Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

vat - (greep)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

vatten ww. ‘pakken; begrijpen’
Mnl. vaten ‘tot zich nemen, ter hand nemen, pakken’ in een goet beyde anevaten ‘een bezit allebei aanvaarden’ [1303; MNW aenvaten], die tonge gevaet met .1. houtenre spleten ‘de tong beetgepakt met een houten spaan’ [1351; MNW-P], dat ewelike vaten ‘de onsterfelijkheid verwerven’ [1340-60; MNW-R], ‘aanwezig zijn in’ in daer gedreych (lees: gedryech) in vaedt ‘in wie bedrog huist’ [1350-1400; MNW]; vnnl. vaten, vatten ook ‘begrijpen’ [1573; Thes.]; nnl. eene zware verkoudheid gevat [1805; iWNT].
Afleiding van → vat 1 in de algemene Middelnederlandse betekenis ‘pot, voorwerp om iets in te stoppen’, waarbij de oorspr. letterlijke betekenis ‘in een vat stoppen, omvatten’ in de loop van de tijd is veranderd in ‘pakken, nemen’ terwijl daarnaast een figuurlijke betekenis ‘begrijpen’ ontstond. De klankwettige en in het Middelnederlands nog gewone vorm is vaten. Onder invloed van de buigingsvormen van het zelfstandig naamwoord (vat naast vaten) verschijnen vanaf de 15e eeuw ook werkwoordsvormen met gesloten lettergreep (vat, vatte, gevat, vatten). Na de 17e eeuw komt in de standaardtaal alleen nog vatten voor (WNT).
Mnd. vaten, vatten ‘nemen, begrijpen, vasthouden, opladen’; ohd. fazzōn ‘een vat vullen, opladen, inladen, bekleden’ (nhd. fassen ‘vatten, pakken’); ofri. fatia ‘pakken, opladen’ (nfri. fetsje); ozw. fata ‘pakken, begrijpen’ (ontleend aan mnd.; nzw. fatta ‘id.’); < pgm. *fatōn-.
vat 2 zn. ‘houvast’. Mnl. vat ‘houvast, grip’ in Men cond dair nergent aen hebben vat ‘men kon er nergens houvast aan vinden’ [1460-80; MNW-R]. Afleiding van vatten. ♦ vatbaar bn. ‘ontvankelijk, bevattelijk’. Vnnl. vatbaer ‘begrijpelijk’ [1678; iWNT]; nnl. vatbaar ‘gevoelig, ontvankelijk’ in niet vatbaar van Góds genade [1727; iWNT], vatbaar voor alle redeneringen [1735; iWNT]. Afleiding met → -baar van vatten.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

vat1* [greep] {1451-1500} in vat hebben op, van vatten.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

vat 2 znw. m. ‘het vatten, greep’ is een verbaalnomen van vatten.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

vat II (het vatten, handvat). Reeds mnl. mnd. afl. van ’t ww. vatten.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

vat o. (ton), Mnl. id., Onfra., Os. fat + Ohd. faʒ (Mhd. vaʒ, Nhd. fasz), Ags. fæt (Eng. fat), On. fat (Zw. id., De. fad): verbaalabstr. van vatten, dus = bevatter.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

vat ‘greep’ -> Deens fat ‘greep’ (uit Nederlands of Nederduits).

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

vat* greep 1451-1500 [WNT]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

2332. (Geen) vat hebben (of krijgen) op,

d.w.z. (niet) te pakken kunnen krijgen; (geen) invloed hebben op. Vat beteekent hier plaats of gelegenheid om iemand of iets aan te vatten, in welken zin het voorkomt in Rein. II, 6807: Doe wart hem (den vos) al dat lijf so glat, men conder nerghent aen hebben vat, want hi was vet ende wel ghevoet; zie verder Witsen, 387; Vondel, Virg. II, 258: De vlam vont vatten aen den wachttoren; Tuinman I, 43: Die de gelegendheid van vooren niet aangrijpt, heeft daar aan van achteren geen vat; Spect. III, 119: Haar al te manlyke verdienste heeft geen vat op onze tederheid; IX, 179: Een bekrompe gemoed, op 't welk edele gevoelens geen vat kunnen hebben; Sewel, 835: Vat op iets krygen, to get hold of a thing; men heeft 'er geen vat aan, one cannot lay hold on't, or lay claim to it; Halma, 663: Gij hebt geen vat aan mij, gij kont van mij niets eischen; Dievenp. 103: Omdat ze met veel omslag en overleg werkten, kon je slecht vat op ze krijgen; Mgdh. 29: Ze hebbe geen vat op ons, wij zijn ze te slim af; Gron. 95: De leeraar krijgt dan ook geen vat op hem; Nkr. IX, 30 Jan. ij. 4; Molema, 419: nijt te vat kennen komen, geen vat kunnen krijgen, geene gelegenheid vinden om met iets te beginnen; fri. fet op immen ha; afrik. op iemand vat kry. Hiernaast ook iemand vat geven, gelegenheid geven om te pakken te krijgen, te kunnen beginnen; eng. to give a handle to. P.C. Hooft bezigt de uitdr. vat missen aan, geen deel hebben aan (Ged. I, 222, vs. 108: Hier is t hem grooter spijt vat te missen aan den strijdt); syn. hoek hebben aan iets (in Brieven I, 335), vat hebben aan.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal