Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

vegetariër - (persoon die alleen plantaardig voedsel eet)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

vegetariër zn. ‘persoon die alleen plantaardig voedsel eet’
Nnl. eerst De secte der vegetarianen ‘de secte van de vegetariërs’ [1859; Bijblad], dan de menschen bleven “vegetariërs” [1875; iWNT].
Ontleend, aanvankelijk rechtstreeks, later via Duits Vegetarier ‘vegetariër’ [1852; Correspondenzblatt] met suffixsubstitutie, aan Engels vegetarian ‘id.’ [1839; OED], een onregelmatige vorming met het achtervoegsel -arian op basis van het eerste deel van vegetable ‘planten-’ [1582; OED], eerder al ‘levend als plant’ [ca. 1400; OED], dat, mogelijk via Frans végétable ‘vatbaar voor plantenleven’ [13e eeuw; Rey], ontleend is aan Latijn vegetābilis ‘opwekkend’, een afleiding van vegetāre ‘kracht geven’, zie → vegeteren.
Het Engelse woord vegetarian is pas algemeen in gebruik gekomen na de stichting van de Vegetarian Society in 1847.
Lit.: Bijblad (1859): Het bijblad van de Economist, Amsterdam, 407; Correspondenzblatt (1852): Schweizerisches Correspondenzblatt für Aerzte und Apotheker 3, Bern, 31

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

vegetariër [die alleen planten eet] {1875} < hoogduits Vegetarier < engels vegetarian [idem], naar de in 1847 opgerichte Vegetarian Society, gevormd van vegetable [groente] < latijn vegetabilis [opwekkend], van vegetare [opwekken, doen leven] (vgl. vegeteren).

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

vegetariër znw. m. ‘iemand die zich voedt met plantaardige stoffen’ < ne. vegetarian, sedert 1842 bekend en gemaakt van het woord vegetable met de uitgang -arian.

vegetariër [Aanvullingen De Tollenaere 1969]: niet < ne. vegetarian, maar < nhd. vegetarier; zie WNT.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

vegetariër s.nw.
Persoon wat nie vleis eet nie.
Uit Ndl. vegetariër (1875).
Ndl. vegetariër uit Hoogduits Vegetarier uit Eng. vegetarian (1839), met lg. gevorm van vegetable 'groente'.
Fr. vegetarien.

Thematische woordenboeken

N. van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

vegetariër (Duits Vegetarier)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

vegetariër ‘die geen dierlijke producten eet’ -> Indonesisch végetari(é)r ‘die geen dierlijke producten eet’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

vegetariër die geen dierlijke producten eet 1875 [WNT] <Duits

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal