Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

treiteren - (sarren)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

treiteren ww. ‘sarren’
Nnl. treiteren, traiteren ‘tergen, sarren, dwarszitten’ in 't vrye Neêrland, getreitert en gesart [1733; WNT], is 't arme Wyfje door jou traitren niet gesturven? [ca. 1785; WNT], het was er niet meer uit te houen, zoo als ze de lui treiterde [1865; WNT], puur om te treiteren [1947; WNT puur].
Wrsch. een afleiding van het zn. treiter ‘kwelgeest, pestkop’ [1700; WNT treiter I], ouder traiter ‘id.’ [1615; Toll.], dat ontleend is aan Frans traître ‘snoodaard’ [1552; TLF], ouder traïtre ‘verrader’ [ca. 1100; TLF]. Het Franse woord gaat terug op Latijn trāditor ‘verrader’, letterlijk ‘iemand die overlevert’, een afleiding van trādi-, een stamvorm van trādere ‘afleveren, overleveren’; dat werkwoord is zelf gevormd uit trāns ‘over, door’ en dare ‘geven’, zie → datum.
Ontlening van treiteren aan Frans traiter ‘manipuleren’ [1765; TLF], eerder al ‘aanraken, manoeuvreren’ [1213; TLF] en ‘behandelen’, zie → traiteur, is gezien de klemtoon op de beginlettergreep minder waarschijnlijk.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

treiteren [plagen] {1733} van treiter [plaaggeest] < frans traître [verrader] < latijn traditor [lett.: degene die overbrengt], van tradere [overbrengen] (vgl. traditie).

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

treiteren ww. eerst nnl. misschien afgeleid van het znw. treiter, mogelijk < fra. traître ‘verraderʼ (Vercoullie Vla. Akad. 1923, 883-4); een verklaring die wel de voorkeur verdient boven die als ontlening < fra. traiter ‘behandelen, bejegenenʼ, waarvan de bet. niet zo gemak­kelijk tot die van ‘treiterenʼ verloopt.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

treiteren ww., nog niet bij Kil. Met ndl. iteratief-formans van het ontleende fr. traiter “behandelen, bejegenen”, dat onverlengd in ’t Vla. als treiten “zeuren om iets gedaan te krijgen” voorkomt. Voor de formatie vgl. koesteren, schermutselen, verbrijzelen.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

treiteren. Vla. treiten is verdacht; wel is treiter znw. zeer gewoon, vooral in Zuid-Ndl.; dit zou het grondwoord kunnen zijn van treiteren. Vercoullie Vla. Acad. 1923, 883 vlg., die treiteren van fr. traiter scheiden wil, denkt aan ontl. van het znw. treiter aan fr. traître ‘verrader, valsaard’. Dit verdient overweging, omdat de vorm op -eren hierdoor vlot wordt verklaard.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

treiteren o.w., van treiter, nomen agentis van treten: z.d.w.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

treitere (ww.) treiteren, sarren; Nuinederlands treiteren <1733>.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

treiter ww.
Pla, terg.
Uit Ndl. treiteren (1733), 'n afleiding van die s.nw. treiter (1700) 'plaaggees'. Ndl. treiter oorspr. 'n skeldnaam wat ontwikkel het tot die naam van 'n plaaggees, spotter.
Ndl. treiter uit Fr. traître 'verraaier' uit Latyn traditor 'verraaier', lett. 'hy wat oordra', uit tradere 'oordra'.
Eng. traitor.
Vgl. tradisie.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

treiter: – tretter – , pla, tart, terg; Ndl. treiteren/traiteren (na Kil), dial. ook trêteren, afl. v. treiter/traiter, soos Eng. traitor, uit Fr. traître, “verraaier, valsaard”, hou verb. m. Port. traidor (wu. Ndl. tydens d. O.I.C. traidoor/treido(o)r), It. traditore, uit Lat. traditor, “verraaier” (ww. tradere, “oorgee, hensop”).

Thematische woordenboeken

N. van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

treiteren (van Frans traître)

C.H.Ph. Meijer (1919), Woorden en uitdrukkingen verklaard door Dr. C. H. Ph. Meijer, Amsterdam

Treiteren, eerst laat; = plagen, in den regel op vinnige wijze: frequent. van het in ’t vla. voorkomend treiten, lastig vallen, dat wel het fra. traiter zal zijn; de overgang van behandelen tot slecht behandelen, plagen, mishandelen komt veel voor, vgl. havenen, af- en toetakelen, onder handen nemen enz. Stijn Streuvels, Beroerde Maandag 143: “Waarom nu toch iemand kan blij zijn, treitte de mandenmaker, bij mij maken ze daar zoo geen feestdag van (t.w. van de geboorte v.e. kind)”.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

treiteren ‘plagen’ -> Fries treiterje ‘plagen’; Sranantongo trèiter ‘plagen, sarren’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

treiteren plagen 1733 [WNT]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal