Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

varen - (plant)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

varen 1 zn. ‘sporendragende plant van de klasse Pteropsida
Onl. farna ‘varen’ in de toponiemen Farnoth ‘Varent (Oost-Vlaanderen)’ (met collectiefachtervoegsel -t) [814-20, kopie 941; Gysseling 1960] en Varenberch ‘Varenberg (Limburg BE)’ [1129; Gysseling 1960]; mnl. uaren ‘varen’ [1226-50; VMNW], varen.
Os. farn (mnd. varn(e), varen); ohd. farn (nhd. Farn); nfri. fear; oe. fearn (ne. fern); < pgm. *farna- ‘varen’.
Verwant met: Sanskrit parṇá- ‘veer, vleugel’; Avestisch parəna- ‘id.’; Litouws spar̃nas ‘vleugel’; < pie. *(s)porH-no-, *perH-ti-, *porH-ti- (IEW 850), afleiding van *(s)per-, *(s)por- ‘vliegen’ (LIV 579), waaruit Oudkerkslavisch perǫtŭ ‘zij vliegen’, pariti ‘vliegen’. Daarnaast met ander achtervoegsel: Oudiers raith ‘varen’, Welsh rhedyn ‘id.’; Tochaars B parwa ‘veren’; en met reduplicatie: Sanskrit párpata- ‘bepaald kruid’; Litouws papártis, papar̃tis ‘varen’; Russisch páporotnik' ‘id.’; < pie. *perH-ti, *(-)porH-ti-. Hierbij ook Kerkslavisch pero ‘veer’ (Russisch peró ‘veer, pen’) < pie. *perH-o-.
De plant is genoemd naar de veervormige bladeren.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

varen1* [plant] {1226-1250} oudsaksisch farn, oudhoogduits far(a)n (hoogduits Farn), oudengels fearn (engels fern); buiten het germ. litouws papartis, oudiers raith, oudkerkslavisch pero [veer], oudindisch parṇa- [veer]; de varen is op grond van gelijkenis naar de veer genoemd; voor de betekenis vgl. grieks pteris [varen] naast pteron [veer].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

varen 1 znw. v., mnl. vāren, os. farn, ohd. farn, faran (nhd. farn m, o., oe. fearn m. (ne. fern) ‘varen’; daarnaast een jongere vorm nnl. dial. vārem, ohd. faram. — De plant werd genoemd naar de veervormige blaren; het woord is te vergelijken met gr. ptéris ‘varen’, naast pterón ‘vleugel’, vgl. ook oi. parṇá-’veer, blad’, lett. paparnite ‘varen’ en verder met t-suffix russ. páporotu, lit. papártis, gall. ratis (< *pratis), oiers raith ‘varen’.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

varen I znw., mnl. vāren (m.o.?). = ohd. far(a)n (nhd. farn) m.o., os, farn, ags. fearn m. (eng. fern) “varen”. De bijvorm ndl. dial. varem, ohd. faram, mhd. farm m.o. wordt voor jonger gehouden. Oorspr. bet. “veer > veervormig blad”: germ. *farna- = oi. parṇá- “veer, blad”. Verder zijn ier. raith (*prati-) “varen” en met reduplicatie russ. páporoť, lit. papártis “id.” verwant, en ook misschien obg. pero “veder” (zie echter bij veder). Voor de bet. vgl. nog gr. ptéris “varen”: pterón “vleugel”.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

varen I znw. Mnl. vāren = owvla. (herb.) varen.
Bij de slav. balt. woorden toevoegen het formeel dichtbij het germ. woord staande lett. paparnĩte (deminutief) ‘varen’. Endzelin KZ. 52, 122.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

varen 1 v. (plant), Mnl. id., Os. farn + Ohd. id. (Mhd. varn, Nhd. farn), Ags. fearn (Eng. fern); daarnevens Ohd. farm + Skr. parṇam = vleugel, blad, Oier. raith, Ru. paparoť, Lit. papartis = varen. De bet. is wel vederachtige plant; zoo ook Gr. pterís = varen nevens pterón = veder.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2011), Limburgs etymologisch woordenboek: de herkomst van de woorden uit beide Limburgen, Zwolle

vaan 2, vaam, zn.: varen. Vaan kan uit vaarn zijn ontstaan door assimilatie rn > n. Maar vaan kan ook – door verwarring – een verkorting zijn van reinvaan ‘boerenwormkruid’, dat ook wel reinvaren heet vanwege de varenachtige blaren; zie reinvaart.

F. Debrabandere (2010), Brabants etymologisch woordenboek: de herkomst van de woordenschat van Antwerpen, Brussel, Noord-Brabant en Vlaams-Brabant, Zwolle

vader, vaaier, vlaander(en), vlaanders, zn.: varen. Vader, vaaier is hypercorrect voor vaar, een var. van varen. Met l- en n-epenthesis en door volksetymologie wordt het vervolgens vlaander(en).

varing, valing, zn.: varen, adelaarsvaren, Pteridium aquilinum. Afl. op -ing van varen, zoals zuring < zuur. Valing door wisseling van de liquidae r/l.

F. Debrabandere (2007), Zeeuws etymologisch woordenboek: de herkomst van de Zeeuwse woorden, Amsterdam

farie, farink zn.: eikvaren, Polypodium vulgare. Door verscherping v/f < varing, afl. op –ing van varen (vgl. zuring < zuur).

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

varing: – varao/varo/varoe/varre/faro (by Mans KHI en vWiel 142, 174, 198-9, 202, 204, 217, 239, vandag almal weinig bek.) – , Afr. varing met velg. v. -en tot -ing; Ndl. varen (Mnl. vāren, dial. varem, ander ou vorme vaar, vare, veir), Hd. farn, Eng. fearn, hou verb. m. veer (plant met veervormige blare), vgl. Gr. pteris, “varing”, pteron en pterux, “vleuel, vlerk”; tot nog toe geen bevredigende verkl. v. o en oe in veroud. wv. nie.

J. du P. Scholtz (1961), Afrikaanse woorde en uitdrukkinge - eiegoed of erfgoed?, uitgegee deur Edith H. Raidt, in: Tydskrif vir Geesteswetenskappe, pp. 235-290

Varoe snw. In die suidwestelike distrikte word varoe, varo gebruik as ’n algemene benaming vir varings. – De Bo 1074 gee ’n aantal vorme op, waaronder ook varow.

Thematische woordenboeken

W. Deconinck (2019), Plantennamen nader toegelicht, Kortrijk.

varens
Mannetjesvaren | Dryopteris filix-mas (L.) Schott
Brede stekelvaren | Dryopteris dilatata (Hoffmann) A. Gray
Smalle stekelvaren | Dryopteris carthusiana (Vill.) H.P. Fuchs
Wijfjesvaren | Athyrium filix-femina (L.) Roth
Muurvaren | Asplenium ruta-muraria L.
Tongvaren | Asplenium scolopendrium L.
Steenbreekvaren | Asplenium trichomanes L.
Dubbelloof | Blechnum spicant (L.) Roth
Adelaarsvaren | Pteridium aquilinum (L.) Kuhn
Eikvaren | Polypodium vulgare sensu lato
Koningsvaren | Osmunda regalis L.
Addertong | Ophioglossum vulgatum L.
Pilvaren | Pilularia globulifera L.

Al in het Middelnederlands werd voor Varens het woord varen of varenkruid gebruikt. Varen is een oud woord dat veer van een vogel of veerblad betekent en waarmee verwezen werd naar de dikwijls geveerde bladeren van deze planten. De term veer voor een blad van een Varen is ook nu nog in gebruik.

Mannetjesvaren en Wijfjesvaren zijn de namen voor twee verschillende soorten Varens. In deze oude namen voor deze soorten moeten we geen geslachtelijk onderscheid tussen twee vormen van dezelfde plantensoort zien, want toen die Varens lang geleden hun naam kregen, was er over de geslachtelijke voortplanting van de planten in het algemeen en van de Varens nog niets gekend. De eerste naamgevers constateerden dat de Varens die we nu Mannetjesvaren en Wijfjesvaren noemen, van elkaar verschillen, maar toch heel goed op elkaar lijken en dat dus de ene soort de naam van Mannetjesvaren en de andere soort die van Wijfjesvaren mag dragen, zoals bij de mens en de dieren ook een “mannetje” onderscheiden wordt van een “wijfje”. De Mannetjesvaren met dubbel geveerde bladeren werd als de meest robuuste en forse aangezien, terwijl men in de Wijfjesvaren met dubbel tot soms drievoudig geveerde bladeren een fijnere en tengere Varen zag. In de postume uitgave van Dodoens (1618) staat er: “Na de leeringe van de oude Schijvers is het Varencruyt tweederley van gheslachten te weten Manneken ende Wijfken.”

De randen van vooral de onderste blaadjes van de samengestelde bladeren van de Brede en de Smalle stekelvaren vertonen stekeltjes en vandaar Stekelvaren. Breed en smal slaan op een subtiel onderscheid in de vorm van het hele blad. Bij de Brede stekelvaren heeft het blad een veel meer uitgesproken, bredere driehoekige vorm dan bij de meer smalle driehoekige vorm bij de Smalle stekelvaren. Muurvaren is inderdaad een Varen waarvan de korte wortelstok zich genesteld heeft in voegen van oude muren en spleten van rotsen. Tongvaren heeft niet ingesneden bladeren die de vorm hebben van een langgerekte tong. Steenbreekvaren komt voor op rotsen, op beschaduwde muren en in halfdonkere kelders. Vroeger dacht men dat deze Varen met de wortelstok in staat is om rotsen te doen splijten, vandaar steenbreek in de naam. In Dubbelloof betekent loof gewoon blad en deze varen bezit twee soorten bladeren: onvruchtbare die 20 tot 40 cm lang zijn en vruchtbare die 30 tot 70 cm lang kunnen worden en die de sporendoosjes dragen; dat leidde tot de naam Dubbelloof.

Als men de wortelstok van de Adelaarsvaren dwars doorsnijdt ziet men op het snijvlak de heraldische figuur van een dubbele adelaar met twee koppen, zoals het wapen van de Oostenrijkse keizer; deze figuur wordt veroorzaakt door het donker gekleurde geleidingsweefsel en zou aan de basis liggen van de naam van deze Varen. Maar het wordt ook mogelijk geacht dat de grote, uitgespreide bladeren van deze Varen vergeleken werden met de wijd open vleugels van een adelaar en dat zo de naam Adelaarsvaren ontstond. De Eikvaren kreeg die naam omdat hij nogal eens aangetroffen wordt aan de voet van eiken, maar deze Varen komt niet alleen voor in eikenbossen, maar ook aan de voet van oudere bomen van andere soorten en op beschaduwde rotsen en muren. De Koningsvaren kan tot twee meter hoog worden, zodat hij met een dergelijke koninklijke status zijn naam wel verdient. De Addertong bezit meestal één blad, waarvan het onderste deel bladachtig is en het bovenste steelvormig met aan de top een 1 tot 4 cm lange soort aar met tot 40 sporendoosjes. Die vruchtbare aar doet denken aan een slangentong, vandaar Addertong. De Pilvaren heeft bladeren die alleen bestaan uit draadvormige stelen zonder bladschijf. Aan de basis van die stelen zitten 3 tot 4 mm grote, bolronde sporenkapsels die de plant haar naam bezorgden.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

varen* plant 1226-1250 [CG II1 Pl.gloss.]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal