Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

trend - (tendens)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

trend zn. ‘tendens’
Nnl. trend ‘tendens, koers’ in Bepaling der Trend-waarde uit de statistiek der verkoopen [1930; Vaderland], den trend, het koersverloop van den gulden, ... niet bedwingen [1936; Vaderland], ‘tendens, modeverschijnsel’ in wat is de trend in de mannenmode? [1969; Reinsma 1975], een nieuwe trend ... de aankoop van het kolossale ouderwetse herenhuis [1973; Reinsma 1975].
Ontleend aan Engels trend ‘tendens, koers (van handelingen, ideeën enz.)’ [1884; BDE], eerder al ‘algemene richting van een rivier, kustlijn enz.’ [1777; BDE], nog eerder ‘ronde bocht of baan van een rivier’ [1630; BDE], zelfstandig gebruik van het ww. trend ‘tenderen, een koers nemen (van handelingen, ideeën enz.)’ [1863; BDE], eerder al ‘een bepaalde koers hebben (van rivieren enz.)’ [1598; BDE], ouder trenden ‘zich wenden, draaien’ [voor 1300; BDE], Oudengels trendan ‘id.’, zie verder → omtrent.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

trend [tendens] {1926-1950} < engels trend, van to trend [zich buigen, lopen, in een richting gaan], oudengels trendan, middelnederlands trenten [stappen, lopen] (vgl. drentelen, trant, omtrent).

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

trend znw. m., sedert 1940 < ne. trend ‘loop, richtingʼ bij het ww. trend ‘in een zekere richting gaan, zich wenden van een wegʼ < *trendan ‘rollenʼ, vgl. ofri. trind, trund, nde. nzw. trind ‘rondʼ — Zie: trant en trendel.

Thematische woordenboeken

N. van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

trend (Engels trend)

L. Koenen, R. Smits (1992), Peptalk, De Engelse woordenschat van het Nederlands

trend [trend] 1. tendens, richting van ontwikkelingen; 2. mode.

Dateringen of neologismen

F. Bakker, E. van Ruijsendaal, P. Uljé, D. van Zijderveld, Vindpunt.nl – elektronisch doorzoekbare Woordenlijst Overbodig Engels met Nederlandse tegenhangers, uitgebreide en verbeterde voortzetting van de boekuitgaven Funshoppen in het Nederlands (2009) en Op-en-Top Nederlands (2015)

trend zn. Ontleend aan het Engels.
[alg.] = tendens, ontwikkeling(slijn), neiging.
[alg.] = nog nieuws?. Ha Anna! Nog nieuws? Ja, nieuwe vriend en nieuwe baan.
[alg.] = begin, aanvang. Het begin van de cursis grappenmakers voor beginners is op 1 april.

trend, de ~ zetten uitdr. Ontleend aan het Engels.
[alg.] = de toon zetten, de mode bepalen, de mode aangeven. The Beatles zetten in de jaren 1960 niet alleen muzikaal de toon.

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

trend tendens 1940 [WNT] <Engels

J. Posthumus (1986), A Description of a Corpus of Anglicisms, Groningen

trend, plural trends, de [trɛnt/s] Koenen 1974; Van Dale 1976. Compounds/derivations: trendcijfer, trendmatig; modetrend, occultisme-trend, poptrend. Loanword from English trend n.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal