Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

vazal - (leenman)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

vazal zn. ‘leenman’
Mnl. vassael ‘leenman’ in si sprac uassael dats míjn gebot [1220-40; VMNW], vasal in zijn vader, die ... onse vasall is [1471; MNW *naertelike].
Ontleend, mogelijk via Frans vassal ‘leenman’ [1283; Rey], eerder al overdrachtelijk ‘edele, moedige jongeman’ [1080; Rey], aan middeleeuws Latijn vassalus ‘horige’ [710; Niermeyer], ook ‘vazal’ [787; Niermeyer], een afleiding van vassus ‘dienaar’ [ca. 720; Niermeyer], ‘vazal’ [757; Niermeyer].
Middeleeuws Latijn vassus is van Keltische oorsprong; verwant zijn Oudiers foss ‘dienaar’, Welsh gwas ‘jongeman, dienaar’ en Bretons gwaz ‘man, echtgenoot’, < Proto-Keltisch *wasto-, mogelijk uit pie. *upo-sth2-o-, letterlijk ‘onder-staand’.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

vazal [leenman] {vas(s)ael 1220-1240} < middeleeuws latijn vas(s)allus [onvrije op de centrale hofstede van een domein, dienaar in het paleis van de koning, vazal], van vassus [dienaar], uit het kelt., vgl. welsh gwas [jongeman, dienaar], bretons gewaz [dienaar, vazal, man], iers foss [dienaar].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

vazal znw. m., mnl. vassael, mhd. vassal (sedert 1210) < ofra. vassal, vgl. mlat.*vassallus, ital. vassallo, spa. port. vasallo ‘leenman’ is gevormd van een keltisch woord, vgl. kymr. gwasawl ‘dienend’, afl. van gallo-rom. vassus, kymr. gwas ‘man’.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

vazal znw. Internationaal woord. Uit fr. vassal (van mlat. vassus “dienaar, vazal”, dat voor kelt. gehouden wordt), dat mnl. reeds als vassael m. (ook bij Kil.) was ontleend.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

vasal: leenman; onderhorige; Ndl. vasal/vazal (Mn1. vasa(e)l/vassael/vasseel), soos Eng. vassal, uit Fr. vas(s)al uit Ll. vasallus, dim. v. vassus, “dienaar”, blb. v. Kel. herk.

Thematische woordenboeken

N. van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

vazal (Latijn vas(s)allus)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

vazal ‘leenman’ -> Indonesisch vasal ‘leenman’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

vazal leenman 1220-1240 [CG II1 Aiol] <ME Latijn

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal