Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

verkopen - (voor geld aan een ander overdoen)

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

verko’pen (verkocht, heeft verkocht), (ook:) symbolisch verkopen (van een kind om het van onheil te vrijwaren). Vrouwen, die een aantal miskramen of levenloos geboren kinderen achter de rug hebben, ’verkopen’ om herhaling te voorkomen hun nog ongeboren kind voor een symbolisch bedrag aan een man, die niet de verwekker ervan is: met het oogmerk om bijvoorbeeld zwarte magie af te wenden (Buschkens 256). - Opm.: Kan zowel betr. hebben op een ongeboren kind (zie het cit.) als op een bestaand kind dat veel ziek is; de ’koper’ kan zowel een vrouw als een man zijn.

Thematische woordenboeken

P.G.J. van Sterkenburg (2001), Vloeken. Een cultuurbepaalde reactie op woede, irritatie en frustratie, 2e druk, Den Haag

verkopen. Mullebrouck (1984) kent voor Vlaanderen de verwensing ga, verkoop u aan de voddenmarchand! Ze wordt gebruikt als men het schurft heeft aan iemand, boos op hem is of anderszins gefrustreerd. ‘Rot op’ is een bondig equivalent.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

verkopen ‘voor geld aan een ander overdoen’ -> Javindo ferkoop, ferkopen ‘voor geld aan een ander overdoen’; Negerhollands verkoop, fǝrkō, frokō, frukō, floko ‘voor geld aan een ander overdoen’; Berbice-Nederlands frukopu, furkopu ‘voor geld aan een ander overdoen’; Skepi-Nederlands forkóp ‘voor geld aan een ander overdoen’; Creools-Engels (Maagdeneilanden) † fruko ‘voor geld aan een ander overdoen’ <via Negerhollands>.

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1942. Bij den roes.

Vooral in verbinding met het wkw. koopen of verkoopen beteekent deze uitdr. zonder te meten of te wegen, voetstoots, zooals het daar ligt, zooals het daar neergesmeten is; ook: de geheele rommel, massa. Vgl. Gew. Weeuw. III, 75: Ik zag wel by de ruus (op 't eerste gezicht) dat hy geen scheet weerd was; Halma, 545: Bij den roes, à la boule-vue, en bloc et a tâche, sans peser ou mesurer; roezen, by den roes verhandelen, faire négoce à la boule-vue, sans peser ou mesurer ce que l'on vend; Harreb. II, 225: Het gaat daar alles bij den roes. Bijna in geheel Nederland is de uitdr. bekend; vgl. het fri. roeze, iets overnemen, zonder het te meten of te wegen; op 'e roes keapje (of forkeapje); ook by de roes, bij de massa, bij de vleet; in roeske apels, een aardige hoop, een zootje appels (vgl. dial. bof, bom, eene goede hoeveelheid, naast boffen, bommenNdl. Wdb. III, 247; Rutten, 34 a.; Bouman, 89: roezen, gissen, schatten, raden: het gaat bij de roes, hij heeft het maar zoo wat geroesd; De Vries, 92: roezen, schatten, rooien; Hoeufft, 497: bij den roes, bij den koop, voetstoots; Molema, 352 b: iets in de roeze koopen of verkoopen, alles wat er is; bl. 558: in de roes, dooreen genomen; Gunnink, 195: in de roes koopen, voetstoots koopen; Jodenh. 34: Wat kost dat zootje in de roest? Persl.: Hè-je dan alles verkoch? in de roes verkoch voor achthonderd gulde; oostfri.: ruse, rûse, de geheele rommel; in de ruse koopen of rusen (Ten Doornk. Koolm. III, 72 a; 74 b); Draaijer, 34 b: in de ruze verkoopen, d.i. op 't gezicht, zonder te tellen, te meten of te wegen; ruzen, ramen (vgl. ook V. Schothorst, 192); Gunnink, 196: roezeln, bij den roes koopen; De Bo, 962: iets op de ruize koopen; 1400 b: roezen, iets koopen of verkoopen zonder wegen of meten, bij den hoop en de wikke koopen of verkoopen. Over den oorsprong van dit woord zie Ndl. Wdb. XIII, 819; 847; 1808; Schröder, Streckformen, 70 en Franck-v. Wijk, 555 en De Jager, Frequ. I, 547, die beide verwantschap aannemen met het oudnnl. werkw. rûsenDeze vorm komt o.a. in de Vechtstreek voor naast een ww. roesten., mnd. rûsen, lawaai maken; ouder deensch ruse, razen, storten, gaan; zweedsch rusa, snellen; vgl. ook V. Schothorst 192; rüzelen, ruischen; zuidndl. ruizen, werpen, smijten (Schuerm. 561); het znw. ruzie en roezig weer, onstuimig weer; een roezige boel (rommel); zuidndl. ruisig weer, de jonge is ruisig van manieren (zie Waasch Idiot. 824); roezemoezig, onordelijk, en het sedert de 17de eeuw herhaaldelijk voorkomende ruizemuizen, roezemoezen, leven maken, drukte maken, rumoerig zijnVgl. Mnl. Wdb. VI, 1709.. ‘Roes’ beteekent dan iets wat zoo maar neergesmeten is, met lawaai is neergekwakt, niet uitgezocht is, de geheele rommel, dat ook denzelfden overgang van beteekenis heeft, als afgeleid van rommelen, lawaai maken, met lawaai vallen; vgl. 17de eeuw: al de preutel, de geheele rommel; flap, logge massa, naast flappen, smijten (Ndl. Wdb. III, 4512); verder het Noordnederlandsche de gooi, de geheele rommel, de kwak, de kluts (De Bo, 539), de smijt (Ndl. Wdb. V, 411; 1233), de smak (Tuerlinckx, 569), klets (Teirl. II, 142); fonk, merkelijke hoeveelheid naast fonken, stooten, slaan (Tuerlinckx, 192); het dial. ‘een smak duiten, een smijt geld hebben’ (Boekenoogen, 952; fri. in smite folk); het vroegere wkw. buischen, kloppen, stooten, slaan, met het hd. bausch (in bausch und bogen verkaufen); een bonk duiten naast bonken, slaan; een bom duiten naast bommen, klinken; de heele rataplan, eig. trommelslag (fr. rataplan); hutsje, zootje naast hutsen, schudden; meuk, hoeveelheid, troep, naast meuken, door slaan zacht maken (vgl. moker); goes (in bij de goes, bij den roes), goesie, aantal knikkers naast goezen, gutsen; goeschen, werpen, smijten (vgl. ruizen naast ruischen); een mep worst (een stuk, een zekere hoeveelheid worstGroot-Nederland, 1914 (Oct.), bl. 395. naast meppen, slaan; kliek, rommel; enz.

2362. Die zich zelf verhoogt, zal vernederd worden.

Dit gezegde is ontleend aan den Bijbel; vgl. Luc. XVIII, 14: Een yeder die hem selven verhooght, sal vernedert worden (ende die hem selven vernedert, sal verhooght worden). Soms worden deze woorden ‘schertsender wijze in stoffelijken zin gebezigd van iemand die op eene verhevene plaats staat of op een hoogen stoel zit’; Zeeman, 466; Harreb. III, 74; fr. qui s'élève, sera abaissé; hd. wer sich selbst erhöhet, wird erniedrigt werden; eng. whosoever shall exalt himself, shall be abased.

2470. Goed voorgedaan is half verkocht,

d.i. de waren die mooi uitgestald zijn, trekken spoedig koopersVgl. Starter, 43: Hy doet schoontjes veur, dat doet mijn van hem koopen.; vandaar ook bij overdracht van meisjes gezegd, die fraai en netjes gekleed zijn, het beste brood voorleggenNdl. Wdb. III, 1540; Spieghel, 285; Tuinman I, 97: Het beste brood legt men op 't venster; fri. de moaiste wiggen foarlizze of de moaiste apels in 't finsterbank lizze, dat ook bij Smetius, 18 voorkomt: een yeghelijck leght syn schoonste appelen boven; in Drente: de mooiste eiers veur in de körf leggen (Bergsma, 106); fr. le dessus du panier., zich op het voordeeligst voordoen en daardoor eerder behagenVgl. in dat verband: Wie zijn huis wil verkoopen, moet zijn gevel versieren, zei een vrouw, wier dochter zich in de puntjes kleedde om naar de kermis te gaan, in de hoop er een vrijer te krijgen (N. Taalgids, XIV, 254).. De zegswijze komt in de 16de eeuw voor, zooals blijkt uit de Prov. Comm. 611: Scoen voert ghedaen es half vercoft, vendida pro parte res est monstrata venuste; Goedthals, 49: schoon voortghedaen es half vercocht, denree qui plaist est a demy vendue; Campen, 117: schoone voortgedaen, is half vercoft; H. de Luyere, 33: Schoon voortghedaen is half vercocht; Idinau, 175:

 Schoon voort-ghedaen, is half verkocht,
 Want schoon ver-toogh, den kooper ver-weckt.
 On-achtsamen winckel, werdt luttel besocht;
 Jae soude eer werden van ander begheckt.
 Schoonst doet hy voort, die tot deughden streckt.

Cats, I, 416; De Brune, 471; 477; V.d. Venne, 111: Schoon voorghedaen is half ghelooft om heel te verkoopen; Six v. Chandelier, 81: Fraai opgedaen is half verkocht; Starter, 68: De Juffren peinsen (dunckt my) voortgedaen op 't schoonst is half verkocht; Tuinman I, 97; 365; II, 8; Adagia, 68: Wel voorgedaen is alf verkocht, dimidium facti qui bene coepit habei; Br. v. Abr. Bl. II, 309; Harreb. I, 28b; III. 74 b; Twente: opsieren dôt de botter verkaopen; fri.: goed foardwaen is heal forkoft; zuidndl.: opdoen doet verkoopen (vgl. ook Harreb. III, XCIII); fr. marchandise qui plaît est à demi vendue; Schotsch: liked gear is ha'f bought (Prick).

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal