Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

verheugen - (blij zijn, blij maken)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

verheugen ww. ‘blij zijn, blij maken’
Mnl. verhueghen, verhogen, onovergankelijk ‘blij worden, blij zijn’ in sider dat ic van v sciet sone constic verhogen niet ‘sinds ik van u wegging, kon ik niet blij zijn’ [1260-80; VMNW], overgankelijk ‘verblijden, blij maken’ in din troest ... die so verhoeget minen moet ‘jouw troost, die mij zo blij maakt’ [1265-70; VMNW], wederkerend in daer hi hem selven bi soude verhogen ‘waar hij zich over zou verheugen’ [begin 14e eeuw; MNW]; vnnl. verheugen ‘verblijden, blij maken’ in Dit es den dach, die ons verhuecht [1525; WNT], ‘blij zijn, zich verblijden’ in si sullen verhuegen wanneer si ... ‘zij zullen zich verheugen, als zij ... [1626; WNT]; nnl. verheugen ’blij zijn, blij maken‘ in Ik verheug my, dat hy zo wel (’goed‘) denkt over het lieve Meisje [1784; WNT], hoe zeer hem het Huwlyk zyner Dogter verheugt [1785; WNT], ’zich bij voorbaat verblijden (over)‘ in ik ... verheuge mij vóór ’s hands in een ambteloos leven [1830; WNT], er zich op verheugen, er naar verlangen [1934; WNT spikkel II].
Afleiding met het voorvoegsel → ver- (sub e) van het zn.heug ‘zin, lust’. Zie ook → heugen ‘in herinnering zijn’, eerder ‘verblijden’, en → heuglijk ‘gedenkwaardig, verblijdend’.
Reeds eerder in het Middelnederlands komt uerhogen, uerhochgen in een woordenlijst voor in de betekenis ‘zich herinneren’ [1240; Bern.]; dat woord is afgeleid van → heugen.
Het onovergankelijke gebruik van verheugen zonder zich, in de betekenis ‘zich verblijden, blij zijn’ verdwijnt in de loop van de 17e eeuw (WNT).

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

verheugen* [blij zijn, blij maken] {verhoghen, verheugen [blij zijn, maken] 1265-1270} afgeleid van heugen.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

verheugen ww., mnl. verhōghen, verheughen ‘(zich) verheugen’, mnd. vorhōgen, een afl. van heugen. De bet. ‘verachten’ hebben os. farhuggian, ohd. firhuggen, oe. forhycgan (vgl. onfrank. farhugnissi ‘contemtio’).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

verheugen ww., mnl. verhōghen, verhȫghen “verheugen, zich verheugen”. = mnd. vorhōgen “id.”. Samenst. van heugen. Met andere bet. (onfr. farhugnissi “contemtio”), ohd. firhuggen, os. farhuggian, ags. forhycgan “verachten”.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Verheugen, van heug = lust, vreugd, voldoening; vgl.: „tegen heug en meug.1

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

verheugen ‘blij zijn of maken’ -> Negerhollands verheeg ‘blij zijn of maken’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

verheugen* blij zijn of maken 1265-1270 [CG Lut.K]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal