbij beloop wel zou passen. Echter is ziektebeeld zelf een uiterst verdachte samenstelling met beeld. De aard, het wezen eener ziekte, zich uitende in ziekteteekenen, ziekteverschijnselen, moest een Nederlander dat niet noemen: het geheel der ziekte, het ziektegeheel?

Zich verloopen in
Dit germanisme zien wij dikwijls vereenzelvigd met zich verliezen in. “De kunst verliep zich in overdreven vormendienst”. Hier had even goed kunnen staan verloor zich in en het was even stijf geweest. Waarom niet verliep zonder dat zich; of anders liep vast, liep dood? “De psychologie verloopt zich in abstracte theorieën” (verloopt, verzandt; strandt op).

A. Moortgat (1925), Germanismen in het Nederlandsch, Gent

zich verloopen. — Met een zaak als onderwerp is zich verloopen navolging van D. sich verlaufen en alzoo ongebruikelijk. In gewoon taalgebruik zegt men verloopen. Hieronder te niet of te loor gaan, uitklinken, wegsterven of iets dergelijks.
|| Het paardengetrappel verliep zich in het vachtige mos, dat in leenige (sic) wendingen over heuveltjes trok enz., Adriaan van Oordt, Warhold, I, 39.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

verlopen ‘voorbijgaan, verstrijken’ -> Deens forløbe (sig) ‘(voorbij)gaan, ontwikkelen, zijn zelfbeheersing verliezen’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors forløpe ‘voorbijgaan, zich ontwikkelen’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds förlöpa ‘voorbijgaan, verstrijken, ontwikkelen’ (uit Nederlands of Nederduits); Negerhollands verloop, loop wee ‘(voorbij) gaan, ontwikkelen, verstreken, verteren’.

verlopen ‘voorbijgegaan; aan lagerwal geraakt’ -> Fries ferlopen ‘aan lagerwal geraakt’; Javaans perlup ‘voorbijgegaan, verstreken’; Kupang-Maleis farlope ‘aan lagerwal geraakt’.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal