Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

veest - (buikwind)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

veest zn. ‘buikwind’
Mnl. veest ‘buikwind’ [ca. 1458; MNW], naast vijst ‘id.’ [1477; Teuth.].
Beide woorden, veest en vijst bestonden in het Vroegnieuwnederlands nog naast elkaar, maar vijst is daarna snel verouderd. Hetzelfde geldt voor de afleidingen veesten ‘een wind laten’ [1487; MNW] naast verouderd vijsten [1486; MNW]. De vormen met -ee- zijn uitsluitend in het Nederlands bekend en zijn mogelijk ontstaan onder volksetymologische invloed van → scheet.
Mnd. vīst ‘wind’, vīsten ‘een wind laten’; ohd. fīst/fist ‘wind’, fīstan/fistan ‘een wind laten’ (mhd. vist(en) en vīst(en), nhd. Fist, fisten); nfri. fyst; me. fīst ‘wind’, oe. fīsting ‘het winden laten’; < pgm. *fīsti-, *fisti. De klinkerlengte in het ohd. is onzeker en in het mhd. komen beide voor. Mogelijk zijn hierin twee woorden van verschillende oorsprong samengevallen:
Enerzijds een afleiding van pgm. *fīsan- ‘een wind laten’, waaruit: mhd. vīsen ‘id.’; on. físa ‘id.’ (nzw. fisa ‘id.’, nno. fisa ook ‘blazen’), nfri. fiizje ‘een wind laten; puffen (van kokende spijzen)’. Dit pgm. *fīsan-, uit ouder *feisan-, gaat wrsch. terug op een oorspr. betekenis ‘(weg)blazen’ en is dan verwant met: Latijn spirāre ‘blazen, ademen’; Oudkerkslavisch piskati ‘fluiten’ (Russisch piščát'); < pie. *(s)peis- ‘blazen’ (IEW 796). Misschien hoort hierbij met nultrap ook mnl. vesen ‘fluisteren’ = ‘in het oor blazen’.
Anderzijds kan pgm. *fisti- < pie. *pesd-i- teruggaan op de wortel *pesd-, *psd- ‘een wind laten’ (LIV 477), waaruit: Latijn pēdere ‘id.’; Grieks bdeĩn ‘id.’ (met assimilatie); Litouws bezdė́ti; Russisch bzdet' ‘id.’. Een klankvariant op deze wortel is pie. *perd- ‘een luide wind laten’ (LIV 473), waaruit o.a. ohd. ferzan (nhd. furzen).
Zie ook → bovist.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

veest* [buikwind] {1458} ablautend naast middelnederlands vijste, van dezelfde stam als middelnederlands vesen [fluisteren], hoogduits veisen, oudnoors físa [winden laten]; buiten het germ. latijn spirare [blazen], kerkslavisch piskati [fluiten].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

veest znw. m., mnl. veest staat in abl. met Kiliaen vijst, mnd. vĭst, mhd. vist, vīst (nhd. fist, dial. feist) en het ww. veesten, mnl. veesten naast Kil. vijsten, mnd. mhd. vĭsten (nhd. fisten) en oe. fīsting v. ‘het veesten’. — Dentaal-afl. bij on. fīsa en mhd. veysen (15de eeuw) ‘veesten’. — osl. pištą, piskati ‘fluiten’, vgl. oi. piččhora ‘fluit’, lat. spirāre ‘blazen’ (IEW 796).

Lat. pedō (< *pezdō), gr. bdeō (< *bzdeō < *pezdō), kleinruss. pezdíty, lit. bezdù, bezdëti lett. bezdêt ‘een kleine wind laten’ van de idg. wt. *pezd zijn niet direkt verwant. Daar de ee op te vatten is als e en toch geen rekkingsprodukt is, vermoedt de Tollenaere in WNT 18, 1311, dat het analogisch gevormd is naast vijst naar het voorbeeld van scheet naast schijten. — Mogelijke ontlening in oud-spa. feste ‘iets kleins, waardeloos’ overwegen J. A. van Praag en M. Valkhoff, Nph 22, 1937, 167.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

veest znw., mnl. veest. Ablautend met Kil. vijst “veest”, mnl. vijste, mhd. vist, vîst (nhd. fist, dial. feist), mnd. vĭst m. “veest”. Zie veesten.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

veest m., Mnl. id., ablaut bij Mnl. en Wvla. vijste en bij Ndd. fist, Mhd. vist (Nhd. fist), Ags. fist (Eng. id.) + Gr. bdéein (d.i. bzdeëin), Lat. pedere (d.i. pezdere), Ru. bzěd', Lit. bezdėti: Idg. wrt. pe()zd, synon. en verwant met wrt. perd (z. nonnefortje). Uit het Germ. komt Fr. vesse.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2002), West-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de West-Vlaamse woorden, Amsterdam

feeste 2 (K), zn. v., uitspr. zachtlange e: veest, zachte (geluidloze) buikwind. Mnl. veest ‘wind’, vijste ‘wind, scheet’; Vroegnnl. veest ‘crepitus ventris, flatus ventris’, vijst, veest ‘flatus ventris, sine strepitu aut sonitu’ (Kiliaan). Mnd. vist, Mhd. vist, D. Fist. Afl. bij Mnl. vesen ‘fluisteren’, On. fisa ‘winden laten’, Mhd. veysen ‘veesten’. Zie ook asschevijster, fijster.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

veest* buikwind 1458 [WNT]

Overige werken

Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.

peis-2, speis- ‘blasen’

Mit s-: lat. spīrō, -āre ‘blasen, wehen, hauchen, atmen’ (*speis-), spīritus, -ūs ‘Hauch, Atem, Seele, Geist’; spirāculum ‘Luftloch’;
ohne s-: ai. piččhōrā ‘Pfeife, Flöte’; mhd. vīsen, vī̆sten ‘einen Wind streichen lassen’, vī̆st ‘Furz’, ags. fīsting ds., ndd. fīster ‘podex’, ndl. veest (*faist) ‘Furz’, aisl. fīsa ‘furzen’, norw. fīsa ds. und ‘blasen’, nhd. fispern, fispeln ‘zischen’; baltoslav. *pīṣketi ‘piept, pfeift’ in lit. pyškė́ti ‘knallen’, slav. *piščǫ, *piščati in russ. piščú, piščátь ‘piepen, kreischen’, ksl. pištalь f. ‘Pfeife’, aksl. piskati ‘pfeifen’ usw.;
mit n-Formans: cymr. ffun (*spoi-nā) ‘Atem’.

WP. II 11, WH. II 575 f., Trautmann 221.

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal