Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

vaderland - (land van de voorvaderen)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

vader zn. ‘man die een kind heeft’
Onl. fadar, fader ‘vader’ in ec gelobo in got alamehtigan fadaer ‘ik geloof in God de almachtige vader’ [791-800; ONW], fadera uueisono ‘vader van wezen’ [10e eeuw; W.Ps.]; mnl. vader [1240; Bern.].
Os. fadar (mnd. vader); ohd. fater (nhd. Vater); ofri. feder, fader (nfri. faar); oe. fæder (ne. father); on. faðir (nzw. fader); got. fadar; < pgm. *fadēr-.
Verwant met: Latijn pater, Oskisch patir; Grieks patḗr; Sanskrit pitā́-; Avestisch ptā; Oudiers athir; Armeens hayr; Tochaars A/B pācar/pācer; alle ‘vader’, < pie. *ph2tḗr (genitief *ph2trós) (IEW 829). Dit is een van de algemeen Indo-Europese verwantschapsaanduidingen eindigend op pie. *-ter-, zoals → broeder, → moeder en → dochter.
vaderland zn. ‘land waar men thuishoort’. Mnl. te comen totter stat des hemelschen vaderlandes ‘in het hemelse vaderland te komen’ [1340-60; MNW-P], ‘geboortestreek’ in Ende uteghegaen van daer ghinc hi in sijn vaderlant, ende sine jongheren volgheden hem ‘en toen hij daar was vertrokken ging hij naar zijn geboortestreek, en zijn leerlingen volgden hem’ [1380-1400; MNW-P, naar Marcus 6:1]; Oorspr. een bijbels begrip, als vertaling van Latijn patria, verkorting van patria terra (of urbs) ‘land (stad) van de vader’.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

vaderland* [land van de voorvaderen] {vaderlant [de hemel, het hemelse vaderland] 1401-1450; eenmaal als ‘geboorteplaats’ 1390; de huidige betekenis 1599} gaat terug op middelhoogduits vaterlant, als vertaling van latijn patria [idem], van pater (2e nv. patris) [vader].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

vaderland znw. o., mnl. vaderlant ‘hemel’ (dus land van de hemelse vader), maar reeds bij Kiliaen in de tegenwoordige bet., gaat wel evenals ne. fatherland en nde. fædreland terug op het hd., waar sedert de 12de eeuw vaterlant als navolging van lat. patria optreedt.

vaderland [Aanvullingen De Tollenaere 1969]: in zijn tegenwoordige, profane bet. komt het woord al veel eerder voor dan bij Kiliaan, t.w. reeds ± 1390. Zie WNT.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

† vaderland znw. o., een reeds mnl. mhd. mnd. samenst., in het Mnl. nog slechts in de bet. ‘hemel(-s vaderland)’; Kil. geeft al de tegenwoordige bet., die onder invloed van lat. patria, fr. patrie is opgekomen. Muller N.T. 14, 16.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

1vaderland s.nw.
1. Geboorteland. 2. Hemel.
In bet. 1 uit Ndl. vaderland (Mnl. vaderlant). In bet. 2 uit verouderde Ndl. vaderland (Mnl. vaderlant). Eerste optekening in Afr. by Changuion (1844) in die afleiding vaderlandsch.
D. Vaterland, Eng. fatherland (1623). Vanuit Afr. in S.A.Eng. (1900 in bet. 1).

2vaderland tw.
Uitroep waarmee veral verbasing of ongeloof uitgedruk word.
Mntl. 'n leenbetekenis van Eng. land (1846) 'Here'.
Vanuit Afr. in S.A.Eng. (1868).

Thematische woordenboeken

N. van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

vaderland (vert. van Latijn patria)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

vaderland ‘land van de voorvaderen’ -> Fries faderlân ‘land van de voorvaderen’; Zuid-Afrikaans-Engels † Fatherland ‘benaming voor uit Nederland geïmporteerde runderrassen’; Negerhollands vaderland ‘land van de voorvaderen’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

vaderland* land van de voorvaderen 1599 [Kil.]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

2321. Voor het (lieve) vaderland weg,

d.w.z. in groote mate; in 't ruwe weg; zonder veel complimenten; in het Westvlaamsch van 't vaderland weg, buitenmate, verschrikkelijk; De Bo, 1235 b: hij drinkt en hij vloekt van 't vaderland weg; in het Antw. Idiot. 1309 en Waasch Idiot. 684 a: iet doen veur 't vaderland, veel moeite doen; fel werken; Nav. 1897, 63: hij drinkt alsof het voor 't vaderland gaat; in het fr. hy sûpt mar for 't faderlân wei, eig. maar al door op het welzijn van het vaderland? In Groningen: veur sunt Velten (zonder ophouden; Molema, 414). Vgl. Amst. 138: Wij menschen zegge maar zoo voor 't vaderland weg onder de brug, dat is zooveel als de bestekamer van de arme lui; Het Volk, 19 Maart 1914, p. 2 k. 1: Zoo heel stilletjes, voor het vaderland weg, als wist hij van den prins geen kwaad, plaatste het kamerlid de Jong in zijn Hilversumsche ‘Vooruit’ de propaganda-artikelen van ‘Onze Vloot’. In het nd. zegt men för Manchester weg eten, flinken eetlust hebben, niet kieskeurig zijn.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal