Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

veil - (te koop)

Etymologische (standaard)werken

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

veil2* [te koop] {veil(e), vele 1417} middelnederduits veile, vel(e), oudfries fele, naast oudhoogduits fali, ablautend oudnoors falr; buiten het germ. grieks pōleō [ik verkoop], litouws pelnas [verdienste], oudkerkslavisch plěnŭ [buit], oudindisch paṇate [hij koopt].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

veil 2 bnw., mnl. veile, veil ‘te koop’, mnd. vēl(e), veil(e) ohd. feili (nhd. feil), ofri. fēle <*failia-. Maar daarnaast staan westf. dial. fælə, ohd. fāli, on. fǎlr < germ. *fǎlia, fēlia. — Dit laatste kan men verbinden met gr. pōléomai ‘verkoop’, oi. paṇa ( < *palna) ‘prijs, waar’, paṇate ‘ruilt in’, osl. plěnŭ ‘buit’, lit. pel̃nas ‘loon’, lett. pe’lns, pe’lna ‘verdienste, winst’ (IEW 804).

De verhouding der stammen *fǎlia en *failia is onzeker; Lidén GHA 22, 1916, 20 wil ze scheiden en plaatst het laatste bij toch. Β pīto ‘verkoop’, wat onbevredigend is. Eerder te denken aan secundaire klankwisseling, waarvoor zie J. de Vries PBB 80, 1958, 1-32.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

veil II bnw., mnl. veil(e). = ohd. feili (nhd. feil), mnd. vêl(e), veil(e), ofri. fêle (of < wgerm. *fâlia-?) “veil, te koop”, continentaalwgerm. *failia-. Niet te scheiden van ohd. fâli, westf. dial. fæ̂lǝ, on. falr “id.”, die met (ier. ad-ro-illi “hij verdient”?), gr. pōléō “ik vent, verkoop”, obg. plěnŭ “buit”, lit. pel̃nas “verdienste”, oi. páṇate (-ti) “hij ruilt, verhandelt, wedt, speelt” verwant zijn. Aangezien vormen met i-vocalisme nergens anders voorkomen en het Du. een op ’t vocalisme na volkomen met *failia- overeenstemmend *fâlia- kent, is wsch. *failia- een — hoe-dan-ook-ontstane — secundaire vorm, eer dan een oude ablautvorm met idg. ôi.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

veil II bnw. Men heeft in continentaalwgerm. *failia- ook wel een oud woord willen zien, verwant met toch. B. pîto ‘verkoop’ (pî- met suffix -to-): Lidén Stud. z. toch. Sprgesch. I, 20 en hierop voortbouwend Petersson Etym. Misz. 5 vlg. De woorden met germ. a en ê zouden dan hiervan geheel gescheiden moeten worden. Zeer onzeker.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

veil 2 bijv.(te koop), Mnl. vele, veile + Ohd. feili (Mhd. veile, Nhd. feil), Ofri. féle: onuitgelegde vormen nevens Ohd. fâli, On. falr (Zw. en De. fal) + Skr. wrt. pan (uit paln), Gr. pōléein = verkoopen, Osl. plěnŭ = buit.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

veil: b.nw., beskikbaar, gereed (bv. sy lewe v. iets), hierby ook ww., te koop aanbied; aanprys; Ndl. veil (Mnl. veil/veile), Hd. feil naas ww. feilschen, “afding”, herk. buite Germ. onseker, asook verb. m. veilig.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Veil hebben, veilen, van den Idg. wt. pelj = verkoopbaar zijn; vgl. ’t Gr. poole-ein = verkoopen. – Veil hebben is dus letterlijk: te koop hebben; overdrachtelijk: beschikbaar; bijv. zijn leven veil hebben.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

veil* te koop 1417 [MNW]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal