Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

vacht - (dichte lichaamsbeharing bij dieren)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

vacht zn. ‘dichte lichaamsbeharing bij dieren’
Mnl. in dat doe de vacht. Droeghe bleue ‘dat de vacht toen droog zou blijven’ [1285; VMNW].
Bij vacht horen alleen: oe. feht; ozw. fæt; < pgm. *fahti-.
Daarnaast met ander achtervoegsel *fahsa- ‘haar, hoofdhaar’, waaruit: onl. fas ‘hoofdhaar’ in Thin uahs is samo geize corter ‘je haar is als een kudde geiten’ [ca. 1100; Will.], mnl. vas (in ende blont sijn vas ‘en zijn haar (was) blond’ [1393-1402; MNW-R]); os. fahs; ohd. fahs (nhd. dial. Fachs ‘haar’, Zwitsers-Duits Fachs ‘bepaalde grassoort’); ofri. fax; oe. feax (ne. vero. fax); on. fax ‘manen’ (nno. faks). Ook het Noord-Germaanse woord voor ‘schaap’: on. fær (vergelijk de Faeröer ‘de schapeneilanden’); nzw. får < pgm. *fahaz- bevat hetzelfde element pgm. *fah-, dat verder met een andere ablaut ook voorkomt in het woord voor → vee < pgm. *fehu-.
Verwant met: Grieks pékos (o.)/ pókos (m.) ‘afgeplukt of afgeschoren schapenwol’; Armeens asr ‘vlies, wol’; < pie. *péḱos-, póḱos-, bij de wortel *peḱ- ‘(wol) plukken’, die ook voorkomt in → vee en mogelijk in → vechten.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

vacht* [haarkleed] {1288} naast middelnederlands vas [hoofdhaar], oudsaksisch, oudhoogduits fahs, oudengels feax, oudnoors fax [haar, manen van een paard]; buiten het germ. de onder vechten en vee vermelde vormen.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

vacht znw. v., mnl. vacht v. ‘vacht, wol’, oe. feht ‘vacht’, ozw. fæt m. < grondvorm *fahti- staat naast *fahsa- in mnl. vas o., os. ohd. fahs, ofri. fax, oe. feax o. ‘hoofdhaar’, on. fax o. ‘manen’. — gr. pékos, pókos ‘vlies, wol’, oi. pakṣman ‘wimper, wenkbrauw’, perz. pašm ‘wol’, arm. asr ‘vlies, wol’ van de idg. wt. *peḱ‘wol plukken’ (IEW 797). — Zie: vee en vechten.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

vacht znw., mnl. vacht v. “vacht, wol”. = ags. feht “vacht”, ozw. fæt m. (*faχti-) “id., wol”. Evenals ags. fihl (fihle? m. o.?) “pannus” en mnl. vas, ohd. os. fahs, ofri. fax, ags. feax o. “hoofdhaar”, on. fax o. “manen” van de idg. basis peḱ- “kammen, wol plukken”, waarvan ook lat. pecto “ik kam”, pecten “kam”, gr. pékō, péktō “ik kam, scheer”, pékos “vlies, wol”, kteís (*pḱten-) “kam”, lit. peszù, pèszti “plukken, aan de haren trekken”, arm. asr “vacht, wol”, yaun-kʿ (*poḱsnâ-) “wenkbrauwen”, av. pašna- “ooglid”, oi. pákṣman- “oogwimpers, haar”. Zie nog vee.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

vechten (slot). Bij de hier vermelde znww. adde: mnl. vecht o. (m.?), vechte v. ‘gevecht’.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

vacht v., Mnl. id. + Ags. feht, Ozw. fæt + Gr. pókos, van pékein = uitrukken, kammen, Lat. pecten = kam, Lit. peszti = uitrukken: Idg. wrt. pek, van waar ook Os., Ohd. fahs, Ags. feax, On. fax = haar.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

vag: vlies wol; Ndl. vacht (Mnl. vacht), Eng. (veroud.) fax nog in eien. soos Fairfax en Halifax, hou verb. m. Gr. pekos/pokos, “vlies, wol”.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Vacht is een echt Ndl. woord, verwant met ’t Gr. pekein = trekken, plukken, waarvan pokos = afgeschoren schapewol (de wol werd oudtijds geplukt) of vlies. Het Os. had fahs = hoofdhaar.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

vacht ‘haarkleed’ ->? Duits dialect Vacht ‘haarkleed’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

vacht* haarkleed 1288 [CG I2, 1330]

Overige werken

Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.

pek̑-2 ‘Wolle oder Haare rupfen, zausen’, pék̑u- n. Gen., pek̑u̯-és ‘das Geschorene, Wolltier, Schaf’, dann ‘Kleinvieh, Vieh überhaupt’; ‘Wolle, Fließ, auch Haar’; pok̑o-s ‘Fließ’, pek̑os- ds.; pk̑-t-én- ‘Kamm’; von hier aus schon idg. ein Verbalstamm pek̑t- gebildet

Ai. páśu-, paśú- n., Gen. paśváḥ; paśú- m. ‘Vieh’; av. pasu- m. ‘Vieh’ (meist noch ‘Kleinvieh’), im Kompos. fśū̆-, -fśū̆-, womit ai. kšu-mā́n- ‘nahrungsreich’, puru-kšú ds. (zweimal auch einfaches kśu) als Diss.-Formen für pśu- identisch; = lat. pecū, -ūs n. ‘Vieh’, woneben pecus, -oris n. (formell = gr. τὸ πέκος), pecus, -ŭdis f. ds.; Ableitungen pecūnia ‘Geld’, pecūlium ‘Handgeld, Taschengeld’; umbr. pequo Pl. n. ‘pecua’; = got. faíhu ‘Besitz, Vermögen’, aisl. , ags. feoh, as. fehu, ahd. fihu ‘Vieh’; = lit. pekus, apr. pecku ‘Vieh’ (westidg. Gutt.); got. bi-, ga-faíhon ‘übervorteilen’ sind nach W. Wissmann (Die ältesten Postverbalia 79 ff.) Denominativa von faíhu, und bi-faíh ‘Betrug’ ist Nomen postverbale;
arm. asr, Gen. asu ‘Schafwolle, Fließ’, asveł ‘wollig’ (*pok̑u + r, mit а aus о in offenerAnlautsilbe); gr. πέκω (= lit. pešù), πέκτω (= lat. pectō, ahd. fehtan), πεκτέω ‘kämme, schere’, πέκος n. ‘Fließ, Wolle’, πόκος m.; ‘Fließ’, κτείς, κτενός ‘Kamm’ (aus schwundst. *πκτεν-; lat. pecten);
alb. pilë ‘Werkzeug zum Flachskämmen, -hecheln’ (*pek̑lā); lat. pectō, -ere, pexī ‘kämmen’, pecten, -inis ‘Kamm’, umbr. petenata ‘pectinatam’; ahd. as. fehtan, ags. feohtan ‘fechten’; ahd. as. fahs, ags. feax ‘(Haupt)-haar’, aisl. fax ‘Mähne’ (*-pok̑-s-o-, vgl. den es-St. πέκος), aisl. fǣr, aschwed. fār ‘Schaf’ (*fahaz = πόκος), aschwed. fǣt (*fahti-) ‘Wolle, Fließ’, ags. feht ‘Fließ’, ndl. vacht f. ‘Wolle, Schur’, ags. fihl ‘pannus’; lit. pešù, pèšti ‘rupfen, an den Haaren zausen’, Iter. pašýti, susipẽšti ‘sich raufen’.
Hierher wohl ai. pakṣ-man- n. ‘Augenwimpern, Haar’, pakṣ-malá- ‘mit starken Augenwimpern, dichthaarig’, av. pašna- n. ‘Augenlid’, vgl. in nicht so spezialisierter Bed. np. pašm ‘Wolle’.

WP. II 16 f., WH. 11 269 f., 270 ff., Trautmann 217, Specht KZ 68, 205 ff.

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal