Meehelpen? Ga naar etymologieWiki
![]()
|
vangen - (pakken)Etymologische (standaard)werken
M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdamvangen ww. ‘pakken’ P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpenvangen* [pakken] {1279} uit middelnederlands vaen {1237} o.i.v. het verl. deelw. gevangen, vgl. oudsaksisch, oudhoogduits fahan, oudfries fangia, naast fā, oudengels fangian, naast fōn, oudnoors fā, verl. tijd mv. fengu, gotisch fahan; buiten het germ. latijn pangere [vastmaken], pax [vrede, verdrag], grieks pègnumi [ik maak vast], russisch paz [verbinding], oudindisch pāśa- [touw, vangstrik]. J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leidenvangen ww. mnl. vanghen, onfrank. fangan, mnd. vangen, nhd. fangen (sedert 17de eeuw), ofri. fangia, on. fanga is onder invloed van verl. deelw. en verl. tijd mv. nieuw gevormd naast het oorspr. mnl. vaen, os. ohd. fāhan, ofri. fā, fān, oe. fōn, on. fā, got. fāhan < germ. *fanhan < idg. *panḱ-, nasalering van *pā̆ḱ‘vastmaken’, vgl. oi. páś - ‘strik’, gr. pássalos ‘pin, spijker’ lat. paciscō ‘een verdrag vastmaken’ IEW 787-8). — Daarnaast ook de wt. *pā̆ĝ, waarvoor zie: vak. — Zie ook: voegen. N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haagvangen ww., mnl. vanghen. Een naar het verl. deelw. en het praet. opgekomen vorm naast gewoner mnl. vaen = ohd. os. fâhan (nhd. fangen, nog niet mhd.; wel onfr. fangan en mnd. vangen), ofri. fâ, fân, ags. fôn, on. fâ, got. fâhan “vangen, grijpen” (*faŋχanan). Voor de vormen vgl. hangen. Gew. als genasaleerde vorm van de basis pā̆ḱ- (waarvan o.a. oi. pā́ça-, páç-”strik, strop”; zie voegen) beschouwd. Plausibel is echter ook de combinatie met po. pęk, russ. puk “bundel”, die op een idg. basis (peŋq-) poŋq- of paŋq- wijzen. Zie spang. C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haagvangen. De combinatie met de groep van voegen is de waarschijnlijkste. Zie nog spang Suppl. J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gentvangen o.w., Mnl. vaen, Os. fâhan + Ohd. id. (Mhd. vâhen, Nhd. fahen, fangen), Ags. fón, Ofri., On. fá. Go. fâhan (alle uit *faŋhan, waar eerst de n vóór h, en dan de h tusschen twee klinkers wegviel; echter zijn Nndl. vangen en Nhd. fangen analogievormen naar ’t verl.deelw.): Germ. wrt. fa(ŋ)h (z. voegen) + Skr. pāças = strik. Gr. pḗgnumi = ik maak vast, Lat. pangere en pax: Idg. wrt. pa(ŋ)k͂ en wrt. pa(ŋ)g͂. Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands
F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastrichtvaange (ww.) vangen; Aajdnederlands fangan <901-1000>. Thematische woordenboeken
T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, PurmerendVangen leidt men af van den Idg. wt. pac, pang = vastmaken, boeien, waarvan ’t Lat. pax = vrede, als vastmaking van een verdrag. Uitleenwoordenboeken
N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015vangen ‘pakken’ -> Deens fange ‘pakken’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors fange ‘pakken, gevangen nemen’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds fånga ‘pakken, gevangen nemen’ (uit Nederlands of Nederduits); Fins vangita ‘pakken, gevangen nemen, van de vrijheid beroven’ <via Zweeds>; Ests vangistada ‘pakken’ (uit Nederlands of Nederduits); Negerhollands vang, fan ‘pakken, bemachtigen, gevangen nemen’; Berbice-Nederlands fanggi ‘pakken’; Skepi-Nederlands fank ‘pakken’; Papiaments fangu ‘pakken’; Sranantongo fanga ‘pakken; vangst; vangijzer’; Surinaams-Javaans fangah, mangah ‘geld ontvangen, iets vangen’ <via Sranantongo>. Dateringen of neologismen
N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdamvangen* pakken 1279 [CG I] Idioomwoordenboeken
F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen6. Hij is te vangen als een aal bij den staart,d.i. hij is zoo weinig thuis, dat men hem maar hoogst zelden te spreken kan krijgen; ook: zoo vlug en handig, dat men hem bij eene discussie niet schaakmat kan zetten. Vgl. no. 7. 600. Hij is voor één gat niet te vangen,d.w.z. hij is niet gemakkelijk, of wel, in 't geheel niet te vangen; ook hij is voor geen zeven gaten te vangen. Onder gat moet hier volgens het Ndl. Wdb. IV, 337 worden verstaan de opening of mond van een der pijpen of gangen van een hol, waarin dassen, vossen of konijnen zich ophouden. Deze dieren hebben meer dan een uitweg aan hun hol; spant men een net voor het eene gat, dan ontsnappen ze door het andere; de uitdr. is derhalve aan de jacht ontleend; vgl. Sewel, 231: Voor alle gaten is 't kwaad garen (net) hangen. Zij komt voor bij Campen, 93: Hy is voer een gat niet toe vangen; Hooft's Brieven, 188; Coster, 540, vs. 1402; Focq. Typhon, 33, vs. 1: Vrouw Pallas als doorslepen en niet gevangen voor een gat; Sewel, 231; Harreb. I, 205 a. Vgl. ook het Friesch: hy is foar ien gat net to fangen; nd. se is vör ên Gatt nich to fangen (Eckart, 138); fr. souris qui n'a qu'un trou est bientôt prise; hd. es ist eine arme Maus, die nur ein Loch hat; nd. et möste ne arme Mus sin, de dar män een Lak hädde (Jahrb. 38, 160); eng. it's a poor mouse that has but one hole to creep out at. Zie verder Wander III, 537-538 1897. Een puisje vangen; puisjesvangen,d.w.z. bij iemand aanbellen en daarna wegloopen, beldeurtje spelen. In de 18de eeuw komt bij Van Effen, Spect. IV, 158 een znw. puisjesvanger voor. Zie ook Sewel, 654: Een puisje vangen (een belletje maaken), to knock or ring at one's door in the evening; S.M. 115: Die brutale jongens, alweer een puistje, zei hij in zich zelven en trad op de stoep om te zien, wie hem nog zoo laat hinderde. De oorspr. bet. zal wel zijn: voorgeven eene poes (in de 17de eeuw is puis = poes zeer gewoon) te vangen (bij avond), doch eig. straatschenderij plegen. In N.-Limb. kent men hiervoor: muschkejagen; in Antw. een beeldeken plakken; te Breda: eene rat jagen; elders: een muisje vangen; muiske bellen (te Roermond); muisjes bellen (te Dordrecht); bolkies vangen (te Delft); zie Taalgids IV, 40; Schuermans, 399 b; 523 a; Bijv. 204 b en Hoeufft, 482. Vgl. ook een uiltje knappen en om zeep gaan, aan welke uitdrukkingen eene soortgelijke gedachte kan ten grondslag liggen. 1986. Een schelvisch uitwerpen om een kabeljauw te vangen,d.w.z. iets gerings opofferen om een grooter voordeel te verkrijgen. Vroeger was meer gewoon: een spiering uitwerpen om een kabeljauw te vangen; vgl. Spieghel, 295; Winschooten, 276: Een spiering uitwerpen om een kabeljauw te vangen: dat is, oneigendlijk genoomen: iemand iets kleins vereeren, op hoop van iets beeters weer te krijgen’; bij andere schrijvers is weer sprake van een aal, bijv. Idinau, 168: een aelken werpen, om eenen snoeck te vanghen. Zie Suringar, Erasmus, no. CCXXVII; Harreb. III, 97 b en vgl. de synonieme uitdrukkingen: een haring uitwerpen om een zalm te vangen (Harreb. I, 284); avontuur een sardijntje om een' snoek te vangen (Harreb. II, 236); mit een metworst noar een stuk, een ziede spek, 'n schink gooien (Taalgids V, 154; Dr. Bl. III, 49; Dirksen I, 350); een teling uitzenden om een eendvogel te vangen (Harreb. I, 171 b); een avel uitwerpen om een snoek te vangen (Welters, 95); een bliekske (of een rotse) smijten om eenen snoek te vangen; een appel geven om een ei te krijgen (De Bo, 148 b; 957 a); een pieringsken, een witvischken, een vischken, een spieringsken, een baasken in 't water werpen om eenen snoek (of eenen kabiljauw) te vangen (Schuermans, 476 a; Bijv. 274 b; Waasch Idiot. 317 b; Antw. Idiot. 1379); een ei geven om een hoen (een schaap, een os) terug te krijgen (Ndl. Wdb. III, 3971); met een (slecht) vorentje een (vetten) karper vangen (De Brune, Bank. II, 174). In het fr. donner un oeuf pour avoir un boeuf; donner un pois pour avoir une fève; hd. mit der Bratwurst nach eine Seite Speek schieszen; oostfri.: mit 'n pinke na 'n schinke smiten (Ten Doornk. Koolm. II, 718 b); noordfri.: hi leat an Swalk (zwaluw) ûtj flä an wol an Gus (gans) wedder ha; eng. to cast a sprat to catch a whale or to bait with a sprat to catch a mackerel; fri. in spjirring útsmite om in kabbeljau to fangen of in tielling útstjûre om in einefûgel to fangen. 2091. Hij heeft een snoek gevangen.Eene ironische uitdr. voor: hij is in het water gevallen. Zie Winschooten, 268: Een snoek vangen, het welk oneigendlijk beteekend, in het waater vallen; en derhalven werd het spotsgewijs geseid. Zie R. Visscher, Quicken, III, 38; Snorp. I, 22; Van Moerk. 97 en Tuinman I, 80: Die in 't water ploft, vangt een snoek, en die knikkebolt vangt een uiltje; Harreb. II, 279; Opprel, 84 a: snoek zijn, in het water gelegen hebben; Breuls, 85: ene snook vange, onverwachts in een plas water trappen; Waasch Idiot. 607 a; Kinderspel I, 277: Komt er een in 't water terecht die vangt sloek of snoek; te Denderleeuw: snoek hebben, water in zijn schoenen of klompen hebben. In Vlaanderen, Limb. ('t Daghet XII, 112) en Brab. zegt men daarnaast eenen visch vangen, ook voor: in een waterplas trappen (De Bo, 1328 b; Waasch Idiot. 715 a; Antw. Idiot. 1379); Rutten, 260: eenen visch pakken; Antw. Idiot. 935: een paling vangen (dat ook beteekent niet slagen in een onderneming; Schuermans, Bijv. 232), syn. van een kater vangen (Antw. Idiot. 1800). Volgens Schuermans, 848 b beteekent het ook: hij is dronken. Vgl. ook hij gaat aan 't kikkers vangen (van een dronkaard die in 't water valt; Harreb. I, 400); het Nederduitsche: he hett Al steken; he hett en Quapp fungen (is door het ijs gezakt; Eckart, 419); het vroegere mollen vangen, 16de eeuw mollen rooven, dood gaan 2306. Een uiltje knappen (of vangen),d.w.z. een middagslaapje doen, ‘naar het lek luisteren’, zooals de zeeman zegt, fri. nei 't lek lûsterje), naar 't lekken van de goot gaan luisteren (Goeree en Overflakkee Zie verder Noord en Zuid XIX, 165-168; Kluchtspel II, 202; Rusting, 7; 584; C. Wildsch. V, 303: Dominées oude goede sloof, die onderwijl een zoet uiltje geknapt had; Halma, 713: Een uiltje vangen, een namiddagslaapje neemen, faire la méridienne; V. Janus, 2; Leopold, I, 42; Uit één pen, 119; Nederland, 1914, II, 7; Joos, 107; Waasch Idiot. 669 a; het hd. eine Eule fangen, ein Mittagschläfchen halten 2432. Ergens niet zijn om vliegen te vangen,d.i. ergens niet zijn om den tijd te verbeuzelen. Vgl. in de 16de eeuw bij Servilius, 127: Muscas depellere, etiam hodie vulgato ioco dicitur, qui iocoso (sic) atque inutili fungitur officio, hij moet hem de vliegen keeren; Sartorius III, 8, 38: Muscas depellere, τας μυιας απαμυνειν, de vliegen afkeeren, de eo, qui otioso atque inutili fungitur officio; Paffenr. 91: Men weet wel dat hy daer niet quam om vliegen te vangen; Halma, 662; 733: Ik zitt' hier niet om vliegen te vangen, ik ben hier niet om vergeefschen arbeid te doen; Tuinman I, 50: Ik ben hier niet om vliegen te vangen, de zin is, myn werk is geen beuzelingen, maar dingen van aangelegentheid te verrichten. 't Is genomen van Keizer Domitianus, die gewoon was zich dagelyks een wyl alleen in zyn kamer te besluiten, alsof hy daar iets gewigtigs te doen had, en dan dien tyd doorbragt met vliegen te vangen’ 2433. Twee vliegen in één klap (of lap) slaan (of vangen),d.i. twee oogmerken tegelijk bereiken. Vgl. Idinau, 65: Hooft, Brieven, 400: Wy zouden 'er etlijke te lijf slaan, ende midlerwijle twee vliegen met een' lap; Ged. II, 349 vs. 1312: t Komt profytelijck uyt, men slaet twee vlieghen mit ien lap; De Brune, 279: Het moest wel met gheluck toe-gaen, twee vlieghen met een lap te slaen; Bank. II, 209: Die zijn zaecken wel aen-leght, kan somtijds twee vlieghen met eenen lap slaen; Tuinman I, 274; Adagia, 60: Twee vliegen in eenen lap slaen, in saltu unico duos aperos capere; Van Effen, Spect. VII, 78; IX, 150; Sewel, 897: Twee vliegen met een' klap slaan, to kill two crows with one stone; zoo ook W. Leevend II, 83; Schoolblad, XLIII, k. 994; Het Volk, 21 Febr. 1914, p. 5 k. 4: Nu kan men twee vliegen in één klap slaan, door het Gooi heelemaal af te zanden en alle Amsterdamsche grachten te dempen; 4 April 1914, p. 1 k. 1: Wellicht hopen zij twee vliegen in één klap te slaan, en naast de versterking van hun ekonomische machtspositie, ook politiek profijt uit deze worsteling te winnen; afrik. twee vlieë in een klap slaan; Waasch Idiot. 717: twee vliegen in één lap, twee werken met ééne moeite; Schuermans, 820 b: twee vliegen in éenen slag (of in een lap) treffen, syn. van twee gaten met eenen bus stoppen (Schuerm. 86 a); twee duiven met éen boone vangen (De Bo, 275 b; De Brune, Bank. II, 209, vertaling van het ital. pigliar due colombi con una fava). Vgl. het lat. uno in saltu apros capere duos; Sart. I, 7, 67: twee vogelen schieten met een bout; III, 7, 41: met een sprongh twee hasen bespringen; twee kraeyen met een schoot schieten; Servilius, 23: met eender dochter twee behoude sonen crijgen 2478. Men moet vossen met vossen vangen,d.i. men moet slimme menschen door slimheid verschalken; ‘men moet slimheid tegen slimheid overstellen, om tot zijn oogmerk te geraken’ 2530. In (of op) zulke waters vangt men zulke visschen.Men bezigt deze uitdrukking als iemand de nadeelige gevolgen ondervindt van eene slechte daad, loon naar werk krijgt; mlat. in tali tales capiuntur flumine pisces; in magno grandes capiuntur flumine pisces (Werner, 40). In de Prov. Comm. 437: in sulcken riviere vangtmen sulcke vissche, in tali tales capiuntur flumine pisces; Bebel, no. 182: in tali flumine tales capiunter pisces; dicitur in illos, qui sua temeritate et voluntate periculum inciderunt; vel etiam in bonum dici potest; Winschooten, 348: In sulke waaters vangt men sulke vissen: dat is, men krijgt loon naa werken. Zie verder in de 17de eeuw Hooft, Brieven, 270, waar de bet. evenwel is: van zulke menschen verwacht men zulke daden, in welken zin het spreekwoord ook voorkomt bij Coster, 537 vs. 1293; Brederoo, Klucht v.d. Koe, vs. 671; Huygens V, 96; De Brune, 240; 476; V. Moerk. 94: Tuinman I, 296 en II, 197 kent het spreekwoord alleen in den zin van: ‘dit zijn de vruchten van zulk een bedrijf’; zoo ook Sewel, 941: Op zulke waters vangt men zulke visch, that's the reward due to such doings; door Van Dale worden beide beteekenissen vermeld. Zie verder Harreb. I, 291 a; Schuerm. 845 b; Antw. Idiot. 1420; in Waasch Idiot. 714: op zulke vijvers vangt men zulke visschen, zulke werken hebben zulk gevolg; vgl. Jahrb. 38, 164: in söcken Water fänkt man söcke Fiske; Woeste, 317 a; hd. in solchem Wasser fängt man solche Fische; fr. telle eau, tels poissons; Harreb. I, 83 a: in zulke bosschen vindt men zulke vogels; in het fri.: op sokke wetters fangt men sokke fisk, zoo oorzaak zoo gevolg; ook: soort zoekt soort Overige werken
Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.pā̆k̑- und pā̆g̑- ‘festmachen’, teils durch Einrammen (Pflock, Pfosten), teils durch Zusammenfügen (Fuge; festgefügt, kompakt, fest: z. T. auch Fessel, Strick), Präs. *pāg̑-mi, pāk̑-si, pāk̑-ti, pā̆g̑o- ‘Umschließung’
Ai. páś- (Instr. Pl. paḍbhíḥ) ‘Schlinge, Strick’, pā́śa- m. ds., pajrá- ‘gedrungen, stark’; WP. II 2 f., WH. II 232 f., 235 f., 245 f., Trautmann 209. Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW. |