Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

vals - (onjuist; nagemaakt; gemeen)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

vals bn. ‘onjuist; nagemaakt; gemeen’
Mnl. ualsche orconscepe ‘onware getuigenis’ [1237; VMNW], valsch ‘geniepig, verraderlijk, onecht’ [1240; VMNW], Een vals prophete ‘een onechte profeet’ [1285; VMNW]. Eerder wel al de afleiding valsch ‘oneerlijkheid’ in onl. Want er iz turch ualsch tete ‘want hij deed het met een vals oogmerk’ [1151-1200; Reimbibel]; mnl. dat hem te hant coemt sonder valsch ‘dat hem in alle eerlijkheid toevalt’ [1285-86; VMNW].
Ontleend, al dan niet via Oudfrans fals ‘vals, onjuist’ [1080; Rey] (Nieuwfrans faux), aan Latijn falsus ‘bedrieglijk, onwaar, onecht’, oorspr. het verl.deelw. van fallere ‘bedriegen, zich onttrekken, ten val brengen’, zie → faillissement. In het Middelnederlands heeft vals vaak -sc(h) aan het woordeinde naar analogie van inheemse bijvoeglijke naamwoorden met het Germaanse achtervoegsel *-ska-, bijv. mnl. helsc(h), versc(h). Deze (vooral geschreven) vorm heeft via Henric van Veldeke ook het Middelhoogduits beïnvloed, waarin naast vals ‘vals’ ook valsch ‘id.’ (nhd. falsch) voorkomt. De sk/sch-uitspraak in valsche leeft voort in de Vlaamse dialecten.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

vals [onjuist, gemeen] {vals(ch) [gemeen, onecht] 1237} oudfries falsk, oudfrans fals < latijn falsus [vals, onwaar, onecht, bedrieglijk], verl. deelw. van fallere [bedriegen, misleiden].

P.H. Schröder (1980), Van Aalmoes tot Zwijntjesjager, Baarn

vals

Hoe Nederlands het woord vals er ook uitziet en klinkt, het is van Latijnse afkomst. Het Latijnse werkwoord fallere betekent: bedriegen; falsus is: bedrieglijk, onwaar. Waarschijnlijk zijn de Nederlandse vorm vals en de Duitse falsch via het Oudfrans ontstaan in de tijd van Heinric van Veldeke, dus in de 12e eeuw. Door zijn bemiddeling is dan het woord in de Scandinavische woordenschat opgenomen.

De betekenissen van vals zijn vele: onecht (vals geld), onvolkomen (vals licht), onzuiver (vals zingen), ongegrond (valse schaamte), boos (hij werd vals), verkeerd (een valse plooi), nagemaakt (valse tanden) maar toch vooral: bedrieglijk in een of ander opzicht.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

vals bnw., mnl. valsc ‘vals, onjuist, onecht, onbetrouwbaar, boosaardig’, mnd. vals (en uit mnl. valsch), mhd. (westel. middelduits) vals (uit mnl. valsch), fri. falsk. — Uitgangspunt is lat. falsus > ofra. fals (nfra. faux), waarnaast in het noordfr. ontstond een vr. falske (naar voorbeeld van freis: freiske); daaruit mnl. valsc, dat zich vooral door invloed van Hendrik van Veldeke oostwaarts verbreidde. Uit het ofra. ook oe. fals (ne. false). — Zie: vervalsen.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

valsch bnw., mnl. valsc “valsch, onjuist, onecht, onbetrouwbaar, boosaardig”. = mhd. valsch, minder vaak vals (oorspr. westmd.; nhd. falsch), mnd. valsch, vals, fri. falsk “id.”. Met vervorming van den auslaut naar woorden met het suffix -ska- (ndl. -sch) uit lat. falsus of ofr. fals (fr. faux) “onwaar, onecht, valsch”. Eng. false “id.” is een reeds laat-ags. (fals “id.”, gew. znw. o. “bedrog”) ontl. uit ofr. fals. Ohd. komt al (gi-)falscôn, (gi-)felscen “voor onecht verklaren, verwerpen, weerleggen” (nhd. fälschen “vervalschen”) voor, = mnl. mnd. valschen (nnl. ver-valschen), velschen, ofri. falskia “vervalschen”. Dit kan mede invloed gehad hebben op den auslaut van valsch; de sk van dit ww. wordt door de afl. uit lat. falsicâre = falsificâre begrijpelijk.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

valsch bijv., Mnl. valsc + Mhd. valsch (Nhd. falsch): verbaalabstr. van (ver-) valschen, dat met Ohd. (gi-)falscôn ontleend is aan Mlat. falsicare, denom. van Lat. falsus (Ofra. fals, Nfra. faux), een afleid. van fallere.Eng. false is uit Ofra. fals.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Valsch, van ’t Ofr. fals (thans faux), uit ’t Lat. falsus = verkeerd, onecht.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

vals ‘onjuist, gemeen, onecht, onzuiver van toon’ -> Duits falsch ‘onjuist, onecht, verkeerd, oneerlijk, onoprecht, boos’; Deens falsk ‘onjuist, onecht, onzuiver van toon’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors falsk ‘onecht’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds falsk ‘onjuist, onecht’ (uit Nederlands of Nederduits); Indonesisch fals, pales; palsu ‘onzuiver van toon; onecht, namaak, oneerlijk’; Ambons-Maleis pas, pals, vals ‘vals, niet oprecht’; Boeginees pâlessu ‘onecht’; Jakartaans-Maleis palsu ‘onecht’; Javaans falsu ‘onecht’; Kupang-Maleis fals ‘onjuist van toon (muziek)’; Madoerees palso ‘vals, gewaand, pseudo, onecht’; Makassaars pâlusú ‘onecht’; Menadonees palsu ‘onecht’; Menadonees fals ‘oneerlijk, onzuiver van toon (van stem)’; Soendanees palsu ‘bedrieglijk’;? Creools-Portugees (Malakka) palsu ‘onjuist’ <via Indonesisch/Maleis>; Negerhollands valsch, vals ‘onjuist, schadelijk’; Sranantongo farsi (ouder: falsi), fals ‘wraakzucht; onjuist, gemeen, onecht, onzuiver van toon; vervalsen’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

vals onjuist, gemeen 1237 [CG I1, 35] <Latijn

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

74. Een loos (valsch) alarm,

eigenlijk een oproep te wapen, zonder dat er gevaar aanwezig is; een oproep te wapen zonder dreigend gevaar, maar met het doel om de troepen te misleiden. In figuurlijke toepassing een opschudding of onrust, waarvoor geen grond aanwezig is. Zie Kiliaen: Loosen alarm, ficta impressio; het Ndl. Wdb. II, 90-93; Antw. Idiot. 155; fri. in falsk alaerm; fr. une fausse alarmeBeter is: une fausse alerte.; hd. ein blinder Lärm; eng. a false alarm.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal