Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

vaag - (onduidelijk; onbezaaid)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

vaag bn. ‘onbepaald’
Nnl. in de Latijnse voorzetselverbinding in vago ‘onbepaald, onduidelijk’ in Ofschoon de bemoeinissen en goede Officien ... My nog enkel by gerugt en in vago zyn ter oren gekomen [1760; Leeuwarder Courant], vague, vaeg ‘onbepaald’ in die vage en algemene ophef [1768; Nieuwe Nederlandsche jaarboeken], vague en zonder bewys onderstelde beschuldigingen [1798; iWNT woest I].
Ontleend aan Frans vague ‘onbepaald’ [1316-28; TLF], eerder ‘zwervend’ [1213; TLF], van Latijn vagus ‘zwervend; onbepaald’.
Lit.: Nieuwe Nederlandsche jaarboeken, of vervolg der merkwaardigste geschiedenissen, die voorgevallen zyn in de Vereenigde Provinciën, de Generaliteits landen, en de volkplantingen van den staat, Leiden (1768), 1150

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

vaag2 [onbezaaid] {vage, vaech [woest, onbebouwd (van land)] 1441} < frans vague < latijn vacuus [ledig].

vaag3 [onduidelijk] {1824} < frans vague [vaag, onbepaald] < latijn vagus [zwervend, ronddolend, onbestendig, onbepaald].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

vaag 2 bnw., eerst nnl. (19de eeuw?). evenals nhd. vag en ne. vague < fra. vague < lat. vagus ‘zwervend, onvast’,

Mogelijk is mnl. vaech, vage ‘woest, onbebouwd; stilstand van werk’ (nog zuidnl. vaag) hetzelfde woord.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

vaag bnw., nog niet bij Kil. Evenals nhd. vag, eng. vague uit fr. vague (< lat. vagus “zwervend, onvast”). Zuidndl. vaag “woest, onbewerkt” is al uit ’t Mnl. bekend.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

vaag 2 bijv.(onbepaald), uit Fr. vague, van Lat. vagum (-us) = dolend, verw. met wankelen.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2010), Brabants etymologisch woordenboek: de herkomst van de woordenschat van Antwerpen, Brussel, Noord-Brabant en Vlaams-Brabant, Zwolle

vaag, bn.: onbebouwd, onbezaaid, braak, woest. Ook Vlaams. Wvl., Mnl. vage ‘woest’ < Fr. vague ‘vrij, leeg, onbezet’ < Lat. vacuus ‘leeg’.

F. Debrabandere (2007), Zeeuws etymologisch woordenboek: de herkomst van de Zeeuwse woorden, Amsterdam

vage bn.: onbebouwd, onbezaaid, braak, woest. Vlaams, Mnl. vage ‘woest’ < Fr. vague ‘vrij, leeg, onbezet’ < Lat. vacuus ‘leeg’. Ook zn. vage ‘onbebouwde grond’.

F. Debrabandere (2005), Oost-Vlaams en Zeeuws-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de Oost- en Zeeuws-Vlaamse woorden, Amsterdam

vaag (G, W), vage (G, R, ZO, ZV), vaagd (Lede), bn.: onbebouwd, onbezaaid, braak, woest. Wvl., Mnl. vage 'woest' < Fr. vague 'vrij, leeg, onbezet' < Lat. vacuus 'leeg'. Ook zn. vage (L, ZV)¸ vaagd (B, Haasdonk, Melsele) 'onbebouwde grond'.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

vaag b.nw.
1. Onduidelik, sonder vaste buitelyne. 2. Nie skerp gedefinieerd nie, oop vir interpretasie.
Uit Ndl. vaag (1824 in bet. 1, 1887 in bet. 2).
Ndl. vaag uit Fr. vague uit Latyn vagus 'swerwend, onbestendig, onbepaald' wat verband hou met die Latynse ww. vagari, vagare 'swerwe'.
D. vage (18de eeu), Eng. vague (1548 in bet. 1, 1822 in bet. 2).

A.A. Weijnen (2003), Etymologisch dialectwoordenboek, Den Haag

vaag I braak liggend (Vlaanderen). « ofra. vague ‹ lat. vacuus ‘ledig’.
WVD I afl. l, 15-16, WNT XVIII 6.

vaag II, vage braak liggende grond (Vlaanderen). Ofwel « fra. vague ‘id.’, ofwel = gesubstantiveerd vaag I ↑.
WVD I afl. 1, 15-16, WNT XVIII 6.

F. Debrabandere (2002), West-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de West-Vlaamse woorden, Amsterdam

vage, bn., bw.: braak, onbebouwd, woest. Mnl. vage ‘woest’. Fr. vague ‘vrij, leeg, onbezet’< Lat. vacuus ‘leeg’.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Vaag (onzeker), van ’t Fr. vague, uit ’t Lat. vagus = dolend, niet zeker (van den weg).

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

vaag ‘onduidelijk’ -> Fries faach ‘onduidelijk’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

vaag onduidelijk 1798 [WNT woest I] <Frans

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal