Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

trekken - (naar zich toe halen, slepen; gaan)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

trekken ww. ‘naar zich toe halen, slepen; gaan’
Mnl. trecken in getrocken. bi den hare ‘aan het haar getrokken’ [1237; VMNW], trecken [1240; VMNW], ook wel met een zwakke verleden tijd in Ende es in Vrancrike getrect ‘en is Frankrijk binnengetrokken’ [1300-25; MNW].
Oorspr. een zwak causatief van mnd. trecken; mhd. trecken; ofri. trekka (nfri. trekke); < pgm. *trakjan- ‘trekken’. Daarnaast bestond ook mhd. trechen ‘trekken, stoten, schuiven’ < pgm. *trekan-.
Herkomst onbekend. Misschien te verbinden met Lets dragāt ‘rukken, trekken, schudden’ (IEW 209-210) en → dragen, dat een oorspr. betekenis ‘trekken’ lijkt te hebben gehad. De t- aan het begin levert dan echter problemen op.
trek zn. ‘ruk; tocht; lust’. Mnl. trec ‘lijn, streep’ in dat dar liden ouer den trec ‘dat over de streep durft gaan’ [1287; VMNW], in eenvuldeghen trecke ‘in eenvoudig verlangen’ [1380-1400; MNW-P]; vnnl. op den treck ‘aan het optrekken’ [1572; iWNT]. Afleiding bij trekken.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

trekken* [naar zich toe halen, naar een andere plaats gaan] {trecken 1201-1250} oorspr. een causatief naast middelnederlands treken, middelnederduits, middelhoogduits trecken, oudfries trekka; etymologie onduidelijk, hoewel men verbinding legt met russisch djorgatʼ en lets dragāt [rukken].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

trekken ww., mnl. trecken (sterk en zwak) en trēken (sterk) ‘trekken, plaatsen, brengen, zich begeven enz.ʼ Voor de vorm met -kk- vgl. mnd. trecken (sterk, zwak), mhd. trecken (zwak) ‘trekken, slepen, talmenʼ, owfri. trekka ‘trekkenʼ, voor die met -k- zie mhd. trechen ‘trekken, stoten, schuiven, door omwoelen bedekkenʼ. — russ. trekat ‘langzaam trekkenʼ (vgl. R. v. d. Meulen, Verh. AW Amsterdam 66, 2, 1959, 100).

Men verbindt twijfelend met lett. dragât ‘rukken, trekken, schuddenʼ (IEW 209-210). Kan men niet eerder denken aan een substraatwoord; het hunebeddenvolk moet wel een woord voor het slepen van de steenblokken hebben gehad? — Uit de stam trek is overgenomen ne. track ‘een schip van de oever af voorttrekkenʼ (sedert 1727), maar reeds 1632 trackboat (vgl. Bense 504), trekschuit (sedert 1696, vgl. ibid. 512).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

trekken ww., mnl. trecken (zwak en sterk) naast trēken (sterk) “trekken (trans. en intr.), plaatsen, brengen, zich begeven enz.”. Bij trēken mnl. trēke, treec m. v. “list, streek”. Mnl. trēken = mhd. trëchen (sterk) “trekken (intr. en trans.), schuiven, stooten, door omwoelen bedekken”. Mnl. trecken is een – oorspr. zwakke – causatiefformatie = mhd. trecken (zwak) “trekken”, mnd. trecken (zwak en sterk) “trekken (intr. en trans.), sleepen, talmen”, owfri. trekka (3. pers. treght) “trekken (een mes)”. Ook mnd. en owfri. ’t znw. trek m. “tocht”, mnd. ook speciaal “veldtocht, plechtige optocht”. Oorsprong onzeker. Men combineert russ. dërgať “rukken”, dat bij de basis van teren I hoort; dat ook trekken hierbij hoort is mogelijk, maar de directe afl. van trekken en russ. dërgať van een basis dereg- is niet wsch. (zie bij tergen). Mnd. trēken “rillen, gruwen” mag geen aanleiding zijn om russ. drožú, drožáť “beven” te combineeren: dit heeft wsch. idg. u.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

trek, trekken znw. resp. ww. Misschien is lett. dragât ‘slaan, rukken’ verwant; zie echter bij dragen.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

trekken o.w., Mnl. trecken + Mhd. trecken (Nhd. trecken), Ofri. trekka: intensief van Mnl. treken, Os. trekan + Ohd. trehhan (Mhd. trechen): niet verder na te gaan. Uit trekken komt Fr. tricher = bedriegen in ’t spel, met welke bet. het subst. treek te vergelijken is.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

trèkke (ww.) 1. trekken 2. tochten; Vreugmiddelnederlands trecken <1237>.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

2trek ww.
1. Krag uitoefen om iets in jou rigting te bring. 2. Beweging met 'n liggaamsdeel maak, sowel willekeurig as onwillekeurig. 3. Aantrekkingskrag uitoefen, aantrek, lok. 4. Voortbeweeg, sowel voorwerpe as mense en diere. 5. Lyk na. 6. (t.o.v. mense) Van een plek na 'n ander gaan, weggaan. 7. Met kookwater afskei, 'n aftreksel maak. 8. Deur met 'n skryfding oor 'n oppervlakte te beweeg, iets laat ontstaan. 9. Geld uit 'n rekening neem. 10. (t.o.v. voëls, visse en sekere ander diere) Van een plek na 'n ander weggaan. 11. Suiging van wind, bv. in 'n kaggel of 'n vertrek, vertoon. 12. Reëlmatig geld ontvang, bv. rente. 13. Suig, bv. aan 'n pyp, of met 'n pomp water uit die grond.
Uit Ndl. trekken (al Mnl. in bet. 1 - 5, 1526 in bet. 6, 1552 in bet. 7, 1560 in bet. 8, 1573 in bet. 9, 1582 in bet. 10, 1620 in bet. 11, 1635 in bet. 12, 1710 in bet. 13). Van bet. 6 meld die WNT dat dit verouderd is en behalwe in laten trekken minder gewoon. In vroeë Afr., as gevolg van die kolonisering van die binneland, is die woord alg. in hierdie bet. gebruik, en word deur sowel Pannevis (1880) as Mansvelt (1884) vermeld. Die woord is so alg. dat dit trouens in verskeie bet. in S.A.Eng. opgeneem is.
Vanuit vroeë Afr. in S.A.Eng. (1820 in bet. 1, 1835 in bet. 6) en vanuit Afr. in S.A.Eng. (1850 in bet. 10, 1945 in bet. 7), ook in die afleiding trekker (1846).

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

trekken (trok, heeft getrokken), (ook:) discussiëren, i.h.b. redetwisten. We hebben afgesproken om niet meer met hem te trekken. Zodra hij weer met die vervelende dingen zou beginnen, zou hij een pakslaag* van ons krijgen (Hijlaard 70). - Etym.: Mogelijk van ’halen* en trekken’ (z.a.).
— : zich trekken, zich uitrekken. - Syn. lui trekken*.
— : lui trekken (trok lui, heeft lui getrokken), (niet alg.) zich uitrekken. - Etym.: Lett. vert. van S ari lesi (ari = trekken; lesi = lui). - Syn. zich trekken*.

Thematische woordenboeken

W. de Vreese (1899), Gallicismen in het Zuidnederlandsch, Gent

trekken (I). - Niet zelden leest men bij Zuidnederlandsche schrijvers dat een boek op zooveel exemplaren getrokken is. Dit is eene letterlijke vertaling van fr. tiré à autant d’exemplaires; in zuiver Nederlandsch zegt men in zooveel exemplaren gedrukt.
Dit gallicisme staat in nauw verband met een ander, dat men uit de mond van drukkersgasten vaak kan hooren, nl. als ze zeggen dat een vel, een blad getrokken is: fr. tirer beteekent o.a. ook afdrukken, maar ndl. trekken kan in die beteekenis niet gebruikt worden. || Dit fragment is gevonden en mij welwillend ... medegedeeld, na het trekken van al de bladzijden van den Spieghel der Sonden, DE PAUW, Mnl. Ged. en Fragm. 460.

trekken (II) (de aandacht op iets trekken). - Het gebruik van het ww. trekken in deze uitdrukking is een gallicisme: fr. attirer l’attention luidt in onze taal de aandacht op iets of iemand vestigen. || Baron Julius de Saint-Génois was de eerste die er ... de aandacht op trok (t.w. op een handschrift), De PAUW, Besouch 1. Het was de baron ... die ... de aandacht op dat heuglijk feit trok, LOVELING, Sophie 153. Hij is hier een naamwoord, waar de aandacht op getrokken wordt, CLAES 30. Trekken wij enkel zijne aandacht (t.w. van den lezer) op de ruw- en vormloosheid, waarin ons voertuig hier weer verschijnt, DAEMS, Kruiw. 81. Gij (waart) te nederig ... om de aandacht te trekken op uw persoonlijk doen en denken, ROOSES, Derde Schetsenb. 395. Een omstandig Glossarium ... waarin wij de aandacht zullen trekken op de verschillende taalkundige bijzonderheden, die in den tekst worden aangetroffen, GAILLIARD, K. v. Hazebroek 1, XIX. Het portret van kardinaal Bentivoglio ... trok de algemeene aandacht op den pittore cavalieresco, SABBE, Vl. Schilderk. 180. De onderwijzer trekt nog eens de aandacht der kinderen op de deelen der aangeleerde letters, STINISSEN, Opvoed. 41. Verscheidenen feiten ..., welke het waarschijnlijk maken, dat Miltons aandacht op Vondel werd getrokken, SEGERS, Vondel2 135. De aandacht der leden (wordt) getrokken op het nut, dat voor de studiën zou voortspruiten uit een algemeen aangenomen terminologie van de Nederlandsche Spraakleer, DE MONT in De Toekomst 31, 156. Geen gebouw of monument van eenig esthetisch of geschiedkundig belang, of hij trok er de aandacht op, V. CUYCK in Vl. School 1895, 108b. Wij (hadden) reeds de gelegenheid de aandacht te trekken op de methodische eenvoudigheid, waarmede de spraakkundige theorie uiteengezet wordt, VERMAST in De Toekomst 32, 249. Thans wenschen wij de aandacht te trekken op eenige werken van ondergeschikt belang, V. D. WEGHE, Proefschr. 35. Hij (trok) al aanstonds de aandacht van zijne leeraars (op zich), 57. De aandacht weze getrokken op de inleiding, V. D. WEGHE in Nederl. Mus. 31, 340.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

trekken ‘naar zich toe halen; naar een andere plaats gaan’ -> Engels trek, trekking ‘(per ossenwagen) reizen; voettocht in moeilijk toegankelijke gebieden maken’ <via Afrikaans>; Engels track ‘een vaartuig jagen’; Duits trecken ‘wegtrekken’; Duits Trekking ‘voettocht in moeilijk toegankelijke gebieden’ <via Engels>; Deens trekke, trekking ‘voettocht in moeilijk toegankelijke gebieden maken’ <via Engels>; Deens trække ‘naar zich toe halen, slepen, aantrekken’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors trekke ‘naar zich toe halen’ (uit Nederlands of Nederduits); Frans trekking ‘voettocht in moeilijk toegangelijke gebieden’ <via Engels>; Italiaans trekking ‘trektocht in moeilijk toegangelijke gebieden’ <via Engels>; Russisch trëkat' ‘in de maat zingen bij het trekken en heffen van scheepsvrachten; iets langzaam, voorzichtig trekken’; Javaans trèk, setrèk ‘naar zich toe halen’; Kupang-Maleis tarek ‘naar zich toe halen’; Menadonees tarèk ‘iemand een oorvijg geven’; Negerhollands trek, treek, trē ‘halen, te voorschijn halen, aftrekken’; Papiaments trèk ‘naar zich toe halen; naar een andere plaats gaan; samentrekken (van hout); als aftreksel doen ontstaan’; Sranantongo trèk ‘naar zich toehalen van geld’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

trekken* naar zich toe halen, naar een andere plaats gaan 1240 [Bern.]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

376. Dat kan de bruine (of bruin) niet trekken,

d.i. dat kan ik niet betalen, dat is me te duur. Onder de bruine moet worden verstaan het bruine paardVgl. het fri. de blauwe, de blauwbonte koe of het blauwgrijze paard.. Vgl. Harreb. I, 101 a: Dat kan de bruin niet trekken; dat kan graauw niet trekken, daar moet een bruin wezen; Bergsma, 172: Dat kan de broen neet trekken, dat kunnen we niet betalen: fri.: dat kin de brune net lûke (dêr moat de swarte by). In Zuid-Limburg: Dat kan mijne grijze niet trekken. Ook in Zuid-Nederland is deze zegswijze bekend, blijkens Waasch Idiot. 787 b; Antw. Idiot. 306: Dat kan den bruine niet trekken, mijne middelen laten niet toe om dat te bekostigen. Syn. is dat kan bles niet trekken (Draaijer, 43 a).

543. Aan het langste (of kortste) eind trekken,

d.i. het voordeel (of nadeel) hebben, er het best (of slechtst) aan toe zijn, het winnen (of verliezen). Deze uitdr. dateert uit de middeleeuwen, toen men zeide: om 't lanxte trecken, zien wie de sterkste is (Mnl. Wdb. IV, 103) en aen 't cortste ende bliven, dat in Reynaert II, vs. 522 voorkomt. Men zal den oorsprong der uitdr. moeten zoeken in de vroegere gewoonte van te loten of een twist te beslechten door uit eenige stroohalmen te trekken. Wie den langsten halm trok, had het gewonnen. Vgl. het hd. das Hälmchen ziehen; den Kürzern ziehen; oostfri.: de körtste trekken; de.: at traekke dat korteste straa (Nyrop, 126); in Zuid-Nederland: strootje (strooiken) trekken, tirer à la courte paille (De Bo, 1117; Rutten, 235 b; Schuermans, 694 a; Kinderspel, IV, 144-148Hatzfeld, 1656: Tirer à la courte paille, tirer au sort avec des brins de paille inégaux; ook: tirer au court fétu.; of lotje trekken, tuiken trekken (Antw. Idiot. 1273); in het mnl. muke tien (of treckenEen muke is een halm; zie het Mnl. Wdb. IV, 2004., loten, dat ook in het mnd. voorkomt, en in het dialect van Bremen de muken tên, losen, vermittelst ungleich langer stäbe oder halmen, welche die losende ausziehen müssen (Brem. Wtb. III, 196 aangeh. bij Lübben); in de Bommelerwaard: pinneke steken of trekken (V.d. Water, 118). Zie verder Sart. III, 1, 57: al willen wy aen 't langhste eynt wesen; Campen, 94: hy waer geerne ant breedste eynde; Van Moerk. 67: aen 't langste eind' blijven; Tuinman I, 238; Teirlinck, 402: de langsten end, de schoonsten end vast hen, het meeste voordeel genieten; ook de slechtsten end vast hen en het fri.: hja tsjiere om 'e langste ein, zij twisten om het langste einde. Voor de verklaring zie ook Borchardt, no. 721; Schrader, 368-369; De Cock1, 114; Günther, 40. Synoniem in de Bommelerwaard: aan de achterste mem (speen) liggen, aan 't kortste eind trekken (V.d. Water, 107).

1351. Van leer trekken,

d.w.z. beginnen te vechten; 16de eeuw: van scheede trekken; hd. vom Leder ziehen; oostfri. fan lër trekken. Onder leer, eig. leder, moet men verstaan de leeren scheede, waarin de sabel gestoken is. Zie Plantijn: Het sweerdt van leder trecken, desgainer une espee, educere e vagina gladium; Kiliaen: Leder, vagina; van leder trecken, educere gladium e vagina, ensem stringere; ducere ensem, mucronem, ferrum. Zie o.a. Huygens IV, 201; Brederoo III, 37; Verm. Avant. II, 162: Dit gesegt hebbende, trok hy van leder, vallende my, met het rapier in de hand, aan; Halma, 306: Van leer trekken, den degen of het mes trekken, en découdre, dégainer; Sewel, 441; Tuinman I, 279; Schoolmeester, 245: Wat trekken die vlooien hier ongemanierd van leer; Nkr. I, 15 Sept. p. 3; IV, 11 Dec. p. 2; V, 22 Jan. p. 3 (van leer geven); Ndl. Wdb. VIII, 1209; XIV, 323; enz. Schuermans, 339 deelt mede, dat deze uitdr. in Limburg beteekent: opdokken, de beurs trekken, over de brug komen; en: de vlucht nemen, loopen gaan. Vgl. ook Rutten, 130: (van) leer krijgen, slagen krijgen; Teirl. II, 204; van 't leer krijgen, slaag krijgen, gefopt, bedrogen zijn; verliezen (in 't spel); ook iemand van ('t) leer geven, waar eerder aan een leeren riem moet worden gedacht; vgl. no. 1350.(Aanv.) Zie Ndl. Wdb. XIII, 1814.

1353. Leeringen wekken, maar voorbeelden trekken,

d.w.z. eene goede daad, een goed voorbeeld helpt meer dan een goed woord, eene goede vermaning. Het spreekwoord komt in de 18de eeuw voor bij Tuinman I, 229: De kaars die voor gaat, licht best, dit komt overeen met Leeringen wekken, maar voorbeelden trekken; zie verder C. Wildschut V, 271: Voorbeelden trekken, leeringen wekken, gelijk mijne oude vriendin te Rotterdam altoos spreekt; Harreb. II, 13; III, 277; Villiers, 72; syn. de leer dringt zeer, maar 't leven meer of de leer klinkt, maar 't leven dwingt (vgl. De Brune, 369: 't Sermoen dat klinckt, 't exempel dwinght; Harreb. II, 13 b).

1792. Peil trekken op iemand of iets,

d.i. staat maken op, gewoonlijk met de ontkenning op iemand (of iets) geen peil kunnen trekken, op iemand of iets geen staat kunnen maken, geen gissing kunnen maken; 17de eeuw: er niet op kunnen glozen.

De zegswijze is ontleend aan het zeewezen, waar men onder peilen verstaat het door middel van een peiltoestel, dat op het kompas in het horizontale vlak beweegbaar is, bepalen van de plaats, waar men zich op zee bevindt. Voor die peiling richt men zich op een vast punt, eene plaats, die met zekerheid bekend is (bijv. een vuurtoren), het peil genoemd. Men noemt dit in de peiling nemen (vgl. B.B. 10: Iederen keer als hij naar het kompas keek en het vuur van Hilligermond in de peiling nam). Iets peilen, iets in de peiling nemen, peil trekken op iets beteekent zijn bestek maken; zijne raming, gissing, berekening maken op iets; zoo kan men een vuurtoren peilen, den hoek bepalen; de kust peilen, waarnemen en bepalen hoever zij van een schip is verwijderd en in welke richting zij ligt; vandaar overdrachtelijk: geen peil kunnen trekken op iemand, geen berekening kunnen maken op iemand, niet op iemand af kunnen gaan, niet op iemand kunnen vertrouwen, geen staat kunnen maken op iemand. In dezen zin komt de uitdr. in de 18de eeuw voor in het Boere-krakeel, 136: Daer op is nog gien peil te trekken; zie ook Harreb. II, 182 a; Nest, 29; Nederland, 1914, II, 8; Ndl. Wdb. XII, 930; Molema, 316: d'r is gijn pail op te trekken; Villiers, 97.

2282. Aan de touwtjes trekken (of zitten),

d.w.z. het bewind der zaken in handen hebben, de lakens uitdeelen. Oorspronkelijk gezegd van iemand die door middel van touwtjes iets (marionetten?) in beweging brengt; daarna bij overdracht toegepast op iemand die in 't geheim de teugels in handen heeft, alles regelt en bestuurt (zie no. 1991); vgl. in denzelfden zin de draden der politiek (zie Ndl. Wdb. III, 3178). Zie Nkr. V, 10 Juni p. 3:

 Mijnheer, mijn Hoofd heeft mij doen weten
 Dat ik voortaan mij niet meer mocht vermeten,
 Aan kinderen de kennis te verstrekken
 Wie in ons landje aan de touwtjes trekken.

Nkr. V, 24 Juni p. 6: Bram Kuyper, die goocheme spullebaas die trekt - achter 't scherm - aan de touwen; Het Volk, 6 Febr. 1914 p. 7 k. 2: Een stevig protest tegen het drijven van verschillende personen, die achter de schermen aan de touwtjes trekken, zou zeker wel op zijn plaats zijn geweest; 22 Juni 1914 p. 6 k. 1: Die zelfde hulde komt aan Michels toe, die als administrateur alle touwtjes in handen heeft, naar alle hoekjes van de wereld toe; 9 Juni 1914 p. 1 k. 2: De heeren die aan de touwtjes zitten; De Arbeid, 18 Maart 1914 p. 1 k. 2: De heeren die aan de touwtjes zitten, speculeeren op de onwetendheid van de massa. Aan het touwtje (of touwtjes) hebben, in zijn macht hebben; vgl. De Vrijheid, 9 Jan. 1924, 1ste bl. p. 4: Wel hebben de afgevaardigden der Ger. St. P. de broeders in den geloove aan het touwtje, om van aande-ketting-liggen maar niet te spreken; Groot-Nederland 1914 (Oct.) p. 443: Wij hebben de Beurs ook niet an touwtjes. En met kinderachtige dreigementen gaat 't fonds niet de hoogte in. Vgl. eng. to pull (on) the strings (or the wires); hd. die Fäden in der Hand haben; fr. c'est lui qui tient les ficelles, qu'on ne voit pas agir et qui fait agir les autres.

Overige werken

Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.

4. der-, schwere Basis derǝ-, drē- ‘schinden, die Haut abziehen, abspalten, spalten’

ai. dar- ‘bersten machen, spalten, sprengen’, Präs. der leichten Basis dárṣ̌i, adar, dárt, n-Präs. der schweren Basis dr̥ṇā́ti ‘zerspringt, birst’, Opt. dr̥ṇīyā́t, Perf. dadā́ra, Partiz. dr̥ṭa-, von der schweren Basis dīrṇá-, Kaus. dā̆rayati, Intens. dardirat, dárdarti (vgl. av. darǝdar- ‘spalten’; čech. drdám, drdati ‘rupfen, abrupfen’), dardarīti ‘zerspaltet’, dara-ḥ m., darī f. ‘Loch in der Erde, Höhle’ (: gr. δορός ‘Schlauch’, lett. nuõdaras ‘Abfall von Bast’, ksl. razdorъ), dŕ̥ṭi-ḥ m. ‘Balg, Schlauch’ (= gr. δάρσις, got. gataúrþs, russ. dertь), darmán- m. ‘Zerbrecher’ (: gr. δέρμα n.), woneben von der schweren Basis dárīman- ‘Zerstörung’; -dāri- ‘zerspaltend’ (= gr. δῆρις), dāra- m. ‘Riß, Spalte, Loch’, dāraka- ‘zerreißend, zerspaltend’, darī- in dardarī-ti, darī-man- mit ī für i = ǝ (vgl. Wackernagel Ai. Gr. 1 20), kaum nach Persson Beitr. 779 von der i-Basis; npers. Inf. dirīδan, darīδan, jüd.-pers. darīn-išn;
av. darǝdar- (s. oben) ‘spalten’, Inf. dǝrǝnąm (: ai. dr̥ṇā́ti), Iter. dāraya-, Partiz. dǝrǝtō (= ai. dr̥tá-);
arm. teṙem ‘häute ab, schinde, mache schwielig’ (wegen wohl zur Wzf. *der-s-, Persson Beitr. 779 Anm. 1); unsicher arm. tar ‘fremd(es Land)’, tara- ‘außer, ohne, fern’, taray Aor. ‘nahm Reißaus’ (Persson Beitr. 778 a 2);
gr. δέρω ‘häute ab, schinde’, i̯o-Präs. δείρω ds. (wie lit. derù neben diriù), Aor. Pass. ἐδάρην, Partiz. δρατός, δαρτός (= ai. dr̥tá-); δορός ‘Schlauch’ (= ai. dara-, lett. nuõ-daras); δάρσις ‘das Abhäuten’ (= ai. dŕ̥ti-), woneben mit (geneuerter) Hochstufe att. δέρρις, -εως ‘Haut, ledernes Kleid, Decke’; *δέρτρον, diss. δέτρον ‘Haut im Körperinnern’; δέρας, -ατος n. ‘Fell’ (schwere Basis?), δέρος n., δέρμα n., δορά ‘Fell’; dehnstufig δῆρις, -ιος (poet.) ‘Streit, Kampf’(= ai. -dāri-); hierher wohl auch δαρ-δαίνω ‘beschmutze’ statt *δαρ-δαίρω (: ai. dár-dar-ti)?
cymr. corn. bret. darn ‘Stück, Teil’ (= ai. dīrṇá-);
got. dis-taíran (= gr. δέρω) ‘auseinanderreißen’, ga-taíran ‘zerreißen, zerstören’, ags. teran ‘zerreißen’, ahd. zeran, fir-zeran ‘zerreißen, zerstören’; mhd. (ver)zern, nhd. (ver)zehren ‘verzehren, verbrauchen’, mengl., mnd. terren ‘zanken’, ndd. terren, tarren ‘reizen, necken’, ahd. zerren ‘zerren’; got. intrans. dis-, ga-taúrnan ‘zerreißen’ (: ai. dr̥ṇā́ti), holl. tornen ‘sich auftrennen’, vgl. nominal ags. as. torn, ahd. zorn ‘Zorn, Streit, heftiger Unwille’ und in ursprünglichster Bed. holl. torn ‘Spaltung, Scheidung’ (= ai. dīrṇá-, cymr. darn; auch ai. dīrṇá- heißt außer ‘gespalten’ auch ‘verwirrt, in Verzweiflung befindlich’); woneben hochstufig anord. tjǫrn f. (*dernā), tjarn n. (*dernom) ‘kleiner See’, ursprgl. wohl ‘Wasserloch’ (vgl. ai. dara-, darī ‘Loch in der Erde’); zu ga-taúrnan trat kausatives (iteratives) gatarnjan ‘berauben’ (aber ahd. uozurnen ‘verachten’ ist Denom. von *uo-zorn); got. gataúra m. ‘Riß’, gataúrþs f. ‘Zerstörung’ (= ai. dr̥ti-, gr. δάρσις); anord. torð- in Kompositis, ags. tord n. ‘Kot’ (*dr̥-tóm ‘Abscheidung’, vgl. lett. dìrstu, dìrst ‘cacare’, dir̃sa ‘der Hintere’, Mühlenbach-Endzelin I 470, und von einer Gutturalerweiterung mhd. zurch, zürch m. ‘Tierexkremente’);
daneben von der schweren Basis anord. trōð n. ‘Latten, Unterlage aus Stangen’ (*drō-to-m), mhd. truoder f. ‘Latte, Stange, daraus gefertigtes Gestell’; ahd. trā̆da ‘Franse’ (nhd. Troddel), mhd. trōdel (für *trādel) ‘Holzfiber’;
eigentlich zu der-(e)u- (s. unten) mit Nasalinfix gehören *dr̥-nu̯-ō in mhd. trünne f. ‘laufende Schar, Zug, Schwarm; Woge’, ahd. abe-trunnig, ab-trunne ‘abtrünnig’, ant-trunno ‘Flüchtling’, und *dren-u̯ō in trinnan ‘sich absondern’, mhd. trinnen, trann ‘sich trennen von, fortlaufen’, nhd. entrinnen (*ent-trinnen), Kaus. germ. *tranni̯an in mhd. trennen ‘schneiden’, nhd. trennen, holl. (mit Umstellung) tarnen, tornen ‘trennen’ (letztere jedenfalls unmittelbarer aus *der- ‘spalten’ zu gewinnen; das nn von germ. *trennan aus -nu̯-); sicher hierher schwed. mdartl. trinna, trenta ‘gespaltener Zaunständer’, ferner mit der Bed. ‘abgespaltenes Stammstück als Scheibe, Rad’ ahd. trennila ‘Kugel’, trennilōn ‘rollen’, mnd. trint, trent ‘kreisrund’, trent m. ‘Rundung, ringsumfassende Linie’, ags. trinde f. (oder trinda m.) ‘runder Klumpen’, mhd. trindel, trendel ‘Kugel, Kreisel’ u. dgl.
Mit gebrochener Redupl. oder formantischem -d- (vgl. gr. δαρδαίνω und čech. drdati) und aus ‘reißen, unfreundlich zerren’ erklärbarer Bed. wohl hierher germ. *trat-, *trut- in ags. teart ‘streng, scharf, bitter’, mndl. torten, holl. tarten ‘reizen, herausfordern, trotzen’, mnd. trot ‘Trotz’, mhd. traz, truz, -tzes ‘Widersetzlichkeit, Feindseligkeit, Trotz’, nhd. Trotz, Trutz, trotzen, bair. tratzen ‘necken’; mit der Bed.-Entw. ‘zerfasert’ - ‘dünn, fein, zart’ vielleicht (?)mnd. tertel, tertlīk ‘fein, zierlich, verzärtelt’, dän. tærtet ‘zimperlich’ (vielleicht auch norw. mdartl. tert, tart ‘kleiner Lachs’, terta ‘kleine Spielkugel’); ahd. nhd. zart (letzteres aus *dor-tō-, vgl. mpers. dart ‘geplagt’, npers. derd ‘Schmerz’ Wood KZ. 45, 70);
lit. diriù (: δείρω), žem. derù (: δέρω), dìrti ‘schinden, Rasen oder Torf abstechen’ (schwere Basis gegenüber ai. dŕ̥ti-, gr. δάρσις, got. gataúrþs), nudìrtas ‘geschunden’, lett. nuõdara ‘Stange mit bekappten Ästen; Schnitte Brot’, Pl. -as ‘Abfälle, bes. von Bast’ (: Mühlenbach-Endzelin II 772, ai. dara-, gr. δορός), lit. dernà ‘Brett, Bohle’; mit u-farbiger Tiefstufenform lit. duriù, dùrti ‘stechen’ (Prät. dū́riau) = serb. ù-drim (ù-driti) ‘schlagen’ (russ. u-dyrítъ ‘schlagen’ mit Iterativstufe zu *dъr-, vgl. lit. dū́riau, Berneker 179 f.). Dagegen sind lit. dur̃nas ‘rasend, dumm’, lett. dur̃ns aus dem Slav. entlehnt; vgl. Mühlenbach-Endzelin I 519.
Slav. *derō und *diriō in aksl. derǫ, dьrati ‘reißen, schinden’ und *dьrǫ (serb. zȁdrēm, čech. dru); u-darjǫ, u-dariti ‘schlagen’ (*dōr-, vgl. *dēr- in gr. δῆρις), mit Iterativstufe raz-dirati ‘zerreißen’, serb. ìz-dirati ‘sich abmühen (sich schinden); Reißaus nehmen’ (dazu aksl. dira ‘Riß’; s. Berneker 201, wo auch über die Bed.-Entw. der wohl verwandten Sippe serb. díra ‘Weg, den ein Heer gezogen ist oder zieht’, bulg. díra ‘Spur eines Menschen oder Tieres, oder von Rädern’, dírъ ‘suche, spüre, verfolge’); über *dъr- in serb. ù-drim s. oben;
Nomina: mit ē-Stufe sloven. u-dȇ̦r ‘Schlag’, mit ŏ-Stufe aksl. razdorъ ‘Riß, Spaltung’ (= ai. dara-, gr. δορός, lett. nuõ-daras), serb. ù-dorac ‘Angriff, mit Schwundstufe (idg. *dr̥to-): serb ksl. raz-drьtь ‘zerrissen’, klr. dértyj ‘gerissen, geschunden’ (= ai. dr̥ta-); idg. *dr̥ti- : russ. dertь ‘Überbleibsel von geschrotetem Getreide, Kleie; Rodeland’ (= ai. dŕ̥ti- usw.); russ. (usw.) dërnъ ‘Rasen’ (: ai. dīrná- usw., Bed. wie in lit. dir̃ti ‘Rasen abstechen’); russ. dermó ‘Lumpenzeug, Untaugliches, Kehricht, Schmutz’ (*Abfall beim Spalten, Abschälen), dërkij ‘rasch, geschwinde’, dranь f. ‘Dachschindel, Latte’, drjanь = ‘dermó’, dráka ‘Schlägerei’, drač ‘Nagelzieher’, o-dríny Pl. ‘Spreu’ usw.
Mit l- erweitert lit. nu-dìrlioti ‘die Haut abziehen’, serb. dȓljām, dŕljati ‘eggen’, dȓljīm, dŕljiti ‘entblößen’ (Berneker 255);
toch. AB tsär- ‘trennen’, tsrorye ‘Spalt, Riß’ (Pedersen Toch. Sprachg. 19).

d(e)rī- (: *derēi-?) nur spärlich belegt (s. bes. Persson Beitr. 779 f.):
Gr. δρῑ-μύς ‘(schneidend, zerspaltend) durchdringend, scharf, herb, bitter’ (wohl nach ὀξύς umgebildet aus *δρῑ-μός oder -σμός), lett. drīsme ‘Riß, Schramme’, vielleicht (wenn nicht Ablautsentgleisung zu lit. dreskiù auf Grund von dessen Tiefstufe drisk-) aus lett. drìksna (*drīskna) ‘Schramme’, draĩska ‘Zerreißer’, vgl. Mühlenbach-Endzelin I 488 f., 500;
fern bleibt δρῖλος ‘Blutegel, Penis’, eigentl. ‘Schwellender’, zu δριάουσαν· θάλλουσαν Hes. (M. Scheller briefl.).
Mit u-Formans von der leichten (der-eu-) und schweren Basis (derǝ-u-, dr̥̄-u-) ‘zerreißen, (das Land) umbrechen, aufreißen, eruten’: dorǝ-u̯ā: dr̥̄-u̯ā ‘Getreideart’, deru-, de-dru- usw. ‘zerrissene Haut’.
Mpers. drūn, drūdan ‘ernten’;
über germ. Formen mit Nasalinfix s. oben S. 207;
hierher anord. trjōna f. (*dreu-n-ōn-) ‘Rüssel des Schweins’ (‘aufreißend, wühlend’), trȳni n. ds., mhd. triel (*dreu-lo-) m. ‘Schnauze, Maul, Mund, Lippe’, norw. mdartl. mūle-trjosk, -trusk (*dreu-sko-) ‘Pferdemaul’ (Falk-Torp u. tryne). Wegen der Bed. unsicherer ist Falk-Torps Anreihung unter trøg und trygle von anord. trauða ‘mangeln, zu kurz kommen, im Stich lassen’, trauðla Adv. ‘kaum’, trauðr ‘verdrossen’ und - mit g-Erweiterung - ags. trū̆cian ‘fehlen, ermangeln, zu kurz kommen’ (nengl. dial. to truck ‘to fail’, mnd. trüggelen ‘betteln, betrügen’);
lett. drugt ‘sich mindern, zusammensinken’ (ir. droch, cymr. drwg ‘karg, schlecht’ voneiner k-Erw.?, Mühlenbach-Endzelin I 505).
ai. dū́rvā ‘Hirsegras’ (dr̥̄-u̯ā);
vgl. gr. delph. δαράτα f., thess. δάρατος m. ‘Brot’ (*dr̥ǝ-), maked. δράμις ds.;
gall. (lat.) dravoca ‘Lolch’ (*drǝ-u̯-); bret. draok, dreok, cymr. drewg ds. sind aus dem Roman. entlehnt (Kleinhans bei Wartburg III 158);
mndl. tarwe, terwe, holl. tarwe ‘Weizen’, engl. tare ‘Unkraut, Lolch, Wicke’ (germ. *tar-u̯ō, idg. *dorǝu̯ā);
lit. dìrva ‘Acker’ (*dr̥̄-u̯ā, mit Intonationswechsel der ā-Stämme), eigentl. ‘Aufgelockertes’, dirvónas ‘ehemaliges, jetzt als Wiese benutztes Ackerland’ (vgl. zur Bed. russ. mdartl. dor ‘Neubruch, Rodland’, rózdertь ‘urbar gemachtes Land’), lett. druva ‘der bestellte Acker, Saatfeld’ (Mühlenbach-Endzelin I 470, 505), russ. (s. Berneker 186) derévnja ‘Dorf (ohne Kirche); Landgut’, mdartl. ‘Stück Feld’, pášet derévnju ‘bestellt das Feld’;
mit der Bed. ‘Hautausschlag’ (‘sich absplitternde Hautschuppen, rissige Haut’):
ai. dar-dru- m. ‘Art Hautausschlag’, dar-dū́- m. (unbelegt), da-drú- m., da-dru-ka- m. ‘Aussatz’;
lat. derbita f. ‘Flechte’ ist Lw. aus gall. *dervēta (vgl. auch mir. deir, air. *der aus *derā ‘Flechte’), zu cymr. tarwyden, tarwden (Pl. tarwed) (neben darwyden durch Einfluß derPräfixgruppe t-ar-, Pedersen KG. I 495), mbret. dervoeden, nbret. deroueden ‘Flechtenübel’(*deru̯-eit-);
germ. *te-tru- in ags. teter ‘Ausschlag’, ahd. zittaroh (*de-dru-ko-s = ai. dadruka-), nhd.Zitterich ‘Ausschlag’;
lit. dedervinė̃ ‘flechtenartiger Ausschlag’ (Trautmann 47, Mühlenbach-Endzelin I 450; vgl. in ähnlicher Bed. von der Wzf. *der- čech. o-dra, Pl. o-dry ‘Friesel, -n’, poln. o-dra ‘Masern’, von der g-Erweiterung bulg. drъ́gnъ-se ‘reibe mich, jucke mich, werde krätzig’);

dereg- :
Mndl. treken st. V. ‘ziehen’ und ‘schaudern’, ahd. trehhan ‘schieben, stoßen, stoßweise ziehen, scharren, scharrend verdecken’, *trakjan in mnd. trecken ‘ziehen (tr. intr.)’, ags. træglian ‘to pluck’, womit wegen der gleichen Vokalstellung vielleicht lett. dragât ‘zerren, reißen, erschüttern, schütteln’, draguls ‘Fieberschauer’, drāga ‘eine starke zornige Person, die viel leistet und viel verlangt’ zu verbinden ist; lett. drigelts, drigants, lit. drigãntas ‘Hengst’ sind Lw. aus poln. drygant; vgl. Būga Kalba ir s. 128, Mühlenbach-Endzelin I 498.

deregh- (s. Persson Wzerw. 26, Berneker 254 und 212 m. Lit.):
Ags. tiergan (germ. *targi̯an) ‘necken, reizen’, mnd. tergen, targen ‘zerren, reizen’, holl. tergen, nhd. zergen ‘ziehen, zerren, ärgern’, schwed. mdartl. targa ‘mit den Zähnen odereinem schneidenden Werkzeug zerren’, norw. mdartl. terga ‘necken’; lit. dìrginu, dìrginti ‘(den Hahn des Gewehres) spannen’; russ. dërgatь ‘zupfen, ziehen, reißen’ (usw.), sú-doroga ‘Krampf’.

derek-:
Δρέκανον Name eines Vorgebirges in Kos (wie Δρέπανον mehrfach als Name von Vorgebirgen, Bugge BB. 18, 189), δόρκαι· κονίδες, δερκύλλειν· αἱμοποτεῖν (eigentlich ‘die Haut aufreißen’ wie gleichbed. δερμύλλειν) Hes.;
gr. δόρπος m., δόρπον n. ‘Abendessen’ (*dork- + u̯o-Formans) = alb. darkë ‘Abendessen, Abend’ (unklar die Ablautverhältnisse in drekë ‘Mittagessen’; vgl. Persson Beitr. 8591); vielleicht zum(nordillyr.?) ON Δρακούινα (leg. Δαρκούινα?) in Württemberg, als ‘Ort zum Rasten’;
sloven. dȓkam, dȓčem, dȓkati ‘gleiten, glitschen, auf dem Eise schleifen; rennen, Trab laufen’ (wohl aus ‘Reißaus nehmen’), čech. drkati ‘stoßen, holpern’, bulg. dъ́rcam, drъ́cnъ ‘ziehe, riffle Flachs, Hanf’ (Berneker 255, Persson Beitr. 85, 359).

deres-:
Arm. teṙem (s. oben unter der-);
mir. dorr ‘Zorn’, dorrach ‘rauh, grob’ (s. Persson Beitr. 779 Anm. 1);
vermutlich ags. teors, ahd. zers ‘penis’, norw. ters ‘Nagel’; auch anord. tjasna f. ‘Art Nagel’ aus *tersnōn-?, norw. trase ‘Lappen, Lumpen’, trasast ‘zerfasert werden’, tras ‘Reisig’, trask ‘Abfall, Plunder’;
sloven. drásati ‘auflösen, trennen’, čech. drásati ‘kratzen, ritzen, streifen’, drasta, drásta ‘Splitter, Fetzen; Gewand’, draslavý ‘rauh, holprig’, tiefstufig drsen ‘rauh’, drsnatý ‘holprig’(vgl. oben mir. dorr).

dre-sk:
lit. su-dryskù, -driskaũ, -drìksti ‘zerreißen’, dreskiù, dreskiaũ, -drė̃ksti ‘reißen’, draskaũ, draskýti iter. ‘zerreißen’, lett. draskât ds., draska ‘Lumpen’, lit. drėkstìnė lentà ‘gerissene Latte, dünn gespaltenes Holz’ (Leskien Abl. 325, Berneker 220, 224).
bulg. dráskam, dráštъ (*draščǫ) ‘kratze, scharre; liege an, sorge um’, perfektiv drásnъ (*drasknǫ); dráska ‘Kratzer, Riß’; čech. alt z-dřies-kati und (mit Assimilation des Auslauts anden tönenden Anlaut) z-dřiezhati ‘zerbrechen’, dřieska, dřiezha ‘Splitter, Span’, heute dřízha ‘Span’; poln. drzazga ‘Splitter’;

Mit formantischem -p-:
drep-, drop-:
Ai. drāpí-ḥ m. ‘Mantel, Kleid’, drapsá-ḥ m. ‘Banner (?)’ (= av. drafša- ‘Fahne, Banner’), lit. drãpanos f. Pl. ‘Weißzeug, Kleider’, lett. drãna (wohl *drāp-nā) ‘Zeug, Tuch’; gallo-rom. drappus ‘Tuch’ (PN Drappō, Drappus, Drappes, Drapōnus) ist wohl ven.-ill. Lw.; der a-Vokal aus idg. o oder, wie das -pp-, expressiv;
gr. δρέπω ‘breche ab, schneide ab, pflücke’, δρεπάνη, δρέπανον ‘Sichel’, auch δράπανον (daraus alb. drapën ds.), das durch Assimilation von δρεπάνη zu *δραπάνη zu erklären ist; o-stufig δρώπτω· διακόπτω Hes. (= serb. drȃpljēm), δρῶπαξ, -κος ‘Pechpflaster, um Haareauszuziehen’, δρωπακίζω ‘reiße Haare aus’; anord. trǫf n. Pl. ‘Fransen’, trefr f. Pl. ds., trefja ‘zerfasern’, mhd. trabe f. ‘Franse’;
*drōp- in russ. drjápa-ju, -tь (mit unklarem ja), dial. drápatь, drapátь ‘kratzen, reißen’, serb. drȃpām, drȃpljēm, drápati ‘zerreißen, abnutzen; kratzen’, poln. drapać ‘kratzen, schaben, reiben, fliehen’;
dr̥p-, slav. *dьrp- in bulg. dъ́rpam, perfektiv drъ́pnъ ‘reiße, ziehe, schleppe’, serb. dȓpām, dŕpati und dȑpīm, dȑpiti ‘reißen’;
bsl. dreb-, drob- ‘Fetzen, Kleider’ in lett. drė́be f. ‘Zeug, Kleid, Wäsche’, lit. dróbė f. ‘Leinwand’, drãbanas m. ‘Lumpen, Fetzen’, drabùžis, drobùžis m. ‘Kleid’; osorb. draby m. Pl. ‘Kleiderzeug’, čech.-mähr. zdraby m. Pl. ‘Lumpen, Fetzen’ haben wohl durch Einfluß der Wz. *drob- (s. unter dhrebh-) ‘zerschneiden, zerstückeln’ -b- statt -p-;

drip-:
Gall. (ven.-ill.) PN Drippia, Drippōnius (vgl. oben Drappus usw.);
bulg. drípa ‘Lappen, Fetzen’, sloven. drȋpam (drȋpljem), drípati ‘zerreißen, Durchfall haben’, čech. dřípa ‘Fetzen’, dřípati ‘reißen, zerreißen’;

drup-:
Gr. δρύπτω ‘zerkratze’, ἀποδρύπτω, -δρύφω (mit sekundärem φ statt π, s. Persson Beitr. 859) ‘kratze ab, schinde die Haut ab’, δρυφή ‘das Zerkratzen, Abstreifen’, δρυπίς ‘eine Dornenart’.
Zum Wechsel von a : i : u in ‘mots populaires’ vgl. Wissmann Nomina postverbalia 162 ff.

WP. I 797 ff., WH. I 342 f., 373, 861, Trautmann 51 f.

dherāgh- ‘ziehen, am Boden schleifen’, gleichbed. mit trā̆gh- (s. d.).

Anord. draga, got. u. ags. dragan, engl. draw ‘ziehen’, anord. drag n. ‘Unterlage eines gezogenen Gegenstandes’, norw. drag ‘Luftzug, Wellenschlag, Wasserlauf, Zugseil’, dial. drog f. (*dragō) ‘kurzer Schlitten, Weg(spur) eines Tieres, Tal’, anord. dregill ‘Band’, drōg f. ‘Streifen’, aschwed. drøgh ‘Schlitten’, ags. dræge f. ‘Schleppnetz’, mnd. dragge, nnd. auch dregge ‘Bootsanker’, engl. dredge ds.; ablautend norw. dorg f. (*durgō, idg. *dhr̥̄ghā) ‘Angelschnur, die man hinter dem Boot herzieht’; mit der Bed. ‘tragen’ (aus ‘schleppen’, s. Berneker 212), ahd.tragan ‘tragen’, sih (gi)tragon ‘sich betragen’.
Wohl hierher sl. *dārgā in: serb.-ksl. draga ‘Tal’, russ. doróga ‘Weg, Reise’, dial. ‘Angel’, serb. drȁga ‘Tal’, poln. droga ‘Weg, Straße, Reise’, russ. doróžitь ‘aushöhlen’, čech. drážiti ‘einen Falz oder eine Furche machen, aushöhlen’; vielleicht auch čech. z-dráhati se ‘sich weigern’, poln. wz-dragać się ‘sich sträuben, nicht daran wollen’ (als ‘hinziehen’) und aksl. podragъ ‘Saum, Rand eines Kleides’ u. dgl. (anders unter dergh- ‘fassen’).
Lat. trahō ‘ziehe’, traha ‘Schleife’, trāgum ‘Schleppnetz’, trāgula ‘ds., kleine Schleife’ können durch Spirantendissimilation (*ðragō zu *dragō) auf dhrā̆gh- zurückgehen, aber auch idg. t- haben (: air. traig ‘Fuß’ usw., s. trā̆gh-).

WP. I 862, Trautmann 45.

dhreg̑- ‘ziehen; dahinziehen, gleiten, streifen’, gleichbedeutend mit trā̆gh- (s. dort)

Ai. dhrájati ‘streicht, gleitet dahin’, prá-dhrajati ‘eilt’, dhrájas- n., dhrajati- f. ‘das Streichen, Zug’, dhrā́j- etwa ‘Zugkraft’, dhrā́ji-, dhrājí- f. ‘Zug, Trieb’;
anord. drāk f. ‘Streifen’ (: ai. drāj-); nasaliert dazu vielleicht got. drigkan, aisl. drekka, ags. drincan, ahd. trinkan ‘trinken’ (‘einen guten Zug machen, ducere pocula’);
lit. drežóti ‘glattstreichen’, drýžas, druožė̃ ‘streifig’, auch (?) lit. drė́ž-iu, -ti ‘reißen’, nudrė́žti ‘herunterreißen’ (Juškević 346); dazu wohl dróžti ‘schnitzen, schlagen, gehen’ usw., lett. drāzt ds.; s. unter dregh-1;
Lett. dragât ‘zerren’ dagegen vermutlich zu mndl. trecken ‘ziehen’, s. der-4 (dergh-, dreg-) ‘schinden’ und Mühlenbach-Endzelin I 488 m. Lit.

WP. I 874.

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal