Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

tuimel - (dial.)

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2011), Limburgs etymologisch woordenboek: de herkomst van de woorden uit beide Limburgen, Zwolle

toemel, zn.: ongeregelde drukte, moeilijkheden. D. Tummel ‘roes’. Van het ww. toemelen (zie i.v.), D. tummeln.

Thematische woordenboeken

A. Moortgat (1925), Germanismen in het Nederlandsch, Gent

tuimel. ― Ik meen dat Gallas en Herckenbath ongelijk hebben, naar het voorbeeld van Van Dale’s Wdb., aan tuimel ook de beteekenis van Fr. ivresse, délire toe te kennen. Tuimel(ing) beteekent uitsluitend culbute, doch het Duitsch zelfstandig naamwoord Taumel wordt gebruikt in den zin van bedwelming, duizeling, roes, zwijmel. Duizel is minder bekend: “En dit gevoel bracht hun even in een duizel van opwinding, in denzelfden zaligen zwijmel” enz. (Nico van Suchtelen in De Gids, 84, 1, 31,). Zie ook A. Roland Holst in De Gids, 84, 6, 425.
|| Wie ... in de bedwelmde tuimeling der zinnen het resultaat eener Godgewijde jeugd vernielde - al dezen vinden enz., Alph. Laudy in St. o. E., II, 6, 41.

M. Siegenbeek (1847), Lijst van woorden en uitdrukkingen met het Nederlandsch taaleigen strijdende, Leiden

tuimel, in de uitdrukking tuimel der hartstogten, behoort tot het Hoogduitsche (taumel), niet tot het Nederlandsche taalgebruik, ’t welk hiervoor bedwelming, dronkenschap vordert.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal