Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

verbieden - (niet toestaan)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

verbieden ww. ‘niet toestaan’
Mnl. vorbieden, verbieden, verbiden ‘de toegang ontzeggen’ in sonder orlof ... in husen die uerboden sin ‘zonder toestemming in huizen waar men niet mag komen’ [1236; VMNW], verbieden, verbiden ‘verhinderen’ [1240; Bern.], ‘niet toestaan’ in dat hare uerboden was dat sacrament tontfane ‘dat haar verboden was het sacrament te ontvangen’ [1265-70; VMNW], ‘verhinderen, beletten’ in Laett de kinder te mi comen ende en uerbiedes hen nit ‘laat de kinderen bij mij komen en verbied hun dat niet’ [1291-1300; VMNW].
Afleiding met het voorvoegsel → ver- (sub c) van → bieden in de Oud- en Middelnederlandse betekenis ‘gebieden, bevelen’, dus ‘door een gebod of bevel iets onmogelijk maken’.
Het verl.deelw. verboden komt veel voor als bn. in de betekenis ‘ongeoorloofd, niet toegestaan’: mnl. verbodene spise ‘verboden spijzen’ [1285; VMNW verboden], verbodene werken ‘verboden handelingen’ [1340-60; MNW-P]; nnl. verboden lusten ‘ongeoorloofde seksuele verlangens en handelingen’ [1717; WNT], het opschrift “verboden toegang” [1890; WNT].

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

verbieden* [door een gebod ontzeggen] {1236 in de betekenis ‘aankondigen, op het hart drukken’} (met ver- als versterkingselement) oudsaksisch varbiodan, oudhoogduits firbiotan, oudfries forbiada, oudengels forbeodan, oudnoors fyrbjóða, gotisch faurbiudan [gebieden]; met ver- om afweer aan te duiden in de moderne betekenis, van bieden [doen weten].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

verbieden ww., mnl. verbieden, verbēden ‘aankondigen; afkondigen: verbieden, ontzeggen’, mnd. forbēden (> on. forbjōða), mhd. firbiotan (nhd. verbieten), oe. forbēodan (ne. forbid), got. faurbiudan. — Zie: bieden.

verbieden [Aanvullingen De Tollenaere 1969]: zie WNT.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

verbieden ww. Reeds mnl. ohd. os. ofri. ags. got. (faúr-biudan); on. for-boða en fyrir-bjôða. Zie bieden.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

verbeeje (ww.) verbieden; Vreugmiddelnederlands verbieden <1236>.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

verbieden ‘door een gebod ontzeggen’ -> Negerhollands verbiet, verbiedt ‘door een gebod ontzeggen’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

verbieden* door een gebod ontzeggen 1236 [CG I1, 28]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

2488. Verboden vrucht,

d.i. in het algemeen iets, dat verboden, ongeoorloofd is; ook bepaaldelijk in den zin van zonde, onkuischheid; ontleend aan het verhaal, dat opgeteekend staat in Gen. III, 1-6; zie Zeeman, 475; Laurillard, 29; Harreb. II, 424 a; fr. le fruit défendu; hd. die verbotene Frucht; eng. the forbidden fruit. Vgl. ook de spreuk verboden vruchten zijn de zoetste, waarmede men bedoelt, dat hetgeen ongeoorloofd is en toch gedaan of met moeite en bedrog verkregen wordt, het meeste genot verschaft; afrik. verbode vrugte smaak die soetste; fr. le fruit défendu est le meilleur; pain dérobé réveille l'appétit; hd. verbotene Früchte schmecken süsz oder am besten; eng. forbidden fruit is sweetest; stolen waters are sweetDit ook bij ons in het mnl ghestolen water sijn die soetste; Mloop II, 1297: Doch wes mit sorghen is ghestolen dat is zuet; in de Prov. Comm. 379: ghestolen dranck es zuete (vgl. Bebel no. 257); Goedthals, 53: Een lecker beetken smaeckt so wel ghestolen; H. de Luyere, 53: Ghestolen brocxkens ghemeynlijck smaecken wel; Gew. Weuw. III, 22: 't Zijn de zoetste beetjens, die men diefs-gewijs gaat snoepen; V.d. Venne, 114: Een gestoolen brockje smaeckt wel, maer voedt qualijck; Brederoo I, 278, vs. 258: Een gestolen beetje smaeckt wel; Adagia, 22: Een gestoolen beetien smaeckt best, dulce pomum cum abest custos; enz. Het is ontleend aan Spreuken IX, 17: De gestolen wateren zijn soete ende het verborgen broot is lieflick. Syn. Besproken boonen smaken wel (Harreb. I, 79 a)..

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal