Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

verliezen - (kwijtraken; overwonnen worden)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

verliezen ww. ‘kwijtraken; overwonnen worden’
Onl. farliesan ‘kwijtraken’ in that se the sielen neuerlîesen ‘opdat ze niet de ziel verliezen’, that sin sun then leuen uerloren hauodo ‘dat zijn zoon het leven verloren had’ [beide 1151-1200; Reimbibel]; mnl. verliesen ‘kwijtraken; overwonnen worden’ in einig urowe ... die ere magitum hauit uerlorn ‘een vrouw die haar ongereptheid heeft verloren’, uerliesen ... eren herliken lif ‘een kostbaar leven verliezen’ [beide 1201-25; VMNW], Mar si verloren tspel ‘maar ze verloren de strijd’ [1285; VMNW].
Afleiding met het voorvoegsel → ver- van een werkwoord *liezen dat in geen van de Germaanse talen als simpelx is overgeleverd en dat verwant is met het bn.los 1 ‘niet vast’.
Os. farliosan (mnd. vorlesen); ohd. farliosan (nhd. verlieren); ofri. forliāsa (nfri. ferlieze); oe. forlēosan (ne. alleen nog het verl.deelw. forlorn ‘verlaten, ellendig, hopeloos’); got. fraliusan; alle ‘verliezen’, < pgm. *fra-leusan-, sterk werkwoord bij de wortel *leus-, zie verder → los 1 (met nultrap).
De -r- in verloren (verl.deelw. en verleden tijd meervoud) is klankwettig ontstaan door grammatische wisseling en rotacisme, zoals in (uit)verkoren bij verkiezen. De verleden tijd enkelvoud luidde in het Middelnederlands verloos, maar werd door analogiewerking vervangen door verloor. In het Duits is de -r- uiteindelijk ook doorgedrongen in de infinitief verlieren en in de tegenwoordige tijd.
Bij verliezen in de betekenis ‘een strijd verliezen, overwonnen worden’ kon het verl.deelw. verloren als bn. een eigen betekenisuitbreiding ondergaan, van ‘overwonnen’ naar ‘in het verderf gestort, geruïneerd, ellendig, vergeefs, nutteloos’, zoals in hij is verloren ‘hij is niet meer te redden’, verloren kost ‘nutteloos besteed geld’, verloren moeite ‘vergeefse moeite’.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

verliezen* [kwijtraken] {verliesen 1201-1225} oudsaksisch, oudhoogduits farliosan, oudfries urliasa, oudengels forleosan, gotisch fraliusan; buiten het germ. latijn luere [(een financiële band) losmaken, betalen], grieks luein [losmaken], oudindisch lunāti [hij snijdt].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

verliezen ww., mnl. verliesen, os. farliosan, ohd. farliosan (nhd. verlieren met doorgevoerde r uit mv. praet. en verl. deelw.), ofri. forliāsa, ūrliāsa, oe. forlēosan (ne. alleen deelw. forlorn), got. fraliusan. — Abl. mnd. vorlust, ohd. forlust (nhd. verlust), ofri. ūrlest, got. fralusts v. ‘verlies, ondergang’ en os. ohd. farlor, oe. forlor m. ‘verlies’, vgl. nog on. losna ‘los worden’, got. fralusnan ‘verloren gaan’. — Idg. stam *leus is afgeleid van *leu ‘afsnijden, scheiden, losmaken’, vgl. gr. luō ‘los maken, bevrijden’, lat. luō ‘boeten, betalen’, solvo (< *se-luō) ‘los maken’, toch. A lo, B lau ‘verwijderd, gescheiden’, hitt. lu-uz-zi ‘belasting’ (IEW 681-2). — Zie nog: leur 3, loor, loos 2 en looien.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

verlies znw. o., mnl. verlies o. m. “verlies, schade, verderf, ongeluk”. = mnd. vorlês o. “id.” (nhd., oorspr. ndd., verlies o., oorspr. “plaats waarin men zich verliest”, dan “hok, kerker”). Van ’t ww. mnl. verliesen (nnl. verliezen). ohd. farliosan (nhd. verlieren met r in ’t heele paradigma naar het verl. deelw. en het mv. van het praeteritum), os. farliosan, ofri. for-, ûrliâsa, ags. forlêosan (eng. verl. deelw. forlorn), got. fraliusan “verliezen”. Het simplex komt niet voor. Met ablaut ohd. forlust v. (nhd. verlust m.), mnd. vorlust, ofri. ûrlest, got. fralusts v. “verlies, ondergang”, ohd. os. farlor, ags. forlor m. “id.”, on. losna “los worden”, got. fralusnan “verloren gaan”. Zie verder leur III, loor, loos II. Germ. leus- is een verlenging van de idg. basis leu-, lū̆- “losmaken”, waarvan ook lat. luo “ik boet, betaal”, so-lvo “ik maak los”, gr. lū́ō “id.”, oi. lunā́ti, lunóti “hij snijdt, snijdt af”. Een deelw.-formatie *lū̆no- behalve in oi. lûná- “(af-)gesneden” in got. lun (o.; of luns m.?) “losgeld” (waarbij ags. â-lynnan, â-lynian “losmaken”, got. us-luneins v. “verlossing”), wsch. ook in ier. lûn “gesneden schaap”. Uit het Germ. brengt men nog on. lûinn “gebroken, vermoeid”, lŷja “kloppen, vermoeien” en m. “zeis” (*lewan-; hoe is mnd. (lêhe) v. “id.” te verklaren?) hierbij (evenzoo gr. laīon, oi. laví- “sikkel”). Hoogerop kan deze basis lū̆- met de bij sluimeren besprokene identisch zijn: oorspr. bet. “los, slap zijn of maken”. Zie nog bij looien.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

verlies, verliezen znw. resp. ww. Ohd. os. farlor m., ags. forlor o.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

verliezen o.w., Mnl. verliesen, Os. farliosan + Ohd. id. (Mhd. verliesen, Nhd. verlieren), Ags. forléosan (Eng. v.d. forlorn), Ofri. úrliása, Go. fraliusan: Germ. wrt. leus, een afleid. van Idg. wrt. leu̯: Skr. wrt. lu, Gr. lúein = ontbinden, Lat. so-lv-o = losmaken (z. los).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

verlere (ww.) verliezen; Aajdnederlands farliesan <1151-1200>.

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

verlie’zen: verloren hebben (had verloren), iets gemist hebben. Je hebt verloren = Je hebt wat gemist, er is iets aan je voorbij gegaan.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

verloor: kwytraak; verdwyn; onderspit delf; uit d. impf. v. Ndl. verliezen (Mnl. verliesen), Hd. verlieren, Eng. (verl. dw.) forlorn, vorme met r het in die paradigma v. d. ww. ’n belangrike rol gespeel, nie by d. s.nw. verlies nie, mntl. ook v. belang kon feit gewees het dat die ww. meestal na d. gebeure gebr. word.

Thematische woordenboeken

N. van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

verliezen (zich -- in) (vert. van Frans se perdre dans/en of Duits sich verlieren in)

S. Theissen (1978), Germanismen in het Nederlands, Hasselt

verliezen (zich - in)

‘De spreker verloor zich in allerlei uitweidingen.’

Dit is een mooi voorbeeld van een uitdrukking die evengoed aan Franse als aan Duitse invloed te wijten kan zijn. Sommigen beschouwen zich verliezen in als een gallicisme

(‘F. ‘se perdre dans, en’) voor ‘vastlopen, verdolen’, anderen als een germanisme (D. ‘sich verlieren in’). Dubbele invloed is trouwens niet uitgesloten: het kan in het Zuiden een gallicisme en in het Noorden een germanisme zijn.

Wat er ook van zij, zich verliezen in heeft sinds de jaren ’50 terrein verloren: de meeste woordenboeken vermelden het zelfs niet meer. Kramers en Jansonius zijn de enige woordenboeken die het zonder verdere aantekening hebben opgenomen. Van Dale, die er eerst geen bezwaar tegen maakte, vraagt zich nu af of het geen germanisme is.

Ch.F. Haje (1932), Taalschut, schrijf weer Nederlandsch, Leiden

Zich verliezen in
Dit is ongetwijfeld van Fr. se perdre dans en dus een wederk. werkwoord van den lijdenden vorm (zie bl. 140). Het D. heeft een sich verlieren = verdolen, verdwijnen. Het Ned. had zich verliezen beperkt tot het verward raken van een spreker in zijn rede, dus met onderwerp van den persoon: spreker verloor zich in allerlei uitweidingen, bespiegelingen. Maar het Ned. laat bijv. niet toe, dat de rede zich zelf in iets verliest. Van Lennep en meer oudere schrijvers waren niet vies van dit gallicisme.
Bij modernen: De romantiek verloor zich in het doodloopende paadje der onoorspronkelijkheid (liep vast, verdoolde, ging verloren, ging teloor). De fantasie verliest zich in dezen roman in eindelooze verten (zwerft weg, verijlt).

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Verliezen, van den Germ. wt. lus, Idg. lu = los zijn, los worden. Wat men los laat, voor ons los gaat, wat men dus verliest, raakt men kwijt.

W. de Vreese (1899), Gallicismen in het Zuidnederlandsch, Gent

verliezen (II) (zich verliezen in gissingen). - In dezen vorm is deze uitdrukking een gallicisme: zij is eene letterlijke vertaling van fr. se perdre en conjectures. In goed Nederlandsch zegt men zich in gissingen verdiepen (zie Wdb. d. Ndl. Taal, op Gissing). || De Antwerpsche high life verloor zich in gissingen, SLEECKX 14, 197. Men verloor zich in gissingen omtrent de onverklaarde en onverklaarbare verdwijningen, 14, 251.

verliezen (I). - Het type van eene bekende Fransche beeldspraak is un village perdu dans le forêt, en se perdre beteekent daarin zoveel als verdwijnen, onzichtbaar worden. Deze beeldspraak wordt door Zuidnederlandsche schrijvers niet zelden nagevolgd, maar eene zo uitgebreide beteekenis is aan ndl. verliezen niet eigen. || Het lieve hoofdje verborgen tusschen de lobbige plooien eener oude trekmuts, het slanke lijfje verloren onder moeders nachtjak, A. BERGMANN, Staas 22. Ziet hem daar toch staan, verloren in zijn rok, den punt’gen vilt schuins op een oor, DE MONT, Id. 59. In het dichte woud verloren, stond weleer een prachtig klooster, BUYST in Ned. Dicht- en Kunsth. 18, 214.

verliezen (III) (geen woord verliezen). - Om aan te duiden dat men een gesprek met de grootste aandacht aangehoord heeft, zegt men in het Fransch: je n’ai pas perdu un mot (de l’entretien). Op de volgende plaats is deze zegswijze nagevolgd, in strijd met ons taalgebruik; men zegt mij is geen woord ontgaan. || De huisvriend ... steekt zijn hand uit naar ’t eenig zoontje, dat geen woord verloren heeft, ofschoon Vader meent, dat het niet luistert en voortleest, R. LOVELING, Pol. en Theod. 134.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

verliezen ‘kwijtraken’ -> Fries ferlieze ‘ongemerkt laten vallen, liggen of staan’; Deens forlise ‘schipbreuk lijden; kapot gaan; kwijtraken’; Noors forlise ‘schipbreuk lijden’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds förlisa ‘vergaan, schipbreuk lijden’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds förlora ‘kwijtraken’ (uit Nederlands of Nederduits); Fins † wörliisata ‘schipbreuk lijden, verdrinken’ <via Zweeds>; Negerhollands verlies ‘kwijtraken; verdwalen, verdwijnen’.

Dateringen of neologismen

Nicoline van der Sijs (2015-heden), Jaarwoordenzoeker ‘Een woord uit elk jaar 1800-heden’, zie ook bij Onze Taal

Niets te verliezen en toch bang [boektitel] (1978). Schrijfster Renate Rubinstein (1929-1990) publiceert in 1978 een boek over haar echtscheiding met de spreekwoordelijk geworden titel Niets te verliezen en toch bang. Het boek bestaat voor een deel uit columns die Rubinstein schreef voor Vrij Nederland, in een tijd dat het genre ‘column’ nog vorm moest krijgen.

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

verliezen* kwijtraken 1201-1225 [CG II1 Floyris]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

360. Een broer(tje) aan iets dood (of verloren hebben),

d.w.z. het land aan iets hebben, van iets niets willen weten; bang zien aan iets (vgl. Ndl. Wdb. II, 970), eig. gezegd van eene ziekte, waaraan een broertje gestorven is, zoodat de ander er bang voor geworden is. In Zuid-Nederland: eenen (n)oom van iets dood hebben, bij ondervinding weten dat iets niet pluis is (De Bo, 749 en Joos, 78). In het fri. dêr ha'k in broer oan forlern, dat doe ik met tegenzin. Vgl. Willem Leevend II, 127: Die haar foppen wil, moet vroeg opstaan, en daar heeft myn Nigt een broêr aan verlooren; C. Wildsch. III, 267: Die vrome lui hebben doorgaands aan geeven een broêr verlooren; Harreb. I, 92 a; Ndl. Wdb. III, 2846; VI, 226; II, 970; Nest, 60; Falkl. IV, 118; Landl. 76; Amst. 17; Bergsma, 71: An't wark hef hi 'n breur(tien) dood, verloren.

2476. Een vos verliest wel zijne haren maar niet zijne streken,

d.i. al wordt men ouder, toch verliest men niet zijn aangeboren aard; immers het is lichter oude schoenen te verwerpen dan oude zedenSart. II, 7, 90; Cats I, 409; Tuinman II, 90; Harreb. II, 254 a.; de oorspronkelijke neigingen komen altijd weer boven; ‘'t wordt in 't bijzonder toegepast op mannen die, schoon reeds oud zijnde, nog veel van het vrouwelijk geslacht houden’ (Molema, 232 a). Reeds bij de klassieken is dit spreekwoord bekend geweest, blijkens Apost. 12, 66: ο, λυκος την τριχα, ου την γνωμην αλλαττει; Suet. Vesp. 16: proclamaverit vulpem pilum mutare non mores (Otto, 379; Journal, 391; Bebel, 441); zie verder Mergh, 11: de wolf verandert zijn hayr, maer niet zijn aerdZie mlat. raro mascuescit lupulus, quicunque senescit (Werner, 84); Servilius, 145: de wolf verandert syn haer, maer niet synen aert; Cats I, 460: de wolf ruyft van baert maer noyt van aert; Harreb. I, 5 a.); Huygens VI, 161:

 Al wisselt schoon de vos sijn vel,
 De vossen aert blyft evenwel.Vertaling van het Sp. el pelo muda la raposa, mas el natural no despoja.

Harrebomée I, 268 b; Van Eijk II, 93; Taalgids IV, 261; Molema, 232 a; Eckart, 131; fri. de foks forliest syn hier wol, mar syn streken net naast in aep mei syn stirt forlieze, syn kueren net; Rutten, 268 a: een vos verliest wel zijn haar, maar zijne perten niet; Antw. Idiot. 1402; hd. der Fuchs wechselt das Haar und bleibt wie er war (Wander I, 1243); fr. le loup mourra dans sa peau; eng. the fox may grow gray, but never good; de. Raeven forandrer vel sit Skind, men ikke sit Sind.

Overige werken

Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.

leu-2 ‘abschneiden, trennen, loslösen’, auch leu̯ǝ- und lēu- : lǝu- (: lū̆-), z. T. leu-s-, lū̆-no- ‘geschnitten’

Ai. lunā́ti, lunṓti ‘schneidet, schneidet ab’, lūná- ‘abgeschnitten, geschnitten’ (: mir. lon), lavítra- n. ‘Sichel’, laví- f. ds. (: gr. λαῖον, aisl. ds.), lava- m. ‘das Schneiden, Schur, Wolle, Haar, Abschnitt’, lāva- ‘schneidend’, lāvaka- m. ‘Abschneider, Mäher’;
gr. λύω ‘löse, befreie; vertilge usw.’, λύᾱ f. ‘Auflösung, Trennung’, λύσις f. ‘Lösung’, λύτρον n. ‘Lösegeld’; βου-λῡτός m. ‘Zeit des Ausspannens der Rinder, Abend’ (: so-lūtus); λαῖον ‘Pflugschar’ (λαι̯ον; vgl. aisl. , mnd. , lehe ‘Sichel’ aus *lewan- und ai. laví- ds.); ἀλωή, att. ἅλως f. ‘Tenne’;
alb. laj ‘zahle eine Schuld’ (*lǝuni̯ō, ablautgleich mit gr. λα(ϝ)ῖον); përlaj ‘beraube’, vielleicht auch letë ‘Mähne’ (*leu-t-) und (von der Wurzelf. auf -s) lesh (*leus-) ‘Wolle, Haar’ (vgl. dieselbe Bed. in ai. lava-); da nach Jokl L.-k. U. 127, 147 ff. fluer ‘Fach einer Truhe’ (*vë-lor- aus idg. *lēu-r-), sh-lor ‘Hangegerüst’, pluar (*pë-luar) ‘Pflugschar’, lug, lugu ‘Trog’, flugë ‘Brett’, lugë ‘Löffel’;
lat. luō, -ere ‘büßen, zahlen’, in Glossen ‘λύω’, reluō ‘löse wieder ein’, solvō (*se-luō) solūtus ‘lösen’, luēs (‘*Auflösung’, daher:) ‘unreine Flüssigkeit usw.’;
mir. lon ‘Hammel, Schöps’ (: ai. lūná-), air. loë f. ‘Wolle, Fließ’ (*lōu̯i̯ā), ló ds. (*lōu̯ā);
got. lun Akk. Sg. ‘Lösegeld’, us-luneins ‘Erlösung’, ags. ā-lynnan ‘erlösen’; aisl. lȳja ‘schlagen, (mürbe) klopfen, entkräften’, Partiz. lūinn ‘ermüdet’, nisl. lūi ‘Ermattung’; aisl. m. ‘Sichel’ (s. oben); *lawa ‘abgelöste Rinde als Gerbmittel’ in ahd. , Gen. lōwes n. nhd. Lohe, mnd. ds.; aisl. lǫgg f. ‘Bodensatz’ (*lau̯u̯ō); ahd. līh-lawi (līhlōa, līhla), mnd. līk-lawe ‘Narbe’ (ibd.); aisl. lūðr ‘Trog’ (ausgeschnittener, gehöhlter Stamm); ahd. lūdara ‘Wiege’; ablaut. schwed. dial. ljuder ‘alter Riß an einem Baum’;
mit der Bed. ‘abgeschnittenes Brett’ hierher russ. láva ‘Brett, Bank, Steig’, lit. lóva ‘Bettgestell’, lett. lāva ‘Pritsche, Bettstelle’, dän. älter lo, schwed. lofve, loge, aschwed.loi, lo, aisl. lōfi m. ‘Tenne, Scheuer’ (aisl. lāfi ist eine alte Ablautform *lēwan-);
toch. A lo, В lau ‘entfernt, getrennt’; A law-, В lyu- ‘fortschicken’; A lot ‘Graben, Loch’;
hitt. lu-uz-zi (luzzi) ‘Steuer, Belastung’ (vgl. gr. λύτρον).
s-Erweiterung: got. fra-liusan, ahd. far-liosan ‘verlieren’; got. fralusnan ‘verlorengehen’, aisl. losna ‘lose, locker werden’, losa ‘lösen’, postverbal los n. ‘Lösung’, ags. losian ‘verlorengehen’, Denomin. zu los n. ‘Verlust’; lysu ‘schlecht, böse’ (*lusiwa-), got. fralusts, ahd. forlust ‘Verlust’; got. laus ‘los, leer’, aisl. lauss ‘frei, lose, aufgelöst’, ahd. lōs ‘frei, beraubt, lose’, ags. lēas ‘leer, beraubt, betrügerisch’, aisl. lausung f. ‘Unzuverlässichkeit’, ags. lēasung ‘Lüge’, lēasian ‘lügen’; got. lausjan, ahd. lōsian, lōsōn ‘losen’; vielleicht adän. liuske m. ‘Weiche’ > aisl. ljōski, mnd. lēsche, mndl. liesche, nndl. lies, ags. léosca ‘Weiche’, sowie mndl. liesche ‘dünne Haut’, schweiz. lösch ‘locker’; mit einer Bedeutung ‘(los)schlagen, klopfen’ wohl auch aisl. ljōsta ‘schlagen, stechen, treffen’, ljōstr ‘Gabel zum Fischstechen’, nisl. lustr ‘Knüttel’ (‘*abgehauenes Aststück’); als alt wird diese Anwendung erwiesen, wenn mir. loss ‘Schwanz, Ende’, cymr. llost ‘Speer’, llosten ‘Schwanz’, bret. lost ‘Schwanz’ anzureihen sind;
hierher (Specht Idg. Dekl. 56) lett. laûska ‘Splitter, Scherbe’, ablaut. lit. lùskos ‘Lumpen’, lùzgana ‘Hülse, Schuppe’, lusnà ‘Hülse, Schale’, russ. lustá ds., usw. Möglicherweise verwandt ist *lēu- ‘Stein’, s. dort.

WP. II 407 f., WH. I 830, 834 f., Wissmann Nom. postverb. 84 ff.; aus vorrom. und vorgerm. *leiskā, *leuskā, *laskā in nhd. Lische, frz. laîche usw. ‘carex’ erschließt J. Hubschmid ZcP 24, 81 ff. ein idg. elei-, eleu-, elǝ- ‘schneiden’.

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal