Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

troffel - (metselaarsgereedschap)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

troffel zn. ‘metselaarsgereedschap’
Mnl. truweel, truwel, truel in truel ‘metselaarsgereedschap, lepel’ [1330; MNW], plaesteren metten truwele ‘pleisteren met de troffel’ [ca. 1410; MNW], een truweel des metselaers [1477; MNW], dan ook trufel, truffel in truyffel des steynmetzler [1477; Teuth.]; vnnl. trufel of scofel ‘schep’ [1515; WNT], truweel ‘troffel, lepel, schep’ [1538; WNT], dan ook de vorm troffel ‘metselaarsgereedschap’ [1557; Van der Sijs 2001], een truweel, trouweel oft troffel [1573; Thes.].
Nevenvorm, ontstaan onder invloed van schoffel en gaffel, van ouder truweel met medeklinkerverdubbeling voor -l, zoals ook in → gaffel. Truweel is, evenals Engels trowel ‘troffel’, ontleend aan Oudfrans truele ‘gereedschap’ [ca. 1328; TLF], ouder trieule [ca. 1285; TLF] (Nieuwfrans truelle ‘troffel, schildersmes; vismes’), dat via Laatlatijn truella ‘kleine gietlepel, scheplepel’ [2e eeuw; Rey] is ontwikkeld uit het verkleinwoord trūlla, trulla van klassiek Latijn trua ‘roerlepel, gietlepel, metselaarsgereedschap; gietbak, spoelbak’. De verdere herkomst van dat woord is niet duidelijk; mogelijk (BDE) verwant met turbāre ‘omwoelen, roerig maken’ en turba ‘beroering, woeling’, zie → turbulent, mogelijk (Rey) ontleend aan het Etruskisch.
Mnd. truffel ‘troffel’; nfri. troffel ‘id.’; me./ne. trowel ‘id.’.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

troffel [metselaarsgereedschap] {1573, vgl. tru(y)fel, truffel 1466} naar Kiliaan meedeelt de hollandse vorm van truweel.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

troffel znw. m., mnl. trufel, truyfel, truffel, Kiliaen troffel (Holl. Fris.), troeffel (Holl. Fris. nog dial.), truffel (Sicamb.), mnd. truffel, fri. troefel, troffel. — Een fri. vorm van truweel, die zich ook naar het Eemsland, Oost-Friesland en in het westelijk deel van Westfalen verbreid heeft, vgl. kaart 10 bij W. Foerste, Bijdr. en Med. Dial. Comm. 1955.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

troffel znw. Kil. troffel (“Holl. Fris.”), troeffel (“Holl. Fris.”, nog dial.), truffel (“Sicamb.”). = mnd. trûffel “troffel”, fri. troefel, troffel “id.”. Opvallende vorm, misschien door invloed van schoffel te verklaren, naast ndl. truweel o., mnl. truweel, trouweel. Dit evenals eng. trowel uit fr. truelle (< lat. truella naast trulla) “troffel”.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

troffel m., gelijk Eng. trowel, uit Fr. truelle, van Mlat. truellam (-a), dim. van Lat. trua = lepel.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2010), Brabants etymologisch woordenboek: de herkomst van de woordenschat van Antwerpen, Brussel, Noord-Brabant en Vlaams-Brabant, Zwolle

truffel 1, zn.: vuurschop, asschop. Var. van Ndl. troffel ‘schopvormig gereedschap’, dat in het Antwerps evenwel een troefel is (CV). Mnl. trufel, truffel ‘troffel’, Vnnl. truffel, vier-schuppe, maar ook truffel, truweel bij Kiliaan, die i.v. troeffel naar truffel verwijst. Mnd. trûffel, Fri. troefel, troffel. Het is de Hollandse vorm van truweel.

F. Debrabandere (2005), Oost-Vlaams en Zeeuws-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de Oost- en Zeeuws-Vlaamse woorden, Amsterdam

troefel (B, G, W), zn. m.: troffel; brede puntige schop (van grondwerkers). Vnnl. truffel, truweel 'scheplepel', truffel, vier-schuppe (Kiliaan). Wellicht var. van Mnl. roffe, rufel 'schop', met t-prothesis, beïnvloed door truweel.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

troffel s.nw.
Stuk messelaarsgereedskap met 'n driehoekige staalblad.
Uit Ndl. troffel (1573). Talle wisselvorme het voorgekom, o.a. trufel (al Mnl.), truffel (1588, veral in die oostelike streke) en troefel (1588, in die oostelike streke en S.Nederland), op hulle beurt almal wisselvorme van Ndl. truweel 'troffel'. Die o van troffel miskien na analogie van Ndl. schoffel (Mnl. schuffel) 'skoffel'.
Ndl. truweel uit Fr. truelle uit Latyn truella, wisselvorm van trulla 'troffel', die verkleinw. van trua 'lepel'.

A.A. Weijnen (2003), Etymologisch dialectwoordenboek, Den Haag

troffel graanschop, metselaarsschep (diverse dialecten). = mnl. troffel, door accentverspringing ontstaan naast truweel « ofra. truelle ‹ laatlat. truella, verkleinw. van lat. trua ‘pollepel’.
Veldeke 1992, 18-20.

F. Debrabandere (2002), West-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de West-Vlaamse woorden, Amsterdam

troefel (O), trufel (O, R), zn. m.: grote schop. Var. van roefel/rufel, wellicht o.i.v. troef, truffel.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

troffel: messelwerktuig; Ndl. troffel (Mnl. trufel/truyfel/truffel, by Kil troffel, dial. troef(f)el/truffel), misk. na vb. v. Ndl. schoffel, daarnaas Ndl. truweel (Mnl. tr(o)uweel), Eng. trowel, uit Fr. truelle uit Lat. tru(e)lla, “troffel”, dim. v. trua, “roerlepel”.

Thematische woordenboeken

N. van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

troffel (Frans truelle)

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Troffel, van ’t truelle, uit ’t Lat. truella, verkleinwoord van trua = lepel. Een troffel was vroeger ook een vuurlepel, vuurschop.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

troffel ‘metselaarsgereedschap’ -> Noord-Sotho trofolo ‘metselaarsgereedschap’ <via Afrikaans>; Tswana torôfolo ‘metselaarsgereedschap’ <via Afrikaans>; Xhosa trofolo ‘metselaarsgereedschap’ <via Afrikaans>; Zoeloe trofela ‘metselaarsgereedschap’ <via Afrikaans>; Zuid-Sotho trofolo ‘metselaarsgereedschap’ <via Afrikaans>; Menadonees trovol ‘metselaarsgereedschap’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

troffel metselaarsgereedschap 1557 [Meurier, Vocabulaire françois-flameng]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal