Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

tromp - (blaashoorn)

Etymologische (standaard)werken

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

tromp [blaashoorn] {trompe, trumpe [bazuin] 1350} < frans trompe, een frankisch leenwoord → trompet.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

tromp znw. v., mnl. trompe ‘trompet, bazuinʼ, Kiliaen trompe ‘trompet, blaasinstrument voor kinderen; slurf van een olifantʼ, oostfri. trumpe ‘buisvormig houtstuk waarin een as draaitʼ, vgl. ook nnl. bet. ‘monding van een geweerʼ. — Gewoonlijk beschouwd als ontl. uit fra. trompe, dat romanisten echter weer uit een frank. *trumpa ‘buisʼ afleiden.

Men kan natuurlijk de bet. ‘buis, geweermond enz.ʼ verklaren door de overeenstemming met de vorm van een trompet, maar zeker is dit niet. Opmerkelijk is dat ook bij trommel naast die van de trom, ook die van cylindrische voorwerpen voorkomt. Misschien moet men toch hiervan uitgaan, daar de verklaring als klankwoord niet zeer overtuigend is. Wanneer wij denken aan nzw. dial. trinna ‘afgespleten stuk van een stam, dat als schijf gebruikt werdʼ, dan zou men kunnen vermoeden, dat ook bij trom en tromp van zulk een bet. is uit te gaan en dat deze woorden een afl. zijn van idg. *dreu, afl. van *der ‘splijtenʼ, waarvoor zie: teren 1. Dan zouden dus de muziekinstrumenten omgekeerd genoemd zijn naar cylindrische of buisvormige voorwerpen.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

tromp v., Mnl. trompe, uit Fr. id.: z. trom.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2010), Brabants etymologisch woordenboek: de herkomst van de woordenschat van Antwerpen, Brussel, Noord-Brabant en Vlaams-Brabant, Zwolle

tromp, zn.: snuit van een varken; ring door de snuit van een varken om het wroeten te beletten. Zoals Vnnl. trompe van den olifant (Kiliaan), analogisch naar Mnl. trompe, trumpe ‘trompet’ < Fr. trompe ‘blaasinstrument’.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

tromp s.nw.
1. Slurp. 2. Voorste opening van die loop van 'n vuurwapen.
Uit Ndl. tromp (1588 in bet. 1, 1601 in bet. 2).

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

tromp: geweerloopmond; (olifant)slurp; trompet; Ndl. tromp (Mnl. trompe, “basuin, trompet”, by Kil trompe, “blaasinstrument, trompet; olifantslurp”) gew. afg. v. Fr. trompe, maar lg. weer v. Ohd. trumba/trumpa; v. ook trombas.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

tromp ‘(verouderd) blaasinstrument’ -> Munsee-Delaware tǝlǝmp ‘mondharp’; Unami-Delaware tëlëmp ‘mondharp’.

N. van der Sijs (2009), Yankees, cookies en dollars, Amsterdam

tromp ‘blaasinstrument’ is overgenomen als: Munsee Delaware telémp ‘mondharp’.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal